Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2018:6343 ECLI:NL:RBROT:2018:6343 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2018:6343 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2018:6343
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 4 zaaknummer: ROT 18/3775 uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 augustus 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , te Rotterdam, verzoeker, gemachtigde: [gemachtigde 1] , en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder, gemachtigde: [verweerder 1] . Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat zijn maatschappelijke opvang op grond van de bed-bad-broodregeling (BBB) met ingang van 24 juli 2018 wordt beëindigd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBROT:2018:6343 · Rechtbank Rotterdam: Verzoeker voert aan dat verweerder ten onrechte heeft besloten de BBB-opvang te beëindigen. Op verweerder rust volgens verzoeker de wettelijke verplichting om kwetsbare personen zonder verblijfsstatus, zoals hijzelf (verzoeker is diabetespatiënt), op te vangen. Verzoeker beroept zich in dit verband op artikel 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR), dat ziet op het recht op een behoorlijke levensstandaard (daaronder begrepen toereikende voeding, kleding en huisvesting). Met verwijzing naar artikel 4 van het IVESCR stelt verzoeker dat aan de opvang geen voorwaarden mogen worden verbonden als deze niet zijn vastgelegd in formele wetgeving. 5.1.

Keywords

AI generated
absence of municipal obligation medical care requirements expulsion despite health conditions substandard housing withdrawal of social benefits provision of shelter

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2016:4251
14/5567 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 augustus 2014, 13/1978 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Medemblik (college) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2016. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.
ECLI:NL:RVS:2015:3415
Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.
ECLI:NL:CRVB:2015:3803
14/4389 WMO, 15/5095 WMO, 14/4382 WMO, 15/5094 WMO, 14/4387 WMO, 15/5093 WMO Datum uitspraak: 26 november 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (rechtbank) van 11 juli 2014, 14/3244, 14/3260, 14/2925, 14/3265 en 14/2961 (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellante 1] (appellante 1), [appellante 2] (appellante 2) en [appellante 3] (appellante 3), allen verblijvend te [woonplaats] , (appellanten) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr.
ECLI:NL:RVS:2011:BQ9680
Procesverloop Bij besluit van 12 april 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) [appellante] een boete opgelegd van € 40.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav). Bij besluit van 25 januari 2010 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 4 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 12 april 2006 herroepen, bepaald dat het bedrag van de boete wordt vastgesteld op € 37.500,00 en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
ECLI:NL:CRVB:2011:BP6843
09/1860 WWB + 10/2404 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: [Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene), en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College) tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 maart 2009, 08/198 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: betrokkene en het College Datum uitspraak: 14 maart 2011 I. PROCESVERLOOP Namens betrokkene heeft mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Het College heeft eveneens hoger beroep ingesteld.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 4 zaaknummer: ROT 18/3775 uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 augustus 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , te Rotterdam, verzoeker, gemachtigde: [gemachtigde 1] , en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder, gemachtigde: [verweerder 1] . Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat zijn maatschappelijke opvang op grond van de bed-bad-broodregeling (BBB) met ingang van 24 juli 2018 wordt beëindigd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2018. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [verweerder 2] . Overwegingen 1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure. 2.1. De gemeente Rotterdam voert vanaf december 2017 het beleid dat alleen nog aanspraak bestaat op opvang op grond van de BBB-regeling, wanneer de betrokkene actief meewerkt aan een traject gericht op perspectief en uitstroom, het zogenoemde BBB-begeleidingstraject (BBB-B).

Onder uitstroom wordt verstaan: een verblijfsstatus in Nederland of terugkeer naar het land van herkomst. Deze nieuwe aanpak is ontwikkeld vanuit het zogeheten BRIO-overleg. Aan dit overleg nemen de vier lokale organisaties deel die de BBB-opvang uitvoeren: de Pauluskerk, de Nico Adriaans Stichting (NAS), de Stichting Rotterdams Ongedocumenteerden Steunpunt (Stichting ROS) en het Leger des Heils. Verder nemen deel: de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Bij aanvang van het traject volgt een juridische check door Stichting ROS.

De conclusie en het advies van Stichting ROS dienen als uitgangspunt voor het verdere begeleidingstraject. Het bestaan van juridisch perspectief betekent dat nog zicht bestaat op een verblijfsvergunning in Nederland, zodat ook het begeleidingstraject daarop zal zijn gericht. Geen juridisch perspectief betekent dat het begeleidingstraject zal zijn gericht op terugkeer naar het land van herkomst. Het BBB-begeleidingstraject duurt in beginsel zes maanden. Gedurende die periode kunnen ongedocumenteerden die meewerken aan het trajectplan gebruik blijven maken van de opvang.

