Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2018:4130 ECLI:NL:RBROT:2018:4130 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2018:4130 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2018:4130
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ROTTERDAM Team Bestuursrecht 2 zaaknummer: ROT 18/77 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2018 in de zaak tussen [naam eiser] , te Diemen, eiser, en de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder, gemachtigden: [namen gemachtigden] . Procesverloop Verweerder heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting met dagtekening 24 november 2017 aan eiser opgelegd ten bedrage van € 62,67. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 4 januari 2018 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBROT:2018:4130 · Rechtbank Rotterdam: Dat die situatie met die van de onderhavige zaak vergelijkbaar is, heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt. 4.4 Naar het oordeel van de rechtbank maakt de op de naheffingsaanslag vermelde locatie, waar geparkeerd zou zijn, echter een zodanig essentieel onderdeel daarvan uit dat niet kan worden toegestaan dat parkeerbelasting, verschuldigd vanwege parkeren op een andere locatie, in de naheffingsaanslag wordt begrepen. Dit zou anders zijn wanneer de in de naheffingsaanslag vermelde locatie op een duidelijke, ook voor eiser kenbare, vergissing berust.

Keywords

AI generated
parking control fee parking space replacement fee inspection fee parking fine allotment of parking spaces traffic violation

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2018:549
Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 17/5778 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2018 in de zaak tussen [eiser], wonende te [plaats], eiser en de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 juli 2017 de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A]. Overwegingen Feiten 1. Op 31 mei 2017 om 19.44 uur stond de auto van eiser met het kenteken [kentekennummer] geparkeerd op een parkeerplaats aan [straat 1] te [plaats]. Deze locatie is door burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag aangewezen als een plaats waar door middel van een vergunning of tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.
ECLI:NL:RBDHA:2017:13653
Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 17/4160 en SGR 17/4161 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2017 in de zaken tussen [eiser] te [plaats], eiser en de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser de hierna vermelde naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 mei 2017 de bezwaren ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A]. Overwegingen Feiten 1. Verweerder heeft aan eiser twee naheffingsaanslagen ten bedrage van € 63,15 opgelegd, bestaande uit € 2,15 aan parkeerbelasting en € 61 aan kosten van de naheffingsaanslagen (de naheffingsaanslagen). Op de naheffingsaanslagen staat als plaats waar geparkeerd is ‘[plein]’, ter hoogte van locaties [nummer] en [nummer].
ECLI:NL:HR:1978:AX2808
De hand- of tekengelden worden door het Hof als een vergoeding gekwalificeerd, die uitbetaald wordt zodra een speler en een club in hoofdzaak overeenstemming hebben bereikt omtrent de voorwaarden waarop de speler bij de club in dienst zal treden. Deze vaststelling wettigt alleen dan de conclusie, dat een dergelijke vergoeding ook loon is, in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet, indien de door een club betaalde hand- of tekengelden zelve geen andere oorzaak of titel hebben of kunnen hebben, dan de tussen de betreffende speler en de club zojuist tot stand gekomen privaatrechtelijke dienstbetrekking, omtrent welke oorzaak in deze eerste overweging van het Hof niets blijkt. 2. ' s Hofs uitspraak in de tweede overweging ten aanzien van de andere oorzaak of titel voor de betaalde hand- of tekengelden is daarnaast enerzijds onbegrijpelijk omdat uit de uitspraak niet blijkt, waarom een vergoeding vooruit geen vergoeding voor goodwill is of kan zijn, anderzijds innerlijk tegenstrijdig en onvoldoende gemotiveerd omdat wel uit de uitspraak blijkt, dat het Hof ervan uitgaat, dat er een zekere verhouding bestaat tussen de grootte van de vergoeding en de deskundigheid van de speler en een vergoeding voor goodwill zich nu juist leent om die op het moment van het sluiten van een arbeidsovereenkomst bestaande deskundigheid te verdisconteren, doch het Hof niet aangeeft waarom desondanks geen sprake is van een vergoeding wegens inbreng van goodwill, en, ten slotte, onbegrijpelijk, omdat uit hetgeen hiervoren onder enerzijds en anderzijds omschreven werd in onderlinge samenhang ten opzichte van het in de eerste overweging vervatte oordeel, dat een dergelijke vergoeding loon is, niet blijkt waar de betaalde hand- of tekengelden geen andere oorzaak of titel hebben, dan de gesloten arbeidsovereenkomst, zodat noch de eerste overweging van 's Hofs uitspraak, noch de tweede overweging, noch deze beide samen voldoende gemotiveerd zijn.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ROTTERDAM Team Bestuursrecht 2 zaaknummer: ROT 18/77 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2018 in de zaak tussen [naam eiser] , te Diemen, eiser, en de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder, gemachtigden: [namen gemachtigden] . Procesverloop Verweerder heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting met dagtekening 24 november 2017 aan eiser opgelegd ten bedrage van € 62,67. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 4 januari 2018 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft nadere stukken ingediend. Verweerder heeft op de nadere stukken van eiser een schriftelijke reactie gegeven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2018. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen 1. Op de naheffingsaanslag staat vermeld dat op 19 november 2017 om 15:30 uur het voertuig met kenteken [kenteken] , merk Alfa Romeo, stond geparkeerd op de Teilingerstraat te Rotterdam, zonder dat parkeerbelasting was betaald.

