Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2018:5015 ECLI:NL:RBROT:2018:5015 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2018:5015 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2018:5015
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 2 zaaknummer: ROT 17/6321 uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juni 2018 in de zaak tussen [eiser], gemachtigde: mr. M.A.K. Rahman, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder, gemachtigden: mr. A.J. Wintjes en mr. L. van den Buijs. Procesverloop Bij besluit van 10 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36 van de Participatiewet afgewezen. Bij besluit van 25 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3:72 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 8:24 van de Awb; ECLI:NL:RBROT:2018:5015 · Rechtbank Rotterdam: In geschil is of verweerder een machtiging heeft mogen vragen die niet ouder is dan een jaar. 4.2 Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie onder meer de uitspraak van 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2132) volgt dat het bestuursorgaan op grond van artikel 2:1, tweede lid, van de Awb van een gemachtigde kan verlangen dat hij met een schriftelijke machtiging zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid aantoont, een en ander met het doel te voorkomen dat personen tegen hun wens in een procedure worden betrokken.

Keywords

AI generated
duration of insurance entitlement authorization to sue statute of limitations bar renewal of authorization untimely request for extension standing against building permit

Cited Legislation

AI generated
artikel 3:72 van het Burgerlijk Wetboek
artikel 8:24 van de Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHDHA:2016:883
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-15/00756, 15/00757 en 15/00758 Uitspraak van 29 maart 2016 in het geding tussen: [X] , te [Z] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Papendrecht, de Heffingsambtenaar, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: Rechtbank) van 17 juni 2015, nummers ROT 14/9096, ROT 14/9097, ROT 14/9098 betreffende na te vermelde beschikkingen en aanslagen. Beschikkingen, aanslagen, bezwaren en geding in eerste aanleg 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2012, 2013 en 2014 (hierna: de waardepeildata) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [Y] te [A] vastgesteld.
ECLI:NL:RVS:2014:2132
met inachtneming overweging 9 het gebrek in het besluit van 15 juli 2013 te herstellen, en 2.
ECLI:NL:RVS:2014:4665
201403182/1/A3. Datum uitspraak: 24 december 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], 2. het college van burgemeester en wethouders van Ermelo, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 april 2014 in zaak nr. 13/5182 in het geding tussen: [appellant sub 1] en het college. Procesverloop Bij besluit van 8 maart 2013 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur afgewezen. Bij besluit van 14 augustus 2013 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de hoogte van de vergoeding van de proceskosten in bezwaar vastgesteld op € 472,00.
ECLI:NL:CRVB:2018:367
14/4512 MAW, 14/4515 MAW, 14/4516 MAW, 14/4517 MAW, 14/4518 MAW, 14/4519 MAW, 14/4520 MAW, 14/4521 MAW, 17/2915 MAW, 17/2916 MAW, 17/2917 MAW, 17/2918 MAW, 17/2919 MAW, 17/2920 MAW, 17/2921 MAW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 30 juni 2014, 13/7052, 13/7053, 13/7062, 13/7063, 13/7082, 13/7492, 13/7493, 13/7985 (aangevallen uitspraken) en op de beroepen tegen de besluiten van de Commandant Commando DienstenCentra van 29 maart 2017 Partijen: [appellante] te [woonplaats] en 7 anderen, zoals vermeld op de bij deze uitspraak behorende lijst (appellanten) de Commandant Commando DienstenCentra (commandant) Datum uitspraak: 1 februari 2018 PROCESVERLOOP Namens appellante 1 heeft mr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 2 zaaknummer: ROT 17/6321 uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juni 2018 in de zaak tussen [eiser], gemachtigde: mr. M.A.K. Rahman, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder, gemachtigden: mr. A.J. Wintjes en mr. L. van den Buijs. Procesverloop Bij besluit van 10 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36 van de Participatiewet afgewezen. Bij besluit van 25 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.

De gemachtigde van eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Het beroep is ter zitting gevoegd behandeld met de zaken ROT 17/6750, ROT 17/6778, ROT 17/6874, ROT 17/6975, ROT 17/7158 en ROT 18/274. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken voor het doen van uitspraak gesplitst.