Het niet of niet-voldoende meewerken betekent dat de opvang via de BBB wordt beëindigd. 2.2. Verzoeker is met ingang van 13 juli 2015 (mondeling) toegang verleend tot de maatschappelijke opvang op grond van de BBB-regeling, in Rotterdam. Het gaat daarbij om nachtopvang bij de NAS. Op 24 januari 2018 heeft hij een intakegesprek gehad voor het BBB-begeleidingstraject. Vervolgens heeft de juridische check door Stichting ROS plaatsgevonden en is hem een begeleidingstraject in de zin van toekomstoriëntatie gericht op terugkeer naar het land van herkomst aangeboden via Goedwerk Foundation.

3. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de uitslag van het juridisch advies van Stichting ROS negatief is, wat betekent dat er geen juridisch perspectief voor verzoeker is. Ook heeft verweerder daaraan ten grondslag gelegd dat verzoeker heeft aangegeven dat hij geen gebruik wenst te maken van de diensten van Goedwerk Foundation. Tevens stelt verweerder dat, indien verzoeker alsnog wenst terug te keren naar zijn land van herkomst, hij via het IOM een traject kan aanvragen. De mogelijkheid voor opvang zal dan opnieuw worden bekeken.

4. Het onder 2.1. vermelde beleid van verweerder moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak – zoals de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 november 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4251) – dient een buitenwettelijk begunstigend beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt beschouwd met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op zorgvuldige en consistente wijze is toegepast.

5. Verzoeker voert aan dat verweerder ten onrechte heeft besloten de BBB-opvang te beëindigen. Op verweerder rust volgens verzoeker de wettelijke verplichting om kwetsbare personen zonder verblijfsstatus, zoals hijzelf (verzoeker is diabetespatiënt), op te vangen. Verzoeker beroept zich in dit verband op artikel 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR), dat ziet op het recht op een behoorlijke levensstandaard (daaronder begrepen toereikende voeding, kleding en huisvesting). Met verwijzing naar artikel 4 van het IVESCR stelt verzoeker dat aan de opvang geen voorwaarden mogen worden verbonden als deze niet zijn vastgelegd in formele wetgeving. 5.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat op verweerder geen wettelijke verplichting rust om de genoemde basisvoorzieningen te verstrekken. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3415 en ECLI:NL:CRVB:2015:3803). Opvang en onderdak is in beginsel beschikbaar in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) en valt daarom onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker heeft niet onderbouwd dat opvang in een VBL slechts is voorbehouden aan asielzoekers.

Ook volgt dit niet uit de genoemde uitspraken van de Afdeling en de CRvB. Daar komt bij dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn gezondheid substantieel wordt bedreigd wanneer hij verstoken blijft van opvang. Nu sprake is van bovenwettelijk begunstigend beleid staat het verweerder vrij nadere voorwaarden aan de opvang te verbinden. Dit maakt niet dat sprake is van een onzorgvuldige of inconsistente toepassing van het beleid. Dat niet alle personen die in de BBB verblijven op hetzelfde moment met het begeleidingstraject zijn gestart maakt niet dat verweerder het beleid onzorgvuldig of inconsistent heeft toegepast.

Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het in totaal om 117 personen gaat. Het is niet onredelijk te veronderstellen dat deze personen niet allemaal tegelijk op gesprek kunnen komen. 5.2. De genoemde bepalingen van het IVESCR zijn volgens vaste rechtspraak geen eenieder verbindende bepalingen en lenen zich daarom niet voor rechtstreekse toepassing door de rechter (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9680 en de uitspraak van de CRvB van 14 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP6843). Het beroep op deze bepalingen treft daarom geen doel.

6. Verzoeker voert aan dat, anders dan verweerder stelt, voor hem nog steeds juridisch perspectief bestaat. Vanwege zijn medische situatie heeft verzoeker de IND verzocht hem uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet (artikel 64-procedure). Deze procedure is nog in beroep bij de rechtbank aanhangig. Verzoeker verwacht dat het besluit in die procedure in beroep niet in stand zal blijven. Tevens heeft verzoeker in die procedure een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. 6.1. Dat verzoeker een artikel 64-procedure is gestart betekent niet dat hij juridisch gezien nog perspectief heeft (en daarmee weer recht op opvang). Ook als het beroep in die procedure gegrond wordt verklaard, zal dat er slechts toe kunnen leiden dat verzoeker tijdelijk uitstel van vertrek uit Nederland wordt verleend, niet dat hem een verblijfsstatus in de zin van een verblijfsvergunning wordt toegekend. Na afloop van de periode van uitstel van vertrek zal opnieuw van verzoeker worden verwacht dat hij meewerkt aan terugkeer naar zijn land van herkomst.

7. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting in stand kan blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

9. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Op grond van de overgelegde stukken wijst de voorzieningenrechter dit verzoek toe. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 2 augustus 2018. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.