2. De naheffingsaanslag is opgelegd naar aanleiding van een controle met een zogenoemde scanauto.

3. In geschil is of eiser op voormelde datum en tijd op de Teilingerstraat heeft geparkeerd. De rechtbank stelt voorop dat op verweerder de bewijslast rust om te bewijzen dat het belastbare feit, waarvoor de naheffingsaanslag is opgelegd, zich heeft voorgedaan. 3.1. Eiser betwist dat hij aan de Teilingerstraat heeft geparkeerd. Hij stelt dat hij korte tijd voor een kruising op de Teilingerstraat was gestopt, maar daarna is doorgereden. Omdat stoppen geen parkeren is, stelt eiser dat hij geen parkeerbelasting verschuldigd is. 3.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Het voertuig van eiser is op 19 november 2017 om 15:30 uur door een scanauto gefotografeerd, waarbij is geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Bij nacontrole door de parkeercontroleur om 15:39 uur was dat niet anders. Verweerder heeft de foto’s bij brief van 23 februari 2018 aan eiser gestuurd met het verzoek daarop te reageren. 3.3. In aanvulling op het beroepschrift betwist eiser dat de foto’s van verweerder in de Teilingerstraat zijn genomen. Het geasfalteerde wegdek van de Teilingerstraat komt volgens hem niet overeen met het wegdek dat op de foto’s van verweerder is te zien, waarbij hij verwijst naar door hem overgelegde foto’s. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij die dag en op dat tijdstip had geparkeerd op de Vijverhofstraat, een zijstraat van de Teilingerstraat, maar dat hem niet duidelijk was dat hij op die locatie parkeerbelasting verschuldigd was. 3.4.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een onjuiste vermelding van de parkeerlocatie op de naheffingsaanslag niet hoeft te leiden tot vernietiging daarvan. In dit verband beroept verweerder zich op een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:549). Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de scanauto de locatie van een geparkeerde auto binnenhaalt via GPS, waarbij het dichtstbijzijnde adres wordt geregistreerd. Gelet op het feit dat de Teilingerstraat en de Vijverhofstraat dicht bij elkaar liggen, heeft de GPS ten onrechte de parkeerlocatie aangeduid als Teilingerstraat.

