Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2018:3392 ECLI:NL:RBROT:2018:3392 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2018:3392 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2018:3392
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 17/3425 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 mei 2018 in de zaak tussen [Naam], te [plaats], eiser, en de Korpschef van Politie (de politiechef van eenheid Rotterdam), verweerder. Procesverloop Eiser heeft bij brief van 1 juni 2017 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op eisers verzoek om (periodieke) dossierinzage op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). Eiser heeft verzocht te worden ontheven van de verplichting tot betaling van griffierecht wegens betalingsonmacht.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:20 van de Awb; ECLI:NL:RBROT:2018:3392 · Rechtbank Rotterdam: De rechtbank stelt vast dat het verzoek om dossierinzage is gebaseerd op artikel 25 van de Wpg. Daarmee is, gelet ook op artikel 29, eerste lid, van de Awb, sprake van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Naar aanleiding van de aanvraag is eiser blijkens het verweerschrift en het besluit van 21 juni 2017 op 4 april 2017 telefonisch te woord gestaan door een politiemedewerker van de privacydesk waarin eiser mondeling informatie over registraties ten aanzien van hem is meegedeeld en waarbij eiser voorts is meegedeeld dat hem bepaalde kennisgeving op grond van artikel 27, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wpg wordt onthouden.

Keywords

AI generated
party costs of attorney procedural costs authorization to sue european order for payment procedure right to a decision objection to debt enforcement

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:20 van de Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:2730
201508042/2/A3. Datum uitspraak: 12 oktober 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 september 2015 in zaak nr. 14/5998 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Procesverloop Bij brief van 1 juli 2014 heeft appellant verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een door hem ingediend verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur.
ECLI:NL:RVS:2014:4129
201311752/1/A3. Datum uitspraak: 19 november 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2013 in zaak nr. 13/4146 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 22 februari 2013 heeft de minister een door [appellante] ingediend verzoek om openbaarmaking van stukken betreffende een aan haar opgelegde verkeersboete, geweigerd te behandelen. [appellante] heeft daartegen bezwaar gemaakt.
ECLI:NL:CBB:2017:114
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 16/269 24300 uitspraak van de meervoudige kamer van 30 maart 2017 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats 1] , [naam 2] , te [plaats 2] , appellanten (gemachtigde: [naam 1] ), en de Kamer van Koophandel, verweerster (gemachtigden: mr. J.P.M. van der Ende). Procesverloop Bij besluit van 3 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerster het verzoek van appellanten van 13 oktober 2015 om de inschrijving in het handelsregister van de bestuurssamenstelling van de Coöperatieve Woonvereniging [naam 3] ( [naam 3] ), teruggaand tot 12 juli 1996, te rectificeren (het wijzigingsverzoek), afgewezen.
ECLI:NL:RBROT:2017:6918
Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 17/2169 uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2017 in de zaak tussen [Naam] , te [plaats], eiser, en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder, gemachtigden: mr. M.A.H. Engelen-Gatzen en H.B. El Bhanihiaty. Procesverloop Eiser heeft bij brief van 28 augustus 2014 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit inzake zijn verzoek om inzage in dossierstukken met betrekking tot het Haags Ambulatorium. Bij de rechtbank is dit beroep geregistreerd onder zaaknummer ROT 14/5998.
ECLI:NL:RVS:2017:3310
201700523/1/A3. Datum uitspraak: 6 december 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 januari 2017 in zaak nrs. 15/7915 t/m 15/7933 in de gedingen tussen: [appellant] en de stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: JRR). Procesverloop Bij afzonderlijke brieven van 30 september 2015 heeft [appellant] negentien verzoeken om op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) informatie te ontvangen bij JRR ingediend.
ECLI:NL:RVS:2011:BR3852
Procesverloop Bij besluit van 31 december 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 17/3425 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 mei 2018 in de zaak tussen [Naam], te [plaats], eiser, en de Korpschef van Politie (de politiechef van eenheid Rotterdam), verweerder. Procesverloop Eiser heeft bij brief van 1 juni 2017 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op eisers verzoek om (periodieke) dossierinzage op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). Eiser heeft verzocht te worden ontheven van de verplichting tot betaling van griffierecht wegens betalingsonmacht.

De griffier heeft vooralsnog de beslissing daarop aangehouden. Bij besluit van 21 juni 2017 heeft verweerder besloten deels inzage te verlenen en deels inzage te weigeren overeenkomstig wat eiser telefonisch op 4 april 2017 is meegedeeld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.D. de Hoop-Nijkamp. Overwegingen 1.1. In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift door de griffier een griffierecht wordt geheven.

In het zesde lid is bepaald dat het beroep niet-ontvankelijk is indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 1.2. Eiser heeft in een groot aantal zaken bij deze rechtbank een beroep op betalingsonmacht gedaan. Bij uitspraken van 12 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2730) en 21 oktober 2016 (zaaknummers 20150841/2/A3 en 201509229/2/A3) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) drie zaken van eiser teruggewezen naar de rechtbank om opnieuw te beoordelen of aan hem ontheffing van de verplichting tot voldoening van griffierecht moet worden verleend.

In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank bij de beoordeling van de beroepen op betalingsonmacht de vraag dient te betrekken of sprake is van misbruik van recht door eiser. Het door een rechtzoekende, wiens beroep op betalingsonmacht eenmaal door de bestuursrechter is gehonoreerd, veelvuldig – al dan niet tegelijkertijd of nagenoeg tegelijkertijd – starten van procedures waarin telkens een beroep op betalingsonmacht wordt gedaan, kan de bestuursrechter onder omstandigheden tot de slotsom leiden dat sprake is van misbruik van recht, aldus de Afdeling.

