Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2018:5644 ECLI:NL:RBROT:2018:5644 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2018:5644 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2018:5644
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 2 zaaknummer: ROT 18/2217 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2018 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [Naam], te [Plaats], verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft bij brief van 18 april 2018 de bestuursrechter verzocht haar een geldboete tot een bedrag van € 25.730.000,- ten laste van verweerder toe te kennen, alsmede wegens “automatische ingebrekestelling” een bedrag van € 36.500.000,- , dan wel 10% van de jaaromzet van de gemeente (indien dit meer bedraagt dan de som van beide geldvorderingen).

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 1:3 van de Awb, artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 5:48 van de Awb, artikel 9:3 van de Awb; ECLI:NL:RBROT:2018:5644 · Rechtbank Rotterdam: Tussen de stukken bevindt zich weliswaar een brief van verweerder van 26 maart 2018 waarin verzoekster wordt bericht dat zij op haar verzoek haar bijstandsdossier heeft kunnen inzien, maar inzage in stukken betreft een feitelijke handeling en geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb (vergelijk ABRvS 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3123 en CRvB 14 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1418). Een brief van verweerder van 8 december 2017 waarin een klacht van verzoekster omtrent dossierinzage is afgedaan, is evenmin als een schadeveroorzakend besluit aan te merken, omdat artikel 9:3 van de Awb beroep bij de bestuursrechter tegen een beslissing inzake een klacht uitsluit.

Keywords

AI generated
calculation of damages claims settlement compensation for subjective damages compensation for judicial errors duty to mitigate damages showing of irreparable harm

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 2 zaaknummer: ROT 18/2217 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2018 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [Naam], te [Plaats], verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder.
artikel 1:3 van de Awb
Zo ontbreekt een duiding of omschrijving van het schadeveroorzakende besluit danwel van de aanvraag om een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb te nemen.
artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek
artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht
artikel 5:48 van de Awb
Artikel 5:48 van de Awb, artikel 66 van de Wbp en artikel 83 van de Algemene verordening gegevensbescherming richten zich tot bestuursorganen die bevoegd zijn tot oplegging van bestuurlijke boeten en niet tot de bestuursrechter, die gelet op artikel 1:1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb geen bestuursorgaan is.
artikel 9:3 van de Awb
Een brief van verweerder van 8 december 2017 waarin een klacht van verzoekster omtrent dossierinzage is afgedaan, is evenmin als een schadeveroorzakend besluit aan te merken, omdat artikel 9:3 van de Awb beroep bij de bestuursrechter tegen een beslissing inzake een klacht uitsluit.
artikel 8:1 van de Awb
artikel 1:6 van de Awb
De verwijzingen naar WvSr en WvSv leveren gelet op artikel 1:6 van de Awb geen bevoegdheid van de bestuursrechter op.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2016:2322
15/8478 WWB Datum uitspraak: 7 juni 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 november 2015, 14/7749 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2016. Appellante is verschenen, vergezeld door haar zoon [naam zoon] .
ECLI:NL:RVS:2015:1790
201306924/3/V6. Datum uitspraak: 27 mei 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van: [opposante], wonend te [plaats] (Aruba), tegen de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2014 in zaak nr. 201306924/1/V6. Procesverloop Bij uitspraak van 17 januari 2014, in zaak nr. 201306924/1/V6, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is aangehecht. Bij uitspraak van 3 december 2014, in zaak nr. 201306924/2/V6, heeft de Afdeling het door [opposante] hiertegen gedane verzet ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht. Tegen de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2014 heeft [opposante] opnieuw verzet gedaan. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:55, achtste lid, van de Awb blijft, indien het verzet ongegrond is verklaard, de uitspraak waartegen verzet was gedaan in stand.
ECLI:NL:RVS:2015:3123
201409861/1/A3. Datum uitspraak: 7 oktober 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 november 2014 in zaak nr. 14/3745 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Wageningen. Procesverloop Bij e-mail van 28 november 2013 heeft [appellant] een verzoek om informatie gedaan. Bij e-mail van 10 december 2013 heeft [appellant] een ingebrekestelling gestuurd. Bij brief van 6 februari 2014 heeft [appellant] zijn verzoek om informatie herhaald, heeft hij gewezen op de ingebrekestelling en heeft hij verzocht om toekenning van een dwangsom.
ECLI:NL:CRVB:2013:1418
Centrale Raad van Beroep 11/2539 INBURG, 11/2540 INBURG Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 maart 2011, 10/5562 en 10/5570 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Minister van Wonen, Wijken en Integratie, thans de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Minister) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. drs. J.E. Groenenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Minister heeft een verweerschrift ingediend. De Minister heeft desgevraagd een nader stuk ingediend.
ECLI:NL:RVS:2018:1710
201705769/1/A3. Datum uitspraak: 23 mei 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 juni 2017 in zaak nr. 16/10558 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek. Procesverloop Bij besluit van 26 april 2016 heeft het college het verzoek van [appellant] om hem betreffende financiële gegevens in een bijstandsdossier over zijn partner te verwijderen, afgewezen. Bij besluit van 22 november 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 2 zaaknummer: ROT 18/2217 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2018 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [Naam], te [Plaats], verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft bij brief van 18 april 2018 de bestuursrechter verzocht haar een geldboete tot een bedrag van € 25.730.000,- ten laste van verweerder toe te kennen, alsmede wegens “automatische ingebrekestelling” een bedrag van € 36.500.000,- , dan wel 10% van de jaaromzet van de gemeente (indien dit meer bedraagt dan de som van beide geldvorderingen).

