Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2018:785 ECLI:NL:RBROT:2018:785 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2018:785 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2018:785
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team insolventie verzoek tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk insolventienummer: [nummer] uitspraakdatum: 12 januari 2018 Bij vonnis van deze rechtbank van 26 mei 2016 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van: [naam 1] , wonende te [adres] , [woonplaats] schuldenaar, bewindvoerder: I.M. Thomason.

Legislator headnote

AI generated

artikel 350 Fw, artikel 312 Fw; ECLI:NL:RBROT:2018:785 · Rechtbank Rotterdam: In het verzoekschrift is gesteld dat verzoekster op 15 augustus 2016 een bedrag van € 1.500,-- aan schuldenaar heeft uitgeleend. Thans heeft verzoekster nog een bedrag van € 1.250,-- exclusief rente en incassokosten van schuldenaar te vorderen. De rechtbank kan - voor zover hier van belang - op grond van artikel 350, lid 1 Fw, de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigen op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerder, van de schuldenaar dan wel van een of meer schuldeisers. De rechtbank stelt vast dat de vordering van verzoekster is ontstaan nadat de wettelijke schuldsaneringsregeling op schuldenaar toepasselijk is geworden.

Keywords

AI generated
capacity to pursue debt enforcement objection to debt enforcement remission of debt disputed claim interruption of limitation period prorogation of jurisdiction

Cited Legislation

AI generated
artikel 350 Fw
Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat verzoekster niet als schuldeiser in de zin van artikel 350 Fw kan worden aangemerkt.
artikel 312 Fw
Zie in dit verband onder meer de toelichting bij artikel 312 Fw in de Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel 22969 (Kamerstukken II 1992/93, 22969, 3, p.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team insolventie verzoek tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk insolventienummer: [nummer] uitspraakdatum: 12 januari 2018 Bij vonnis van deze rechtbank van 26 mei 2016 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van: [naam 1] , wonende te [adres] , [woonplaats] schuldenaar, bewindvoerder: I.M. Thomason.

1De procedure

Op 3 januari 2018 heeft mr. R.P.R. Nolten namens zijn cliënte, [naam 2] (hierna: verzoekster) een verzoekschrift ex artikel 350 lid 3 sub d Faillissementswet (Fw) ingediend, om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. De uitspraak is bepaald op heden.

1De beoordeling

In het verzoekschrift is gesteld dat verzoekster op 15 augustus 2016 een bedrag van € 1.500,-- aan schuldenaar heeft uitgeleend. Thans heeft verzoekster nog een bedrag van € 1.250,-- exclusief rente en incassokosten van schuldenaar te vorderen. De rechtbank kan - voor zover hier van belang - op grond van artikel 350, lid 1 Fw, de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigen op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerder, van de schuldenaar dan wel van een of meer schuldeisers. De rechtbank stelt vast dat de vordering van verzoekster is ontstaan nadat de wettelijke schuldsaneringsregeling op schuldenaar toepasselijk is geworden.

De vordering kan dan ook niet worden aangemerkt als een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt. Uit de tekst en totstandkomingsgeschiedenis van de wettelijke schuldsaneringsregeling, in het bijzonder de artikelen 312 en 350 Fw, valt af te leiden dat een nieuwe schuldeiser, dat wil zeggen een schuldeiser die gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling een vordering op schuldenaar heeft verkregen (een vordering derhalve ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling niet werkt), niet bevoegd is om op grond van artikel 350 Fw tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling te vragen.

Zie in dit verband onder meer de toelichting bij artikel 312 Fw in de Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel 22969 (Kamerstukken II 1992/93, 22969, 3, p. 51). Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat verzoekster niet als schuldeiser in de zin van artikel 350 Fw kan worden aangemerkt. Zij is derhalve niet bevoegd om op grond van artikel 350 Fw de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling te verzoeken. Verzoekster zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

2De beslissing

De rechtbank: - verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, en in aanwezigheid van A. Mergen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2018. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.