Indien de bestuursrechter tot het oordeel komt dat een rechtzoekende misbruik van recht maakt, kan de bestuursrechter volgens de Afdeling een beroep op betalingsonmacht afwijzen, ook al blijkt dat het inkomen van die rechtzoekende minder bedraagt dan 90 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm. 1.3. Naar het oordeel van de rechtbank komt eiser in de voorliggende zaak geen beroep op betalingsonmacht toe. Of eiser verkeert in betalingsonmacht zal de rechtbank thans daarlaten. Eiser komt namelijk naar het oordeel van de rechtbank geen beroep op betalingsonmacht toe, omdat hij misbruik maakt van recht.

De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.

2. Op grond van artikel 3:13, gelezen in verbinding met artikel 3:15, van het Burgerlijk Wetboek kan de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Volgens vaste rechtspraak zijn voor het aannemen van misbruik van recht zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn, indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Indien de bestuursrechter van oordeel is dat sprake is van misbruik van recht dan vormt dit een grond om het beroep niet‑ontvankelijk te verklaren. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129) en de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 maart 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:114).

3. Of sprake is van misbruik nadat eisers beroep op betalingsonmacht eenmaal door de bestuursrechter is gehonoreerd, zoals het geval is in uitspraken van 8 september 2017 (waaronder ECLI:NL:RBROT:2017:6918) waarin sprake is van een terugwijzing door de Afdeling, moet volgens de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2016 aan de hand van de volgende factoren worden beoordeeld. Bij de beoordeling of zich misbruik van recht voordoet, is onder meer van belang het aantal procedures dat de rechtzoekende aanhangig heeft gemaakt, op welk moment hij dat heeft gedaan, de partijstelling in de verschillende procedures en het belang dat de rechtzoekende met het voeren van de beroepsprocedure beoogt te behartigen. Evenzeer is van belang of het procedures zijn naar aanleiding van besluiten die op aanvraag zijn genomen, dan wel naar aanleiding van ambtshalve genomen besluiten. In ieder geval bij de laatste categorie ligt het aannemen van misbruik van recht naar zijn aard niet snel in de rede.

4. De rechtbank stelt vast dat het verzoek om dossierinzage is gebaseerd op artikel 25 van de Wpg. Daarmee is, gelet ook op artikel 29, eerste lid, van de Awb, sprake van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Naar aanleiding van de aanvraag is eiser blijkens het verweerschrift en het besluit van 21 juni 2017 op 4 april 2017 telefonisch te woord gestaan door een politiemedewerker van de privacydesk waarin eiser mondeling informatie over registraties ten aanzien van hem is meegedeeld en waarbij eiser voorts is meegedeeld dat hem bepaalde kennisgeving op grond van artikel 27, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wpg wordt onthouden.

Deze gang van zaken heeft eiser niet betwist. Niettemin heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en beroep wegens niet tijdig beslissen ingesteld. De rechtbank ziet in het procedeergedrag van eiser in deze zaak - en andere zaken (zie bijvoorbeeld ABRvS 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3310) - aanknopingspunten voor het oordeel dat het eiser niet te doen is om verstrekking van gegevens, maar dat eiser procedeert om te procederen en daarbij voorts proceskosten en dwangsommen wegens niet tijdig beslissen wenst te incasseren. Eiser heeft verzocht hem proceskosten toe te kennen (eiser heeft vergoeding van reis- en verletkosten geclaimd), hem de maximale dwangsom toe te kennen en voorts aan de termijn voor het alsnog nemen van een besluit een dwangsom te verbinden van € 37.500,-.

Tekenend in dit verband is dat eiser ter zitting heeft aangegeven dat het hem er om gaat dat er geen schriftelijk besluit is genomen door verweerder, dat hij wel weer een nieuw verzoek in zal dienen om informatie mocht hij meer informatie willen hebben dan hij in het telefoongesprek op 4 april 2017 heeft gekregen en dat het in deze zaak in feite draait om de dwangsom.

5. Omdat de rechtbank van oordeel is dat sprake is van misbruik van recht door eiser bij zijn verzoek om verlaging, uitstel dan wel ontheffing van de verplichting griffierecht te voldoen, ziet de rechtbank geen aanleiding eiser een nadere termijn te geven om alsnog het verschuldigde griffierecht te voldoen. Het beroep zou immers ook dan (in ieder geval) wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk zijn. De rechtbank zal daarom het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaren.

6. Voor zover het beroep overeenkomstig artikel 6:20 van de Awb mede geacht moet zijn gericht tegen het besluit van 19 mei 2017, is het beroep evenzeer niet ontvankelijk, omdat de reden van de niet-ontvankelijkheid van het initiële beroepen wegens niet tijdig beslissen zich ook dient uit te strekken tot een beroep dat van rechtswege is ontstaan tegen een nader besluit. Het geconstateerde misbruik van recht (en het verwijtbaar niet voldoen van griffierecht) raakt immers aan de kern van het beroep in deze procedures en raakt aldus aan de toegang tot de rechter als zodanig (vergelijk ABRvS 25 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3852 en ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3999).

7. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen en tegen het besluit van 21 juni 2017 niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2018. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.