Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2018:8186 ECLI:NL:RBROT:2018:8186 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2018:8186 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2018:8186
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team insolventie afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 27 september 2018 [naam 1] [adres] [woonplaats] , verzoekster. Verzoekster heeft op 17 augustus 2018 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster, in het bijzijn van haar zoon, haar ex-partner en de heer [naam 2] , schuldhulpmaatje, is gehoord ter terechtzitting van 20 september 2018.

Legislator headnote

AI generated

artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBROT:2018:8186 · Rechtbank Rotterdam: Verzoekster heeft, zo blijkt uit de schuldenlijst, één schuld. Deze schuld ziet op betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, de zogenoemde ontnemingsmaatregel. Hiertoe is verzoekster veroordeeld bij vonnis van 9 december 2008 door de rechtbank Gelderland. Verzoekster heeft ter zake verklaard dat zij door een grote inschattingsfout in 2008 samen met haar toenmalige echtgenoot veroordeeld is voor het hebben van een hennepkwekerij in een huis dat op haar naam stond.

Keywords

AI generated
sufficient earning capacity financial hardship lack of financial resources sufficient income insolvency capacity to pursue debt enforcement

Cited Legislation

AI generated
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Deze schuld ziet op betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, de zogenoemde ontnemingsmaatregel.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team insolventie afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 27 september 2018 [naam 1] [adres] [woonplaats] , verzoekster.

1De procedure

Verzoekster heeft op 17 augustus 2018 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster, in het bijzijn van haar zoon, haar ex-partner en de heer [naam 2] , schuldhulpmaatje, is gehoord ter terechtzitting van 20 september 2018.

2De feiten

Verzoekster ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet (Fw) € 329.833,51.

3Het verzoek

Verzoekster heeft, zo blijkt uit de schuldenlijst, één schuld. Deze schuld ziet op betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, de zogenoemde ontnemingsmaatregel. Hiertoe is verzoekster veroordeeld bij vonnis van 9 december 2008 door de rechtbank Gelderland. Verzoekster heeft ter zake verklaard dat zij door een grote inschattingsfout in 2008 samen met haar toenmalige echtgenoot veroordeeld is voor het hebben van een hennepkwekerij in een huis dat op haar naam stond.

Zij en haar toenmalige echtgenoot zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf en er is een ontnemingsmaatregel opgelegd. Verzoekster heeft haar gevangenisstraf uitgezeten en al haar bezittingen zijn verkocht. Zij zit al enige tijd ook geestelijk aan de grond. Haar toenmalige echtgenoot heeft voor zijn schuld een minnelijke regeling kunnen treffen via de Kredietbank. Voor verzoekster is dat niet gelukt. Thans is zij met het CJIB een betalingsregeling overeengekomen van € 300 per maand. Op basis van die regeling zou zij pas over 1100 maanden haar deel van de schuld hebben afgelost.

Verzoekster wil graag toegelaten worden tot de WSNP om binnen een redelijke termijn van haar schuld af te komen. Daarnaast vindt zij het eerlijk dat het CJIB, die heeft meegewerkt aan de minnelijke regeling voor het deel van de schuld van de voormalige echtgenoot van verzoekster, ook voor het deel van verzoekster gaat meewerken aan sanering.

4De beoordeling

De bedoeling van de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP) is dat een natuurlijk persoon die in een problematische financiële situatie is terechtgekomen, niet tot in lengte van dagen met zijn schulden achtervolgd kan worden. Als een persoon na een verzoek daartoe wordt toegelaten tot de regeling en de daaruit voortvloeiende verplichtingen naar behoren is nagekomen, zijn de overblijvende schulden ten aanzien waarvan de regeling werkt, voor zover deze niet uit de boedel voldaan kunnen worden, na beëindiging van de schuldsaneringsregeling niet langer afdwingbaar.

Aan de schuldenaar wordt in dat geval de zogenoemde “schone lei” verleend. Sommige, strafrechtelijk gerelateerde, schulden vallen per 1 januari 2008 niet (meer) onder de schone lei. De reden voor deze beperking van de werking van de schone lei is gelegen in de vrees voor aantasting van het draagvlak voor de schuldsaneringsregeling (zie in dit verband de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3, pagina 38). De hierop betrekking hebbende vorderingen zijn, voor zover deze onbetaald zijn gebleven, dan ook na beëindiging van de schuldsaneringsregeling nog afdwingbaar.

Het gaat hier onder meer om vorderingen die voortvloeien uit een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (artikel 358 lid 4 sub b Fw). Dat betekent dat op de – enige – schuld van verzoekster de schone lei niet van toepassing zal zijn. Ten aanzien van de door de heer [naam 2] overgelegde tekst uit “schuldengids.nl” waarin staat dat – onder meer – ontnemingsmaatregelen saneerbaar zijn tenzij ze verjaren tijdens de termijn van de schuldregeling, merkt de rechtbank op dat deze tekst gelet op de context ziet op het minnelijk traject dat aan de wettelijke schuldsaneringsregeling voorafgaat.

Het hierin gestelde is niet van toepassing op de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dat het CJIB met haar voormalige echtgenoot wel tot een regeling is gekomen en niet met de verzoekster kan er, hoe schrijnend dit ook moge zijn voor verzoekster, niet toe leiden dat artikel 358 lid 4 sub b Fw opzij gezet wordt. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling geen doel dient. De – enige – schuld van verzoekster zal immers blijven bestaan. Het verzoek zal dan ook wegens gebrek aan belang worden afgewezen.

Dit laat onverlet dat verzoekster alsnog/wederom kan proberen met het CJIB tot een (minnelijke) regeling te komen.

4De beslissing

De rechtbank: - wijst het verzoek af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout, rechter, en in aanwezigheid van S.P. de Groot, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 september 2018. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.