Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2017:8899 ECLI:NL:RBROT:2017:8899 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:8899 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2017:8899
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team insolventie afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 3 november 2017 (bij vervroeging) [naam 1] , [adres] [woonplaats] verzoekster. Verzoekster heeft op 13 september 2017 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is, vergezeld door de heer [naam 2] en bijgestaan door mr. M.W. Huijzer, advocaat, gehoord ter terechtzitting van 8 november 2017.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:205 BW, artikel 4:219 BW; ECLI:NL:RBROT:2017:8899 · Rechtbank Rotterdam: Verzoekster ontvangt op dit moment een ziektewetuitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 171.153,02 3De beoordeling Op grond van artikel 284 lid 1 van de Faillissementswet (hierna: Fw) kan een natuurlijk persoon, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, verzoeken de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Kortgezegd moet dus sprake zijn van een problematische schuldensituatie.

Keywords

AI generated
insolvency over-indebtedness financial hardship monetary debt unpaid debt declaration of debt settlement

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:205 BW
Eén van de schuldeisers heeft op grond van artikel 4:205 BW bij deze rechtbank een verzoek tot vereffening gedaan.
artikel 4:219 BW
Concreet betekent dit dat de vereffenaar zal gaan vaststellen wat de nalatenschap is, wie recht op welk deel van de nalatenschap en, zo mogelijk, zullen privéschuldeisers van erfgenamen worden voldaan uit de nalatenschap, ook al hebben die erfgenamen die nalatenschap verworpen (artikel 4:219 BW).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team insolventie afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 3 november 2017 (bij vervroeging) [naam 1] , [adres] [woonplaats] verzoekster.

1De procedure

Verzoekster heeft op 13 september 2017 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is, vergezeld door de heer [naam 2] en bijgestaan door mr. M.W. Huijzer, advocaat, gehoord ter terechtzitting van 8 november 2017.

2De feiten

Verzoekster ontvangt op dit moment een ziektewetuitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 171.153,02 3De beoordeling Op grond van artikel 284 lid 1 van de Faillissementswet (hierna: Fw) kan een natuurlijk persoon, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, verzoeken de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Kortgezegd moet dus sprake zijn van een problematische schuldensituatie.

De vader van verzoekster is enige tijd geleden overleden. Verzoekster heeft de nalatenschap verworpen. Eén van de schuldeisers heeft op grond van artikel 4:205 BW bij deze rechtbank een verzoek tot vereffening gedaan. Dit verzoek zal, zo is ter zitting gebleken, worden toegewezen. Alleen staat nu nog niet vast wie de vereffenaar zal worden. Concreet betekent dit dat de vereffenaar zal gaan vaststellen wat de nalatenschap is, wie recht op welk deel van de nalatenschap en, zo mogelijk, zullen privéschuldeisers van erfgenamen worden voldaan uit de nalatenschap, ook al hebben die erfgenamen die nalatenschap verworpen (artikel 4:219 BW).

De schuldeisers van verzoekster kunnen zich dus verhalen op de (verworpen) erfenis van haar overleden vader. Op dit moment kan daarom niet bepaald worden wat de (uiteindelijke) schuldenlast is van verzoekster, laat staan of dit een problematische schuldenlast is. Immers daarvoor moet de omvang van haar erfdeel vast staan. Pas als haar schulden zijn verrekend met de erfenis kan vastgesteld worden of (nog) sprake is van een problematische schuldensituatie. Het verzoek moet daarom nu worden afgewezen. De rechtbank voegt daar nog aan toe, dat ook indien wel sprake was geweest van een toestand dan wel dat voorzienbaar zou zijn dat die toestand zich binnenkort voordoet, verzoekster niet zou zijn toegelaten.

Daartoe wordt – ten overvloede – het volgende overwogen. Het is onvoldoende aannemelijk dat verzoekster ten aanzien van het onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Verzoekster heeft de erfenis van haar vader verworpen. Zij stelt dat zij geen contact meer had met haar vader, maar anderzijds is zij door hem kennelijk niet onterfd. Het verwerpen van deze nalatenschap, waarvan verzoekster stelt dat die voor haar rond de € 40.000,- à € 50.000,- bedraagt, is nadelig voor haar schuldeisers.

Die kunnen nu immers niet (gedeeltelijk) voldaan worden uit deze nalatenschap. Aan verzoekster kan worden toegegeven dat zij, zoals elke ouder, een onderhoudsverplichting heeft jegens haar dochter die door de verwerping van de nalatenschap door verzoekster op grond van plaatsvervulling in haar rechten is getreden, maar die verplichting gaat niet zover dat haar schuldeisers daarvan de dupe mogen worden. Zij had haar erfdeel moeten gebruiken om haar schuldeisers zoveel mogelijk te voldoen. Dat heeft verzoekster nagelaten, waardoor één van haar schuldeisers gedwongen werd een verzoek tot vereffening in te dienen.

Daarmee heeft verzoekster die schuldeiser wel weer advocaatkosten laten maken. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4De beslissing

De rechtbank: - wijst het verzoek af. Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. de Winkel, rechter, en in aanwezigheid van A. Mergen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 november 2017. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.