Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2017:5654 ECLI:NL:RBROT:2017:5654 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:5654 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2017:5654
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

De omrekening van het beleggingsdeel in participaties geschiedt: a. tegen de aankoopprijs welke geldt op de dag volgend op de premievervaldag indien de (enige) premie vóór of op de premievervaldag door de Maatschappij is ontvangen; b. in alle andere gevallen tegen de aankoopprijs welke geldt op de dag volgend op de dag waarop de (enige) premie door de Maatschappij is ontvangen;

Legislator headnote

AI generated

artikel 843a Rv, artikel 6:194 BW, artikel 130 Rv, art. 3:305a BW, artikel 6:233 BW, artikel 6:248 lid 1 BW; ECLI:NL:RBROT:2017:5654 · Rechtbank Rotterdam: Artikel 15 VvV (zowel in de versie van 1990 als in die van 2001) luidt, voor zover hier van belang: “1. De verzekeringnemer heeft gedurende het leven van de verzekerde, het recht de in een bepaald fonds ten behoeve van hem uitstaande participaties geheel of gedeeltelijk te doen omzetten in participaties in een of meerdere andere, te zijner keuze staand(e) fonds(en).

Keywords

AI generated
cost sharing of the insured policyholder fraudulent insurance claim health insurer undisclosed pre-existing condition insurance of third party

Cited Legislation

AI generated
artikel 843a Rv
De Vereniging vordert (voorwaardelijk) op grond van artikel 843a Rv overlegging van de Offerteprogrammatuur voor het product Flexibel Verzekerd Beleggen (hierna: FVB) zoals deze in de loop de jaren is gebruikt en een beschrijving van de werking van deze programmatuur.
artikel 6:194 BW
artikel 130 Rv
Op grond van artikel 130 Rv is de eiser bevoegd zijn eis te wijzigen zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen.
art. 3:305a BW
(Er kunnen ook uitzonderlijke omstandigheden zijn, die in een bepaald individueel geval van groot belang zijn; de aard van deze procedure op basis van art. 3:305a BW brengt mee dat daarvan hier geabstraheerd moet worden.
artikel 6:233 BW
Een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt echter mee dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 6:233 BW gehouden is een beding te vernietigen indien hij vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13 (HR 13 september 2013 ECLI:NL:HR:2013:691).
artikel 6:248 lid 1 BW
artikel 843a lid 1 Rv
Artikel 843a lid 4 Rv
Artikel 843a lid 4 Rv bepaalt dat er geen gehoudenheid bestaat om aan de vordering te voldoen als dat niet nodig is voor een behoorlijke rechtsbedeling.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHSHE:2017:1875
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.122.450/02 arrest van 2 mei 2017 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk, tegen ASR Levensverzekering N.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als ASR, advocaat: mr. S.Y.Th. Meijer te Amsterdam, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 6 oktober 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant (sector kanton, locatie Boxmeer) onder nummer 781856/346 / CV EXPL 11-1105 gewezen vonnis van 17 juli 2012. 5Het tussenarrest van 6 oktober 2015 Bij genoemd arrest heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het arrest van 29 april 2015 (ECLI:EU:C:2015:286) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna:
ECLI:NL:RBDHA:2017:7072
De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 28 oktober 2015 en de daarin genoemde stukken; de akte overlegging producties, tevens akte vermeerdering (grondslag) van eis van de zijde van de Vereniging; de antwoordakte van de zijde van Aegon; het proces-verbaal van pleidooi van 17 januari 2017, het daarin genoemde stuk en de tijdens het pleidooi door partijen voorgedragen pleitnota’s. 1.2. Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.
ECLI:NL:HR:2013:691
13 september 2013 Eerste Kamer nr.