De GPS-coördinaten van de scanauto zijn volgens verweerder tot op 20 meter nauwkeurig. Verweerder stelt dat met het parkeren aan de Vijverhofstraat sprake was van parkeren binnen een gebied waar parkeerbelasting verschuldigd was, zodat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

4. De rechtbank stelt vast dat niet langer in geschil is dat eiser op voormelde datum en tijd feitelijk niet op de Teilingerstraat stond geparkeerd maar op de Vijverhofstraat. Uit de plattegronden die eiser en verweerder hebben overgelegd blijkt dat de Vijverhofstraat een dwarsstraat is van de Teilingerstraat. De vraag is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, nu deze als parkeerlocatie de Teilingerstraat vermeldt in plaats van de Vijverhofstraat. 4.1. In artikel 5, aanhef en onder b, van de Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2017 van de gemeente Rotterdam, is het belastbare feit als volgt omschreven:

Onder de naam ‘parkeerbelasting’ worden de volgende belastingen geheven: (…) b. belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze. Daaruit volgt dat de locatie waar is geparkeerd een essentieel onderdeel is van het belastbare feit en daarom op de naheffingsaanslag moet worden vermeld (vergelijk de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 november 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:13653) en de daarin aangehaalde jurisprudentie:

Hoge Raad 20 december 1978 (ECLI:NL:HR:1978:AX2808). 4.2. Uit de verklaring ter zitting van verweerder volgt dat de onjuiste locatievermelding het gevolg is van het door verweerder gebruikte systeem. Dat dit systeem de GPS-coördinaten koppelt aan het dichtstbijzijnde adres en niet aan het juiste adres, dient voor rekening en risico van verweerder te komen. Gelet op de (ruime) nauwkeurigheidsmarge had het vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid op de weg van verweerder gelegen daarmee rekening te houden door bij de nacontrole ook de juistheid van de straatnaamregistratie door de scanauto na te gaan en, zo nodig, te corrigeren.

Uit de onjuiste vermelding van de parkeerlocatie in de naheffingsaanslag blijkt dat die nacontrole niet, dan wel onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. De onjuiste locatievermelding dient dan ook te leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag. 4.3 De verwijzing door verweerder naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:549 kan verweerder niet baten. In deze zaak deed zich de situatie voor dat ter hoogte van het parkeervak waar de eisende partij geparkeerd stond geen adressen waren en de gps-coördinaten als gevolg daarvan aan het dichtstbijzijnde (onjuiste) adres waren gekoppeld.

Dat die situatie met die van de onderhavige zaak vergelijkbaar is, heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt. 4.4 Naar het oordeel van de rechtbank maakt de op de naheffingsaanslag vermelde locatie, waar geparkeerd zou zijn, echter een zodanig essentieel onderdeel daarvan uit dat niet kan worden toegestaan dat parkeerbelasting, verschuldigd vanwege parkeren op een andere locatie, in de naheffingsaanslag wordt begrepen. Dit zou anders zijn wanneer de in de naheffingsaanslag vermelde locatie op een duidelijke, ook voor eiser kenbare, vergissing berust.

Nu gelet op de toelichting in het verweerschrift en ter zitting van verweerder door verweerder bewust een koppeling is gemaakt met de GPS-coördinaten van het dichtstbijzijnde adres, is er geen sprake van een duidelijke vergissing.

5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en vernietigt de naheffingsaanslag.

6. Op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46,- aan hem te vergoeden.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakt proceskosten op basis van het Besluit vergoeding proceskosten bestuursrecht. De reiskosten van eiser voor het bijwonen van de zitting komen voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten bedragen € 30,78. Ook de verletkosten van eiser komen voor vergoeding in aanmerking, voor zover deze zien op het bijwonen van de terechtzitting. Deze kosten bedragen € 328,-. Verweerder heeft ter zitting verklaard zich te kunnen vinden in dit bedrag. Het bedrag van € 492,- dat door eiser ook onder verletkosten is opgevoerd, ziet op handelingen die volgens voormeld besluit niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - vernietigt de naheffingsaanslag en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van in totaal € 358,78. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2018. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).