Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2018:10113 ECLI:NL:RBROT:2018:10113 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2018:10113 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2018:10113
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 18/2566 uitspraak van de meervoudige kamer van 13 december 2018 2018 in de zaak tussen Arriva Personenvervoer Nederland B.V., te Heerenveen, eiseres, gemachtigden: mr. M.J.J.M. Essers en mr. D. de Jong, en Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster. gemachtigden: mr. A.S.M.L. Prompers en mr. dr. J. Mulder. Procesverloop Eiseres heeft ACM verzocht haar aan te merken als derde-belanghebbende in de bezwaarprocedure van N.V. Nederlandse Spoorwegen en een aantal dochterondernemingen (NS) tegen een besluit van 22 mei 2017.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:72a van de Awb, artikel 3:2 van de Awb; ECLI:NL:RBROT:2018:10113 · Rechtbank Rotterdam: Eiseres stelt dat de beslissing op het bezwaar van NS onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat ACM door eiseres niet toe te laten tot de bezwaarprocedure heeft nagelaten te voldoen aan de in artikel 3:2 van de Awb neergelegde plicht om de nodige kennis te vergaren over de feiten en de af te wegen belangen. Eiseres is er daardoor van weerhouden om feiten, omstandigheden en haar belangen naar voren te brengen. Ook deze specifieke stelling kan er niet toe leiden dat de bezwaarprocedure herleeft, zodat ook hieruit geen procesbelang volgt.

Keywords

AI generated
worthy of protection interest supervisory complaint statement of claim procedural rights right to produce evidence locus standi

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 29 juni 2018 is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
artikel 8:72a van de Awb
Vanwege de in artikel 8:72a van de Awb neergelegde verplichting voor de bestuursrechter tot het zelf in de zaak voorzien bij vernietiging van de beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete, zal de bezwaarfase ook niet meer worden hervat.
artikel 3:2 van de Awb
Eiseres stelt dat de beslissing op het bezwaar van NS onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat ACM door eiseres niet toe te laten tot de bezwaarprocedure heeft nagelaten te voldoen aan de in artikel 3:2 van de Awb neergelegde plicht om de nodige kennis te vergaren over de feiten en de af te wegen belangen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2012:BW9145
KPN B.V. als rechtsopvolgster van Telfort B.V. (hierna: KPN) te Den Haag, 2. Vodafone Libertel B.V. (hierna: Vodafone), te Maastricht, tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 27 mei 2010 (LJN: BM5977, hierna: de aangevochten uitspraak) in het geding tussen appellanten en de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (voorheen: de Staatssecretaris van Economische Zaken, hierna: de minister), verweerder. Gemachtigde van KPN: mr. P.V. Eijsvoogel, advocaat te Amsterdam. Gemachtigde van Vodafone: mr. P.M. Waszink, advocaat te Amsterdam. Gemachtigde van de minister: mr. A.J. Boorsma, advocaat te Den Haag. Aan welk geding tevens als partij deelneemt: T-Mobile Netherlands B.V. (hierna: T-Mobile), te Den Haag, gemachtigde: mr. dr. G.-J. Zwenne, advocaat te Den Haag.
ECLI:NL:CBB:2017:60
Uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 16/752 11351 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2017 in de zaak tussen Stichting Platform Verantwoord Huisdierenbezit, appellante (gemachtigde: mr. E. Philippi-Gho), en de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk). Procesverloop Bij besluit van 29 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan een oehoehouder een last onder bestuursdwang opgelegd. Daartegen heeft appellante op 15 juli 2015 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij geen belanghebbende is.
ECLI:NL:CRVB:2015:2061
13/6224 WAZ Datum uitspraak: 19 juni 2015 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 oktober 2013, 13/389 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats], België, (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft nadere stukken in het geding gebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant heeft sinds 31 december 2003 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ontvangen. 1.2. Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft het Uwv de betaling van de WAZ-uitkering geschorst per 1 november 2012. Bij beslissing op bezwaar van 11 december 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 18/2566 uitspraak van de meervoudige kamer van 13 december 2018 2018 in de zaak tussen Arriva Personenvervoer Nederland B.V., te Heerenveen, eiseres, gemachtigden: mr. M.J.J.M. Essers en mr. D. de Jong, en Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster. gemachtigden: mr. A.S.M.L. Prompers en mr. dr. J. Mulder. Procesverloop Eiseres heeft ACM verzocht haar aan te merken als derde-belanghebbende in de bezwaarprocedure van N.V. Nederlandse Spoorwegen en een aantal dochterondernemingen (NS) tegen een besluit van 22 mei 2017.