ECLI:NL:GHAMS:2011:BR2836
GERECHTSHOF AMSTERDAM Nevenzittingsplaats Arnhem Sector civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.043.825 en 200.047.090 (zaaknummer / rolnummer rechtbank 202784 / HA ZA 05-2186) arrest van de eerste civiele kamer van 26 juli 2011 in de gevoegde zaken met zaaknummer 200.043.825 inzake: de naamloze vennootschap Aegon Spaarkas N.V., (verder ook te noemen: Aegon), gevestigd te ’s-Gravenhage, appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. W.H. van Baren, tegen: de stichting Stichting Koersplandewegkwijt, (verder ook te noemen de Stichting), gevestigd te Eindhoven, geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. E. Lutjens, en met zaaknummer 200.047.090 inzake: 1. de stichting Stichting Koersplandewegkwijt, gevestigd te Eindhoven, 2. [geïntimeerde sub 2], (verder ook te noemen: [geïntimeerde sub 2]), wonende te [woonplaats], 3. [geïntimeerde sub 3], (verder ook te noemen: [geïntimeerde sub 3]), wonende te [woonplaats], 4. [geïntimeerde sub 4], (verder ook te noemen: [geïntimeerde sub 4]), wonende te [woonplaats], appellanten in het principaal hoger beroep, geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. E. Lutjens, tegen: de naamloze vennootschap Aegon Spaarkas N.V., gevestigd te ’s-Gravenhage, geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, advocaat: mrs. W.H. van Baren. 1. Eerder verloop van het geding in hoger beroep in beide zaken: Het hof verwijst naar het arrest in het incident tot voeging van 2 februari 2010 waarin de beide zaken gevoegd zijn. 2. Verder verloop van het geding in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.043.825: 2.1 Aegon heeft bij exploten van 10 en 11 augustus 2009 de Stichting aangezegd van de vonnissen van de rechtbank Utrecht van 6 juni 2007, 6 augustus 2008 en 13 mei 2009 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de Stichting voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven heeft Aegon twee grieven onderverdeeld in een aantal subgrieven tegen de vonnissen van 6 juni 2007 en 13 mei 2009 aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en een aantal nieuwe producties in het geding gebracht. Aegon heeft gevorderd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende: a) de Stichting alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen; b) de Stichting zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen Aegon ter uitvoering van de bestreden vonnissen aan haar heeft voldaan (waaronder de proceskosten ad € 3.172,60), vermeerderd met de wettelijke rente van de dag van betaling tot de dag van terugbetaling; c) de Stichting zal veroordelen om aan Aegon de kosten van de procedure in beide instanties te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, onder bepaling dat als deze kosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover vanaf de vijftiende dag wettelijke rente verschuldigd is. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft de Stichting de grieven bestreden, heeft zij bewijs aangeboden en heeft zij een aantal nieuwe producties in het geding gebracht. De Stichting heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ook wat betreft de proceskostenveroordeling, de bestreden vonnissen, met inachtneming van de in paragraaf 11 van de memorie van antwoord geformuleerde vorderingen van de Stichting en eventueel met verbetering van gronden, zal bekrachtigen, met veroordeling van Aegon in de kosten van het hoger beroep. 2.4 Vervolgens is Aegon in de gelegenheid gesteld een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep te nemen. Aegon heeft dat gedaan en heeft daarbij geconcludeerd dat het hof de Stichting niet-ontvankelijk zal verklaren in haar incidenteel hoger beroep, althans dat het hof de in incidenteel hoger beroep aangevoerde grieven ongegrond zal verklaren en het niet door de grieven in principaal hoger beroep bestreden deel van het vonnis, zo nodig onder verbetering van gronden, zal bekrachtigen, onder veroordeling, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorrad verklaard arrest, van de Stichting om binnen veertien dagen na het wijzen van dit arrest aan Aegon te betalen de kosten van het geding in beide instanties en tot terugbetaling van al hetgeen Aegon ter uitvoering van de bestreden vonnissen aan haar heeft voldaan (waaronder de proceskosten ad € 3.172,60), vermeerderd met de wettelijke rente van de dag van betaling tot de dag van terugbetaling, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn voldaan, hierover vanaf de veertiende dag wettelijke rente verschuldigd is. in de zaak met zaaknummer 200.047.090: 2.5 De Stichting, [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] hebben bij exploot van 12 augustus 2009 Aegon aangezegd van de vonnissen van 6 juni 2007, 20 februari 2008, 6 augustus 2008 en 13 mei 2009 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Aegon voor dit hof. De Stichting, [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] zullen