Overwegingen 1.1. Namens eiser heeft de gemachtigde op 6 juli 2017 een individuele inkomenstoeslag aangevraagd. Bij het bezwaarschrift tegen het primaire besluit heeft de gemachtigde een machtiging, gedateerd op 9 mei 2016, gevoegd. Daarbij machtigt eiser mr. Rahman (Rahmanrechtspraktijk) om haar/hem te vertegenwoordigen bij het aanvragen, instellen, behandelen en eventueel intrekken van een mogelijke uitkering en overige voorzieningen, het bezwaar/beroep/voorlopige voorziening/hoger beroep daartegen in bovengenoemde procedures en al hetgeen in haar/zijn belang mocht worden geoordeeld. 1.2.

Verweerder heeft mr. Rahman in het kader van de bezwaarprocedure bij brief van 8 september 2017 dringend verzocht uiterlijk op 22 september 2017 een machtiging (< 1 jaar) toe te sturen waaruit blijkt dat hij bevoegd is namens betrokkene een bezwaarschrift in te dienen. Daarbij is vermeld dat bij niet tijdige toezending, dit op grond van de wet tot het advies leidt het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren en dat dit betekent dat het bezwaarschrift niet inhoudelijk wordt behandeld.Aan dit verzoek is niet voldaan.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat, nu de machtiging dateert van voor het primaire besluit en ouder is dan een jaar, de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid onvoldoende kunnen worden vastgesteld. Op grond van de artikelen 6:6 en 7:3, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verweerder afgezien van het houden van een hoorzitting. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat vanaf september 2016 het beleid wordt gevoerd om actuele machtigingen, dat wil zeggen niet ouder dan een jaar, op te vragen om daarmee te waarborgen dat degene die bezwaar heeft ingediend, handelt overeenkomstig de wens van een betrokkene. Verder heeft verweerder in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat de machtiging onvoldoende specifiek is.

3. In beroep heeft de gemachtigde van eiser zich op het standpunt gesteld dat bij het bezwaarschrift een doorlopende machtiging is ingediend waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde blijkt en dat er geen aanwijzingen zijn dat deze volmacht geëindigd is als bedoeld in artikel 3:72 van het Burgerlijk Wetboek. Het overleggen van een nieuwe recentere volmacht is, gelet hierop, niet noodzakelijk. In dit verband heeft de gemachtigde van eiser verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 29 maart 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:883. 4.1.

In geschil is of verweerder een machtiging heeft mogen vragen die niet ouder is dan een jaar. 4.2 Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie onder meer de uitspraak van 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2132) volgt dat het bestuursorgaan op grond van artikel 2:1, tweede lid, van de Awb van een gemachtigde kan verlangen dat hij met een schriftelijke machtiging zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid aantoont, een en ander met het doel te voorkomen dat personen tegen hun wens in een procedure worden betrokken.

In haar uitspraak van 24 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4665) heeft de Afdeling verder geoordeeld dat artikel 8:24 van de Awb, noch enige andere rechtsregel, in de weg staat aan het verlenen van een in algemene bewoordingen geformuleerde machtiging tot het voeren van procedures en het in verband daarmee verrichten van alle noodzakelijk geachte handelingen. Een machtiging dient wel voldoende specifiek te zijn om de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid te kunnen bepalen. 4.3. De rechtbank is van oordeel dat de machtiging niet voldoet aan deze vereisten.

Hoewel in de door gemachtigde genoemde uitspraak is overwogen dat een machtiging niet per instantie hoeft te worden verleend en niet hoeft te dateren van na de bestreden uitspraak, volgt daaruit wel dat het moet gaan om een volmacht waaruit voldoende duidelijk blijkt dat de gemachtigde bevoegd is om tegen het in geding zijnde besluit namens de betrokkene rechtshandelingen te verrichten. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het gaat in dit geval om een zeer algemeen geformuleerde machtiging die ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift al ouder was dan een jaar.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat een machtiging die algemeen is geformuleerd wel wordt geaccepteerd als blijkt dat de machtiging niet ouder is dan een jaar omdat hieruit kan worden opgemaakt dat er recent contact tussen de gemachtigde en de betrokkene is geweest en het daarom aannemelijk is dat betrokkene er van op de hoogte is dat er een zaak namens hem aanhangig is gemaakt. Voor een niet recente algemene machtiging geldt dat niet. De rechtbank kan zich vinden in deze motivering. Het is de rechtbank niet gebleken dat de gemachtigde tijdens de bezwaarfase contact heeft gehad met eiser.