Voorts heeft zij de bestuursrechter verzocht uitspraak te doen dat het document met kenmerk A.B.2012.6.10678/JdB binnen vijf werkdagen uit het bijstandsdossier van verzoekster wordt verwijderd en te beslissen dat over de aan verzoekster toe te kennen bedragen de helft als immateriële schadevergoeding niet wordt belast, en dat het eventuele gedeelte daarboven aan schadevergoeding bij toekenning van een bedrag tot 10% van de jaaromzet van de gemeente wordt belast met een belastingpercentage van 6% omdat dit gedeelte zal worden besteed aan onderwijs aan de (rijks)overheid met het oog op de bescherming van persoonlijke gegevens.

Overwegingen 1. De bestuursrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 in verbinding met artikel 8:94, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van de verzoeken die zijn geformuleerd onder het procesverloop hiervoor.

2. De bestuursrechter stelt bij lezing van de stukken, waaronder het verzoekschrift, voorop dat lastig is op te maken op welke feitelijke en juridische grondslag verzoekster haar verzoeken baseert. Zo ontbreekt een duiding of omschrijving van het schadeveroorzakende besluit danwel van de aanvraag om een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb te nemen. En valt bij lezing van het uitvoerige verzoekschrift op dat verzoekster onder meer artikel 66 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), artikel 83 van Verordening (EU) 2016/679 (de Algemene verordening gegevensbescherming), artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW), artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr), artikel 152 van het Wetboek van Stafvordering (WvSv) en artikel 5:48 van de Awb aanhaalt.

3. Tussen de door verzoekster ingediende stukken bevinden zich diverse stukken inzake een eerder verzoek om schadevergoeding wegens een foutieve opmerking in het verslag van de hoorzitting (de foutieve opmerking) die is opgenomen in de beslissing op bezwaar van 21 november 2012. Dat besluit ziet op een bezwaarschrift tegen de weigering van verweerder om verzoekster ontheffing te verlenen van de sollicitatieverplichting in het kader van haar bijstandsuitkering. Bij besluit van 21 december 2012 heeft verweerder vanwege een klacht van verzoekster over de samenvatting van de hoorzitting opnieuw op het bezwaar beslist.

Daarin ontbreekt de foutieve opmerking. Bij besluit van 25 november 2014 heeft verweerder een verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 210.000,- in verband met de foutieve opmerking afgewezen. Bij uitspraak van 12 november 2015 (ROT 14/7749) heeft de rechtbank onder meer beslist dat het besluit van 21 november 2012 onrechtmatig is voor zover het de foutieve opmerking bevat en dat verweerder aan verzoekster vanwege de foutieve opmerking een immateriële schadevergoeding is verschuldigd tot een bedrag van € 300,-. De rechtbank heeft in dit verband het besluit van 25 november 2014 vernietigd.

In zijn uitspraak van 7 juni 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2016:2322) in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Voor zover de verzoeken zich richten tot de foutieve opmerking in de beslissing op bezwaar van 21 november 2012 is daarover onherroepelijk geprocedeerd. Voor zover verzoekster daarover opnieuw een rechtsmiddel bij de bestuursrechter wenst in te stellen is de bestuursrechter onbevoegd, want de bestuursrechter kan niet tweemaal uitspraak over dezelfde zaak doen (vergelijk ABRvS 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1790).