hierna gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) aangeduid worden als de Stichting c.s. 2.6 Bij memorie van grieven, tevens houdende vermeerdering van eis, heeft de Stichting c.s. zes grieven tegen de vonnissen van 6 juni 2007 en 13 mei 2009 aangevoerd en toegelicht, en heeft zij bewijs aangeboden. De Stichting c.s. heeft, na vermeerdering van eis, gevorderd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest: ten aanzien van [geïntimeerde sub 4]: 1) zal verklaren voor recht dat er met betrekking tot de Koersplanovereenkomst van [geïntimeerde sub 4] geen wilsovereenstemming bestond tussen Aegon en [geïntimeerde sub 4] ten aanzien van het in rekening brengen van een premie voor een overlijdensrisicoverzekering, subsidiair dat er geen wilsovereenstemming bestond ten aanzien van de hoogte van de premie voor een overlijdensrisicoverzekering; 2) zal verklaren voor recht dat de poliswaarde van de Koersplanovereenkomst van [geïntimeerde sub 4] moet worden herberekend door de premie op “0” vast te stellen, althans overeenkomstig de in de akte van 15 augustus 2007 genoemde uitgangspunten; dat wil zeggen primair overeenkomstig de werkelijke kostprijs voor een overlijdensrisicodekking met inachtneming van de in die akte genoemde uitgangspunten, subsidiair op een ander door het hof in redelijkheid en billijkheid vast te stellen percentage; 3) Aegon zal veroordelen de Koersplanovereenkomst met [geïntimeerde sub 4] na te komen in overeenstemming met de onder 2) geformuleerde verklaring voor recht; ten aanzien van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3]: 4) zal verklaren voor recht dat er met betrekking tot de Koersplanovereenkomsten van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] geen wilsovereenstemming bestond tussen Aegon en [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] ten aanzien van de hoogte van de premie voor een overlijdensrisicoverzekering; 5) zal verklaren voor recht dat de poliswaarde van de Koersplanovereenkomsten van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] moet worden herberekend overeenkomstig de in de akte van 15 augustus 2007 genoemde uitgangspunten; dat wil zeggen primair overeenkomstig de werkelijke kostprijs voor een overlijdensrisicodekking met inachtneming van de in die akte genoemde uitgangspunten, subsidiair op een ander door het hof in redelijkheid en billijkheid vast te stellen percentage; 6) Aegon zal veroordelen de Koersplanovereenkomst met [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] na te komen in overeenstemming met de onder 5) geformuleerde verklaring voor recht; ten aanzien van de Stichting: 7) zal verklaren voor recht dat er ten aanzien van de Koersplanovereenkomsten die zijn aangevangen in de jaren 1989 en 1990 geen wilsovereenstemming bestond tussen Aegon en de personen voor wier belangen de Stichting blijkens haar statuten opkomt ten aanzien van het in rekening brengen van een premie voor een overlijdensrisicoverzekering, althans dat er geen wilsovereenstemming bestond ten aanzien van de hoogte van de premie voor een overlijdensrisicoverzekering; 8) zal verklaren voor recht dat de poliswaarde van de Koersplanovereenkomsten van de personen voor wier belangen de Stichting blijkens haar statuten opkomt en die zijn aangevangen in de jaren 1989 en 1990 moet worden herberekend door de premie op “0” vast te stellen, althans overeenkomstig de in de akte van 15 augustus 2007 genoemde uitgangspunten; dat wil zeggen primair overeenkomstig de werkelijke kostprijs voor een overlijdensrisicodekking met inachtneming van de in die akte genoemde uitgangspunten, subsidiair op een ander door het hof in redelijkheid en billijkheid vast te stellen percentage; 9) Aegon zal veroordelen de Koersplanovereenkomsten met de personen voor wier belangen de Stichting blijkens haar statuten opkomt en die zijn aangevangen in de jaren 1991 en 1998 na te komen in overeenstemming met de onder 8) geformuleerde verklaring voor recht; ten aanzien van de Stichting, [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4]: 10) zal verklaren voor recht dat Aegon zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding door bij de maatmanberekeningen te verzwijgen dat de in te houden overlijdensrisicopremie (substantieel) hoger kon zijn dan waarvan bij de maatmanberekening is uitgegaan, alsmede te verzwijgen dat dit van invloed was op de hoogte van het te behalen rendement voor zover de herberekening als bedoeld in de onder 2), 5) en 8) geformuleerde vorderingen als uitkomst kent dat de overlijdensrisicopremie op een lager bedrag wordt bepaald dan de premie waarvan in de maatmanberekeningen voor de betrokken deelnemer is uitgegaan; 11) Aegon zal veroordelen in de buitengerechtelijke kosten, subsidiair in de kosten gemaakt ter begroting van de schade ten bedrage van € 75.365,- te vermeerderen met omzetbelasting, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding in eerste aanleg, althans het indienen van deze memorie van grieven, voor zover het gevorderde bedrag hoger is dan in eerste aanleg, tot aan de dag van algehele voldoening; 12) Aegon zal veroordelen in de kosten van beide instanties. 