Uit de overgelegde machtiging volgt onvoldoende dat de gemachtigde in deze zaak bevoegd was tot het indienen van bezwaar tegen de toekenning van een individuele inkomenstoeslag voor het jaar 2017. Verweerder heeft daarom mogen vragen om een recente machtiging die niet ouder is dan een jaar. 4.4. De stelling dat er sprake is van een doorlopende machtiging omdat de machtiging niet is ingetrokken, volgt de rechtbank niet. Een doorlopende machtiging dient voldoende specifiek te zijn om de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid te kunnen bepalen.

De machtiging is zodanig ruim geformuleerd dat de gemachtigde in allerlei soorten zaken alle proceshandelingen in de breedste zin van het woord zou kunnen verrichten, ongeacht of de volmachtgevers daarvan op de hoogte zijn. Er blijkt op geen enkele wijze dat de gemachtigde eiser mocht vertegenwoordigen in de bezwaarprocedure omdat in de machtiging niet is gespecificeerd op welke zaak de machtiging betrekking heeft. Dat blijkt evenmin uit de door eiser in beroep verstrekte machtiging, omdat die machtiging alleen ziet op de beroepsprocedure en daarom ook niet gezien kan worden als een bekrachtiging van een doorlopende machtiging, zoals in de onder 3 genoemde uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 29 maart 2016 aan de orde is.

De machtiging die eiser op 14 september 2017 heeft ondertekend in het kader van een aanvraag om bijzondere bijstand voor betaling van griffierecht, kan evenmin als een bekrachtiging van een doorlopende machtiging worden gezien. Bovendien is deze machtiging pas na het verstrijken van de hersteltermijn, die liep tot 23 september 2017, met de aanvraag van 7 november 2017 aan verweerder gestuurd.

5. De stelling van de gemachtigde van eiser dat verweerder niet had mogen afzien van het horen van eiser omdat eiser dan op de (verzochte telefonische) hoorzitting had kunnen verklaren dat mr. Rahman zijn gemachtigde was, volgt de rechtbank evenmin. De gemachtigde heeft de gelegenheid gehad om het verzuim van de ontbrekende recente machtiging te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn maar heeft daarvan geen gebruikgemaakt. Het is vervolgens niet aan verweerder om nader onderzoek naar het verzuim te doen door eiser alsnog in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. Verweerder mocht dus op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb van het horen afzien.

6. Tot slot is aangevoerd dat verweerder in strijd met het verbod op willekeur heeft gehandeld. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de gemachtigde van eiser een aantal stukken overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat in vergelijkbare gevallen niet om een recente machtiging van de gemachtigde is verzocht. Deze beroepsgrond slaagt niet. 6.1. De rechtbank stelt voorop dat om te kunnen spreken van schending van het gelijkheidsbeginsel of van het handelen in strijd met het verbod op willekeur vereist is dat inhoudelijk gelijke gevallen ongelijk zijn behandeld.

In het verweerschrift van 15 mei 2018 en ter zitting heeft verweerder per door eiser genoemde situatie uiteengezet waarom in die zaken wel inhoudelijk op het bezwaarschrift is ingegaan. Verder heeft verweerder toegelicht dat er jaarlijks vele bezwaarschriften worden behandeld en dat in een aantal zaken ten onrechte geen recente machtiging is opgevraagd en een machtiging ouder dan een jaar is geaccepteerd. Dat verweerder in aantal zaken een fout heeft gemaakt door geen recente machtiging op te vragen, kan eiser echter niet baten. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 februari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:367), kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel er niet toe leiden dat het bestuursorgaan eenmaal gemaakte fouten zou moeten herhalen.

Het beroep op het verbod op willekeur slaagt daarom niet.

7. De conclusie is dat verweerder op juiste gronden, na het verstrijken van de gegeven verzuimhersteltermijn, van de bevoegdheid gebruik heeft gemaakt om het bezwaar niet‑ontvankelijk te verklaren. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, voorzitter, en mr. L.A.C. van Nifterick en mr. P. Vrolijk, leden, in aanwezigheid van mr. J. Nieuwstraten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2018. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.