Bij dat besluit heeft ACM een bestuurlijke boete opgelegd aan NS. ACM heeft dit verzoek op 28 september 2017 (de beslissing) afgewezen. Bij besluit van 29 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft ACM het bezwaar van eiseres tegen de beslissing ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten afgewezen. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 29 juni 2018 is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het door eiseres tegen deze uitspraak gedane verzet is bij uitspraak van 1 oktober 2018 gegrond verklaard en het onderzoek is voortgezet in de stand waarin zich dat bevond.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2018. Voor eiseres zijn verschenen haar gemachtigden, bijgestaan door haar bedrijfsjurist, mr. [naam]. ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Overwegingen 1. In beroep verzoekt eiseres de rechtbank haar beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en haar alsnog als belanghebbende toe te laten in de bezwaarschriftprocedure van NS.

2. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiseres procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Voor het bestaan van procesbelang is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met zijn beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang. De bestuursrechter ziet ambtshalve toe op het (voort)bestaan van het procesbelang (ECLI:NL:CBB:2012:BW9145, ECLI:NL:CBB:2017:60 en ECLI:NL:CRVB:2015:2061).

3. De rechtbank is - uit een andere bij haar aanhangige procedure - gebleken dat ACM inmiddels bij besluit van 29 maart 2018 heeft beslist op het bezwaar van NS. Dit betekent dat de bezwaarfase inmiddels is afgerond. Vanwege de in artikel 8:72a van de Awb neergelegde verplichting voor de bestuursrechter tot het zelf in de zaak voorzien bij vernietiging van de beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete, zal de bezwaarfase ook niet meer worden hervat. Het eventueel toepassen van een bestuurlijke lus in de beroepsprocedure van NS maakt, vooropgesteld dat de rechtbank eiseres als partij zou toelaten in die procedure, ook niet dat - zoals eiseres ook erkent - de bezwaarprocedure daarmee herleeft. Dat zoals eiseres opmerkt het materieel wel neerkomt op een herstel van een gebrek in bezwaar maakt - wat daar verder ook van zij - dan ook niet dat eiseres daarmee kan bereiken dat zij alsnog wordt toegelaten tot de bezwaarprocedure.

4. Eiseres stelt dat de beslissing op het bezwaar van NS onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat ACM door eiseres niet toe te laten tot de bezwaarprocedure heeft nagelaten te voldoen aan de in artikel 3:2 van de Awb neergelegde plicht om de nodige kennis te vergaren over de feiten en de af te wegen belangen. Eiseres is er daardoor van weerhouden om feiten, omstandigheden en haar belangen naar voren te brengen. Ook deze specifieke stelling kan er niet toe leiden dat de bezwaarprocedure herleeft, zodat ook hieruit geen procesbelang volgt.

5. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat haar in de door NS aangespannen beroepsprocedure kan worden tegengeworpen dat (onherroepelijk vaststaat dat) zij door ACM niet als derde-belanghebbende is toegelaten. De beslissing van de rechtbank over het al dan niet toelaten van eiseres als derde-belanghebbende in de door NS aangespannen beroepsprocedure staat los van wat ACM heeft besloten over toelating in de bezwaarprocedure.

6. Hieruit volgt dat het beroep van eiseres wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vraag of de beslissing van ACM een besluit is in de zin van de Awb. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mr. T. Boesman en mr. D. Brugman, leden, in aanwezigheid van mr. M. Traousis - van Wingaarden, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 13 december 2018. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.