2.7 Bij memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel heeft Aegon de grieven bestreden, en heeft zij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Bij dezelfde memorie heeft Aegon incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van 6 juni 2007 en 13 mei 2009, en heeft zij daartegen twee grieven onderverdeeld in een aantal subgrieven aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Aegon heeft geconcludeerd dat het hof, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende: a) onder afwijzing van de door de Stichting c.s. aangevoerde grieven, de Stichting c.s. alsnog in haar vorderingen niet ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen; b) de Stichting zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen Aegon ter uitvoering van de bestreden vonnissen aan haar heeft voldaan (waaronder de proceskosten ad € 3.172,60), vermeerderd met de wettelijke rente van de dag van betaling tot de dag van terugbetaling; c) de Stichting, [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] hoofdelijk zal veroordelen om aan Aegon de kosten van de procedure in beide instanties te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, onder bepaling dat als deze kosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf de vijftiende dag tot aan de dag van algehele voldoening. 2.8 Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep tevens akte uitlating producties heeft de Stichting c.s. verweer gevoerd en geconcludeerd dat de incidentele grieven voor afwijzing gereed liggen en heeft zij nogmaals bewijs aangeboden. 2.9 Daarna hebben partijen met instemming van het hof ieder een schriftelijke inleiding op het pleidooi overgelegd, waarbij de Stichting c.s. tevens drie producties heeft toegezonden. 2.10 Ter zitting van maandag 16 mei 2011 hebben partijen de zaak doen bepleiten, Aegon door mrs. W.H. van Baren en B.W.G. van der Velden, beiden advocaat te Amsterdam en de Stichting c.s. door mr. E. Lutjens, advocaat te Amsterdam. Beide partijen hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Door het hof is aan mr. Lutjens akte verleend van het in het geding brengen van voornoemde producties; Aegon heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. 2.11 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op de door partijen reeds overgelegde stukken. 3. De vaststaande feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank in het vonnis van 6 juni 2007 (verder ook te noemen: het eerste vonnis) in rechtsoverwegingen (r.o.) 2.1 tot en met 2.12 vastgestelde feiten en van de weergave van de contractsdocumenten en het informatiemateriaal in r.o. 3.1 tot en met 3.47 van datzelfde vonnis. Daaraan kan nog het volgende worden toegevoegd. 3.2 De contractsdocumentatie van de KoersPlan-overeenkomsten bestond in ieder geval uit: a. een brochure, (waarmee het product onder de aandacht van het publiek werd gebracht) b. een inschrijfformulier, (na inzending waarvan) c. een bevestigingsbrief (werd gestuurd aan de deelnemer met als bijlagen) d. een namens Spaarbeleg ondertekend certificaat en e. een exemplaar van de over dat jaar toepasselijke algemene voorwaarden. Deze documenten zullen hierna verder afzonderlijk worden aangeduid als respectievelijk de brochure, het inschrijfformulier, de bevestigingsbrief, het certificaat en de algemene voorwaarden en als geheel als de contractsdocumentatie. 3.3 Een door het Verbond van Verzekeraars uitgegeven brochure, met als titel: “Spaarkassparen. Dat gaat zó!” (verder te noemen: de Brochure Spaarkassparen) luidt onder meer als volgt: “(…) De spaarkasovereenkomst bestaat uit twee onderdelen: een spaardeel en een overlijdensrisicoverzekering. Deze laatste zorgt ervoor dat als één van de deelnemers komt te overlijden voordat de spaarperiode is afgelopen, dat de in de overeenkomst aangewezen begunstigde(n) uit deze verzekering een uitkering krijgen. (…) Kosten en opbrengsten De periodieke stortingen zijn opgebouwd uit drie onderdelen: spaarstorting, overlijdensrisicopremie en vergoeding voor de kosten die de maatschappij maakt voor ondermeer het administreren en beheren van de jaarkas. De maatschappij vertelt u hoe deze posten zijn onderverdeeld zodat ook duidelijk is welk deel wordt belegd. (…) De uitkering De uitkering die u aan het eind van een spaarperiode ontvangt, bestaat uit drie onderdelen: het totaal van de spaarstortingen (minus de door de spaarkasmaatschappij gemaakte kosten), de opbrengst uit beleggingen en de overlevingswinst. De totale opbrengst wordt verdeeld onder alle deelnemers die aan het einde van de looptijd nog in leven zijn. Daarbij wordt een bepaalde verdeelsleutel gehanteerd die is gebaseerd op het eigen spaarbedrag en de leeftijd van de deelnemers; oudere deelnemers ontvangen een