Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2018:9436 ECLI:NL:RBROT:2018:9436 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2018:9436 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2018:9436
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team insolventie Uitspraakdatum: 2 oktober 2018 Rekestnummer: [nummer] BESCHIKKING op het verzoek van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf] , statutair gevestigd te [plaats] , kantoorhoudende aan de [adres] , [postcode] , aangeefster, strekkende tot haar (op eigen aangifte) faillietverklaring.

Legislator headnote

AI generated

artikel 16 Fw, artikel 2:19 lid 1 BW, artikel 2:19 lid 4 BW; ECLI:NL:RBROT:2018:9436 · Rechtbank Rotterdam: Evenmin zijn er, gelet op het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken, op dit moment aanwijzingen dat andere baten te verwachten zijn (bijvoorbeeld door aansprakelijkheid van de bestuurder). Er is derhalve naar verwachting geen te executeren vermogen. Dat, gevoegd bij het feit dat gesteld noch gebleken is dat belangen van derden (zoals werknemers) betrokken zijn, betekent dat te verwachten is dat een curator vanwege een gebrek aan baten en de oplopende faillissementskosten het faillissement ex artikel 16 Fw zo snel mogelijk zal voordragen voor opheffing.

Keywords

AI generated
non-active status acts without binding force gainful inactivity proper reasons for non-use suspension of payments assurance of proper business conduct

Cited Legislation

AI generated
artikel 16 Fw
Dat, gevoegd bij het feit dat gesteld noch gebleken is dat belangen van derden (zoals werknemers) betrokken zijn, betekent dat te verwachten is dat een curator vanwege een gebrek aan baten en de oplopende faillissementskosten het faillissement ex artikel 16 Fw zo snel mogelijk zal voordragen voor opheffing.
artikel 2:19 lid 1 BW
Daar staat tegenover dat aangeefster – in de regel door een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders – mogelijk op grond van artikel 2:19 lid 1 BW kan worden ontbonden.
artikel 2:19 lid 4 BW
Ingevolge artikel 2:19 lid 4 BW houdt de rechtspersoon die op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, alsdan op te bestaan.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team insolventie Uitspraakdatum: 2 oktober 2018 Rekestnummer: [nummer] BESCHIKKING op het verzoek van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf] , statutair gevestigd te [plaats] , kantoorhoudende aan de [adres] , [postcode] , aangeefster, strekkende tot haar (op eigen aangifte) faillietverklaring.

1De procedure

Op 28 september 2018 heeft aangeefster ter griffie van de rechtbank een verzoek tot (op eigen aangifte) faillietverklaring ingediend. Op 2 oktober 2018 is mr. M.M. de Jong, advocaat, namens de heer [naam] , bestuurder van aangeefster, in raadkamer gehoord. De uitspraak is bepaald op heden.

2De beoordeling

Uit de overgelegde stukken, alsmede het verhandelde ter zitting is voldoende duidelijk geworden dat aangeefster verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. In zoverre is voldaan aan de in de Faillissementswet (hierna: Fw) gestelde eisen om op eigen aangifte in staat van faillissement te worden verklaard. De rechtbank is evenwel van oordeel dat aangeefster onvoldoende belang heeft bij het verzochte faillissement. Mr. De Jong heeft verklaard dat de onderneming niet over enige bate beschikt. Uit de ‘eigen aangifte verklaring’ blijkt dat geen sprake is van debiteuren, er geen (on)roerende zaken zijn, er geen sprake is van een bedrijfspand of personeel, en dat de bedrijfsactiviteiten inmiddels geruime tijd zijn gestaakt.

Evenmin zijn er, gelet op het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken, op dit moment aanwijzingen dat andere baten te verwachten zijn (bijvoorbeeld door aansprakelijkheid van de bestuurder). Er is derhalve naar verwachting geen te executeren vermogen. Dat, gevoegd bij het feit dat gesteld noch gebleken is dat belangen van derden (zoals werknemers) betrokken zijn, betekent dat te verwachten is dat een curator vanwege een gebrek aan baten en de oplopende faillissementskosten het faillissement ex artikel 16 Fw zo snel mogelijk zal voordragen voor opheffing.

Aangeefster zal dan door die opheffing worden ontbonden (artikel 2:19, eerste lid sub c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). In dat geval zal de schuldenlast van aangeefster alleen maar zijn toegenomen als gevolg van de werkzaamheden van de curator. Daar staat tegenover dat aangeefster – in de regel door een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders – mogelijk op grond van artikel 2:19 lid 1 BW kan worden ontbonden. Ingevolge artikel 2:19 lid 4 BW houdt de rechtspersoon die op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, alsdan op te bestaan.

In dat geval doet het bestuur daarvan opgaaf aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven. Het is vervolgens aan (een van) de crediteuren om - in het kader van een eventueel verzoek tot faillietverklaring - aannemelijk te maken dat er toch baten zijn en dat hij/zij bij vereffening (enige) betaling zou(den) hebben ontvangen. Onder deze omstandigheden heeft aangeefster onvoldoende belang bij het verzoek tot faillietverklaring.

3De beslissing

De rechtbank: - verklaart [bedrijf] niet-ontvankelijk in haar verzoek. Deze beschikking is op 2 oktober 2018 gegeven door mr. F. Damsteegt-Molier, rechter, in aanwezigheid van M. Bijnagte, griffier. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.