4. Verzoekster is daarover bij griffiersbrief van 19 mei 2018 bericht en haar is verzocht aan te geven waartegen haar beroep (lees: verzoek) is gericht. Verzoekster heeft daarop gereageerd bij brief van 31 mei 2018. In die brief wijst verzoekster er op dat haar verzoek om inzage in haar dossier pas is afgerond op 28 februari 2018. Verzoekster stelt zich in de brief van 31 mei 2018 op het standpunt dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld doordat haar bij de inzage op 28 februari 2018 is gebleken dat, ondanks eerdere toezeggingen van verweerder, de foutieve opmerking nog steeds voorkwam in het besluit van 21 november 2012 dat zich in haar dossier bevond. Voor zover verzoekster stelt dat zij schade lijdt doordat verweerder na de erkenning van de foutieve opmerking heeft verzuimd haar bijstandsdossier te verschonen van het stuk dat de foutieve opmerking bevat, dit ondanks sommeringen harerzijds, ligt er echter geen aanwijsbaar schadeveroorzakend besluit voor.

5. Tussen de stukken bevindt zich weliswaar een brief van verweerder van 26 maart 2018 waarin verzoekster wordt bericht dat zij op haar verzoek haar bijstandsdossier heeft kunnen inzien, maar inzage in stukken betreft een feitelijke handeling en geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb (vergelijk ABRvS 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3123 en CRvB 14 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1418). Een brief van verweerder van 8 december 2017 waarin een klacht van verzoekster omtrent dossierinzage is afgedaan, is evenmin als een schadeveroorzakend besluit aan te merken, omdat artikel 9:3 van de Awb beroep bij de bestuursrechter tegen een beslissing inzake een klacht uitsluit.

6. Voor zover verzoekster meent dat zij op of na 1 juli 2013 schade lijdt doordat verweerder niet tijdig op een aanvraag tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb heeft beslist kan zij een schadeverzoek bij de bestuursrechter indienen op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb. Te denken valt hierbij aan een aanvraag op grond van artikel 36 van de Wbp, dat van toepassing was tot 25 mei 2018, tot het verwijderen van een of meer stukken uit haar bijstandsdossier (vergelijk ABRvS 23 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1710). Tussen de vele stukken die door partijen zijn ingediend ontbreekt een dergelijke aanvraag.

7. De bestuursrechter overweegt voorts het volgende met betrekking tot de verzoeken om schadevergoeding. Omdat in het kader van aanvragen en besluiten op grond van de Wbp de Afdeling bestuursrechterspraak van de Raad van State in hoogste aanleg oordeelt, geldt gelet op artikel 8:89, tweede lid, van de Awb, als bovengrens van de bevoegdheid van de bestuursrechter dat de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000,- bedraagt. Gelet op de door verzoekster gevorderde bedragen is de bestuursrechter klaarblijkelijk niet bevoegd kennis te nemen van die verzoeken.

8. De bestuursrechter is voorts niet bevoegd kennis te nemen van het verzoek om te bepalen dat het document met kenmerk A.B.2012.6.10678/JdB binnen vijf werkdagen wordt verwijderd, omdat dit verzoek ziet op een feitelijke handeling en niet op een beroep tegen een besluit als bedoeld in artikel 8:1 van de Awb of enig verzoek waarover de bestuursrechter anderszins bevoegd is uitspraak te doen. In dit verband herhaalt de bestuursrechter dat er zich tussen de stukken die door verzoekster en verweerder zijn ingediend geen aanvragen uit hoofde van de Wbp bevinden.

9. De overige bepalingen die verzoekster heeft aangehaald in haar verzoekschrift en de brief van 31 mei 2018 kunnen niet bewerkstellingen dat de bestuursrechter toch bevoegd is over de verzoeken te oordelen. Voor zover verzoekster meent schade te hebben geleden door feitelijk handelen van verweerder is de burgerlijke rechter bevoegd. De verwijzingen naar WvSr en WvSv leveren gelet op artikel 1:6 van de Awb geen bevoegdheid van de bestuursrechter op. Artikel 5:48 van de Awb, artikel 66 van de Wbp en artikel 83 van de Algemene verordening gegevensbescherming richten zich tot bestuursorganen die bevoegd zijn tot oplegging van bestuurlijke boeten en niet tot de bestuursrechter, die gelet op artikel 1:1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb geen bestuursorgaan is.

10. Ten overvloede merkt de bestuursrechter op dat hij niet bevoegd is uitspraak te doen over de fiscale belastbaarheid inzake een eventuele schadevergoeding.

11. Gelet op het voorgaande is de bestuursrechter kennelijk niet-bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken van verzoekster.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2018. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.