hogere uitkering omdat zij een groter risico liepen de einddatum niet te halen (daarvoor betaalden ze ook een hogere risicopremie). (…) 3.4 Een door de Nederlandse Vereniging ter Bevordering van het Spaarkasbedrijf (NVBS) uitgegeven brochure uit mei 1985 met als titel: “Prospectus Spaarkasinschrijvingen” (verder te noemen: de Prospectus Spaarkasinschrijvingen”) luidt onder meer als volgt: “In de spaarkasovereenkomst is tevens een overlijdensrisicodekking begrepen, zodat wanneer iemand overlijdt voor het einde van de looptijd van de jaarkas, de nabestaanden toch een uitkering ontvangen. Daarvoor is naast de spaarstorting in de jaarkas een aparte overlijdensrisicopremie verschuldigd. (…). Bij tussentijds overlijden van een deelnemer ontvangen de nabestaanden toch een uitkering. Deze uitkeringen worden niet uit het spaartegoed gedaan; dat is immers bestemd voor degenen die in leven blijven en doorsparen. De uitkering bij overlijden volgt uit de in de spaarkasinschrijving begrepen overlijdensrisicodekking, waarvoor -zoals op de derde bladzijde al is gezegd- een overlijdensrisicopremie wordt betaald. (…) Het bedrag van de spaarstorting wordt op het bewijs van inschrijving vermeld evenals de duur van de overeenkomst. Verder wordt de premie vermeld voor de overlijdensrisicodekking. (…)”. 3.5 Een Aanbeveling van de Ombudsman Financiële Dienstverlening (verder ook te noemen: de Aanbeveling) inzake het geschil tussen particuliere afnemers van een beleggingsverzekering (in de Aanbeveling aangeduid als “de consument”) en bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening aangesloten verzekeringsmaatschappijen (in de Aanbeveling aangeduid als “verzekeraars”) van 4 maart 2008 luidt onder meer als volgt: “(…) De Ombudsman beveelt aan met terugwerkende kracht t.a.v. in het verleden gesloten contracten een kostenmaximering toe te passen en waar een hogere kostenlading is gehanteerd de consument met inachtneming van de aanbevolen maximering te compenseren op hierna aan te geven wijze. 1. Alle omstandigheden in aanmerking genomen en op grond van de aangegeven overwegingen zou met betrekking tot de tot heden afgesloten levensverzekeringen op beleggingsbasis de inhouding van de kosten op het bruto rendement van het beleggingsdeel redelijk zijn geweest tot een maximum van 2,5%. Waar die afslag hoger is geweest, dient de consument te worden gecompenseerd op een wijze als hierna aan te geven. 2. De omstandigheden brengen met zich dat het redelijk en billijk is de onder 1. bedoelde compensatie te matigen, omdat zoals hiervoor overwogen, i.v.m. de medebetrokkenheid van andere contractspartijen en de geschetste ontwikkelingen, niet verzekeraar als enige partij in het geschil op diens verantwoordelijkheid kan worden aangesproken. De eventuele noodzakelijke compensatie dient te geschieden als volgt: 3. Actieve premiebetalende en koopsomverzekeringen die zijn afgesloten voor 1-1-2008 kennen een kostenmaximering over de gehele looptijd. De kostenmaximering houdt in dat het eindkapitaal van een contract minimaal gelijk is aan het kapitaal van een identiek contract waarbij per jaar 3,5% als percentage van de dan aanwezige fondswaarde aan totale kosten in rekening worden gebracht. Identiek contract houdt in gelijke bruto premie, risicopremie (zie 7.), premietermijn en premieverdeelsleutel, maar waarbij alle kostensoorten, dus inclusief TER en andere beleggingsfondskosten, worden vervangen door een jaarlijkse 3,5% heffing over het fonds. Deze aanpak komt overeen met een maximale afslag van 3,5% op het bruto fondsrendement over de gehele duur. (…) 5. Het effect van de kostenmaximering wordt vastgesteld per 1-1-2008. In geval van voortzetting van het contract wordt uiterlijk op de (oorspronkelijke) einddatum verrekend. Het effect van kostenmaximering zal uiterlijk in 2009 aan de polishouder worden gecommuniceerd. 6. De kostenmaximering betreft alle kosten. Premies voor overlijdensrisico, arbeidsongeschiktheid en verzorgingsdekking zijn geen kosten. 7. Voor de premie van de overlijdensrisicodekking geldt dat deze niet hoger hoort te zijn dan bij dezelfde verzekeraar voor een vergelijkbaar risico bij een zelfstandige risicoverzekering in rekening wordt gebracht op het moment van afsluiten van die verzekering, derhalve zulks zonder daar bovenop oneigenlijke opslagen in rekening te brengen. (…)”. 3.6 Artikel 2 van de statuten van de Stichting luidt sinds 23 juni 2009 als volgt: “Doel Artikel 2 De stichting heeft ten doel: a. de belangen te behartigen van bij de stichting geregistreerde belanghebbenden inzake een geschil met AEGON SPAARKAS N.V. (voorheen Spaarbeleg Kas N.V.) te ’s-Gravenhage (voorheen gevestigd te Nieuwegein) dan wel een daarvoor in de plaats komende rechtspersoon of instelling tussen de geregistreerde belanghebbenden en Spaarbeleg, respectievelijk Aegon Spaarkas; b. een geregistreerde belanghebbende is een persoon, die middels invulling en ondertekening van het “Registratieformulier Stichting Koersplandewegkwijt” het bestuur van de stichting gemachtigd heeft hem/haar in volledige vrijheid van handelen te vertegenwoordigen en op te treden in het onderhavige geschil bij overleg over eventuele schikking(en) en/of bij juridische procedures. De machtiging betreft zowel nog lopende KoersPlan-overeenkomsten als reeds geëxpireerde, premie vrijgemaakte en afgekochte KoersPlan-overeenkomsten. c. de stichting streeft naar het verwerven van financiële compensatie voor de geregistreerde belanghebbenden voor de door hen geleden schade; d. de stichting tracht haar doelen te bereiken door middel van overleg, juridische procedures, raadplegen van deskundigen, publicitaire en andere maatschappelijke acties en/of het verrichten van alle legale handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn; e. de kosten van de activiteiten van de stichting worden betaald vanuit bijdragen van geregistreerde belanghebbenden dan wel vanuit op andere wijze verkregen inkomsten.” 4. De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 De bestreden vonnissen zijn gewezen tegen Spaarbeleg Kas N.V. (verder ook te noemen Spaarbeleg). Blijkens de gebezigde aanduidingen in de processtukken is Aegon Spaarkas N.V. de rechtsopvolgster van Spaarbeleg. Nu partijen, ook de Stichting c.s., daarvan zonder meer uitgaan, zal het hof dit ook doen en aannemen dat Aegon Spaarkas N.V. in beide zaken in hoger beroep als partij kan optreden. Waar hieronder gesproken wordt over Aegon wordt daarmee mede Spaarbeleg bedoeld. 4.2 Partijen hebben ieder afzonderlijk hoger beroep ingesteld. In de door de Stichting c.s. aanhangig gemaakte zaak (verder ook te noemen: beroep Stichting) heeft Aegon incidenteel hoger beroep ingesteld, waarbij de inhoud van de memorie grotendeels overeenkomt met de door Aegon ingediende memorie van grieven in de door haar aanhangig gemaakte zaak in hoger beroep. In de door Aegon aanhangig gemaakte zaak (verder ook te noemen: beroep Aegon) heeft de Stichting in haar verweer verwezen naar de memorie van grieven in de door haarzelf aangebrachte zaak en heeft zij voorts gesteld dat de door haar in die zaak aangevoerde grieven als hier herhaald dienen te worden beschouwd en heeft zij geconcludeerd dat het hof met inachtneming van die grieven zal beslissen (hetgeen een incidenteel hoger beroep oplevert, waarop Aegon bij haar onder 2.4 genoemde memorie heeft gereageerd). De stellingen in beide gevoegde zaken zijn, kortom, zo verweven dat het hof de van beide kanten aangevoerde grieven en verweren hieronder gezamenlijk zal behandelen. 4.3 Tegen de tussenvonnissen van 20 februari 2008 en van 6 augustus 2008 zijn door de Stichting c.s. geen grieven aangevoerd, zodat de Stichting c.s. in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep. Hetzelfde geldt wat betreft het tussenvonnis van 6 augustus 2008 voor Aegon. 4.4 De zaak betreft zogenaamde KoersPlan-overeenkomsten (verder ook te noemen: het Koersplan dan wel de Koersplanovereenkomsten) die door Spaarbeleg in de jaren 1989 tot en met 1998 zijn afgesloten met een groot aantal deelnemers, onder wie [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4]. Het betreft steeds een spaarkasovereenkomst, waarbij de deelnemers een periodieke inleg betalen. Er vindt vervolgens een spaarstorting plaats die, samen met de spaarstortingen van alle overige deelnemers, in een gezamenlijke spaarkas wordt gestort en belegd. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst (die kan variëren, doorgaans tussen de 12 en 40 jaar) worden de spaarstortingen en het daarop behaalde rendement uitgekeerd aan de deelnemers die dan nog in leven zijn. De nabestaanden van de deelnemers die voortijdig (vóór de afloop van de looptijd van hun overeenkomst) overlijden, hebben geen aanspraak op de kas. Hun storting en het daarop behaalde rendement blijft in de kas achter en wordt op de einddatum verdeeld onder de andere deelnemers (de overlevingswinst). Een overlijdensrisicoverzekering biedt bij voortijdig overlijden van een deelnemer aanspraak op een belastingvrije uitkering van de ingelegde som, vermeerderd met rente. 4.5 Kernvragen in deze zaak zijn of in de contractsdocumentatie van het Koersplan een contractuele grondslag gevonden kan worden voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie op de inleg en zo ja, of tussen Spaarbeleg en de deelnemers van het Koersplan wilsovereenstemming bestond over de hoogte van die premie. Verder ligt de vraag voor of de door Aegon verstrekte informatie op dit punt misleidend was in de zin van artikel 6:194 (oud) van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ontvankelijkheid collectieve actie 4.6 Op grond van artikel 3:305a lid 1 BW kan een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voorzover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. 4.7 De rechtbank heeft in het eerste vonnis in de rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 5.11 geoordeeld dat de Stichting ontvankelijk is in haar vorderingen op grond van artikel 3:305a lid 1 BW. Aegon heeft tegen dit oordeel een grief (I) gericht en heeft daarbij in de eerste plaats aangevoerd dat uit de doelomschrijving in de statuten van de Stichting niet blijkt dat de Stichting de belangen van andere personen behartigt, omdat daarvoor op zijn minst nodig is dat de statuten verwijzen naar specifieke belangen van anderen (grief I.A). Het hof is echter van oordeel dat uit het hiervoor onder 3.5 geciteerde artikel 2 van de statuten van de Stichting, zoals die luidden ten tijde van het instellen van de beroepen, wel degelijk blijkt dat belangen van andere personen worden behartigd, te weten de belangen van bij de Stichting geregistreerde belanghebbenden inzake het geschil met Aegon. Afgezien daarvan begrijpt het hof, evenals de rechtbank, ook uit de doelomschrijving in de eerdere statuten (ook al is dat niet expliciet vermeld) dat de Stichting opkomt voor die personen die stellen schade te hebben geleden door de handelwijze van Aegon bij het aanbieden en uitvoeren van het Koersplan. 4.8 Aegon heeft in de tweede plaats aangevoerd dat de belangen die door de Stichting worden behartigd niet gelijksoortig zijn in de zin van artikel 3:305a lid 1 BW. De Stichting treedt alleen op voor geregistreerde belanghebbenden, die slechts 1,5% van alle deelnemers van het Koersplan vormen, zodat het procederen via een collectieve actie geen rechtens relevant voordeel biedt boven het procederen op naam of als vertegenwoordiger van de geregistreerde belanghebbenden. Bovendien leent de aard van de door de Stichting ingestelde vorderingen zich niet voor bundeling, nu de individuele situatie van iedere deelnemer aan het Koersplan beoordeeld dient te worden om na te gaan of er sprake is van wilsovereenstemming over de (hoogte van) de overlijdensrisicopremie of van misleiding, aldus Aegon (grief I.B). 4.9 Aan de eis dat de door de Stichting ingestelde vorderingen strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen in de zin van artikel 3:305a BW is voldaan indien de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvorderingen strekken zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. De omstandigheid dat de Stichting niet optreedt voor alle deelnemers van Koersplan, maar slechts voor een deel daarvan, de geregistreerde belanghebbenden, is daarbij niet van belang. De hiervoor weergegeven sub 7, 8 en 9 ingestelde vorderingen van de Stichting vereisen een beoordeling (op basis van de contractsdocumentatie) van de vraag of tussen Aegon en de personen voor wier belangen de Stichting opkomt wilsovereenstemming bestond over (de hoogte van) een overlijdensrisicopremie. De sub 10 ingestelde vordering van de Stichting stelt de vraag aan de orde of de deelnemers op grond van diezelfde contractsdocumentatie zijn misleid in de zin van artikel 6:194 (oud) BW. Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken blijkt dat zowel de wijze van aanbieden en afsluiten van het Koersplan als de contractsdocumentatie zodanig uniform is voor alle deelnemers aan het Koersplan dat een onderzoek naar de situatie van de individuele deelnemers naar het oordeel van het hof niet nodig is om de gevorderde verklaringen voor recht, die algemeen zijn geformuleerd, te kunnen beoordelen. Daarmee lenen de in het geding zijnde belangen zich voor bundeling en kan de Stichting in haar vorderingen worden ontvangen. De grieven I.A en I.B van Aegon falen. Contractuele grondslag voor inhouden overlijdensrisicopremie? 4.10 De rechtbank heeft bij de beoordeling van de vraag of er een contractuele grondslag was voor inhouding van de overlijdensrisicopremie onderscheid gemaakt tussen enerzijds de jaren 1989 en 1990 en anderzijds de jaren vanaf 1991 tot en met 1998. De rechtbank heeft geoordeeld dat de in de jaren 1989 en 1990 toepasselijke algemene voorwaarden geen contractuele grondslag boden voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie op de inleg, behoudens in de gevallen waarin een inschrijfformulier werd gebruikt als in het geval van [geïntimeerde sub 4]. Volgens de rechtbank blijkt uit dat inschrijfformulier dat slechts een deel van de inleg werd belegd en kon uit dat formulier ook de hoogte van de overlijdensrisicopremie worden opgemaakt. De vordering van [geïntimeerde sub 4] als individuele eiseres is daarom afgewezen, evenals de door de Stichting gevorderde verklaringen voor recht met betrekking tot 1989 en 1990 (zoals geciteerd in r.o. 2.2 sub 1 van het vonnis van 6 augustus 2008, zakelijk weergegeven dat Spaarbeleg ten onrechte een overlijdensrisicopremie op de inleg in mindering heeft gebracht over de jaren 1989 en 1990). 4.11 Vanaf 1991 zijn de op het Koersplan toepasselijke algemene voorwaarden gewijzigd. Uit de gewijzigde voorwaarden is volgens de rechtbank voor de in de jaren 1991 tot en met 1998 afgesloten Koersplanovereenkomsten af te leiden dat een overlijdensrisicoverzekering deel uitmaakte van het Koersplan en dat de deelnemer voor deze verzekering een premie verschuldigd was, die door Spaarbeleg op de inleg zou worden ingehouden. Tegen deze beslissing is door de Stichting c.s. pas bij gelegenheid van haar schriftelijke inleiding op het pleidooi (in alinea 5.8) een grief ingediend; noch in de memorie van grieven in het door haar aangespannen hoger beroep, noch in de memorie van antwoord in het door Aegon ingestelde hoger beroep valt een bezwaar tegen deze beslissing te ontwaren. De schriftelijke inleiding (door het hof toegestaan om de omvang van het mondeling pleidooi te beperken), maakt onderdeel uit van het pleidooi. 4.12 Met betrekking tot het stadium waarin grieven kunnen worden aangevoerd heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 20 juni 2008, (LJN: BC4959) onder meer het volgende overwogen: “De door de Hoge Raad als juist aanvaarde ruime uitleg van het begrip grief hangt samen met de bepaling van art. 347 lid 1 Rv, dat in hoger beroep slechts een conclusie van eis en een conclusie van antwoord worden genomen, welke regel beoogt het debat in hoger beroep te beperken. Deze regel brengt mee dat de geïntimeerde bij het inrichten van zijn verweer in beginsel ervan mag uitgaan dat de omvang van de rechtsstrijd in appel door de conclusie van eis is vastgelegd en geen rekening ermee hoeft te houden dat zijn verweer tot nieuwe grieven aanleiding kan geven. Daaruit volgt dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan de conclusie van eis, dan wel (in het geval van een incidenteel appel) de conclusie van antwoord worden aangevoerd. Dit stelsel hangt samen met het feit dat het debat in hoger beroep voortbouwt op hetgeen in eerste aanleg is geschied en in zoverre ten opzichte van de eerste aanleg als voortgezette instantie heeft te gelden. In het belang van de concentratie van het debat en van een spoedige afdoening van het geschil, mag in dit licht van appellant in beginsel worden verlangd dat hij in zijn conclusie van eis (memorie van grieven) aanstonds niet alleen al zijn bezwaren tegen de beslissingen van de lagere rechter aanvoert, maar ook de nieuwe feiten of stellingen naar voren brengt waarop hij zich in appel mede wenst te beroepen. Het vorenstaande betekent mede dat de in art. 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel ook de — ingevolge art. 130 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv — aan de oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn eis, in hoger beroep beperkt in die zin dat hij in beginsel zijn eis slechts kan veranderen of vermeerderen niet later dan in zijn memorie van grieven of van antwoord. Dit geldt ook als de vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijk eiser is gesteld. (…)” 4.13 In zijn arrest van 19 juni 2009 (LJN: BI8771) heeft de Hoge Raad de hiervoor geformuleerde regel herhaald en de volgende verfijning aangebracht: “(…) Op deze “in beginsel strakke regel” kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de nieuwe grief alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep wordt betrokken of dat de eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden. Voorts kan in het algemeen het aanvoeren van een grief of een verandering of vermeerdering van eis na het tijdstip van de memorie van grieven of antwoord toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de nieuwe grief of de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat — indien dan nog mogelijk — een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de nieuwe grief of de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde. (…)”. 4.14 Aegon heeft zich ter gelegenheid van het mondelinge pleidooi uitdrukkelijk verzet tegen deze nieuwe grief. Nu ook de in het voormelde arrest van 19 juni 2009 genoemde overige uitzonderingen zich niet voordoen, zal het hof geen acht slaan op deze nieuwe grief. Dit betekent dat het hof ervan dient uit te gaan dat wat betreft de Koersplanovereenkomsten waarop de algemene voorwaarden van de jaren 1991 tot en met 1998 van toepassing zijn een contractuele grondslag bestond voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie. 4.15 Met grief II.B heeft Aegon betoogd dat ditzelfde geldt voor de Koersplan-overeenkomsten die zijn gesloten in de jaren 1989 en 1990. Volgens Aegon kon de deelnemer uit het informatiemateriaal dat aan hem ter beschikking werd gesteld afleiden dat Aegon tegen betaling van een (gelijktijdig met de spaarstortingen te betalen) premie gehouden was een uitkering te doen bij zijn overlijden. Aegon heeft daarbij voor het jaar 1989 (in haar memorie van grieven) verwezen naar de brochure van dat jaar, die onder meer luidt als volgt: “(…)Met deze unieke formule wordt uw spaargeld samen met dat van de andere deelnemers in dat jaar belegd in een beleggingspool. Na afloop van de looptijd wordt het opgebouwde vermogen van de beleggingspool verdeeld over de dan nog in leven zijnde deelnemers. Extra rendement dus. Komt u plotseling te overlijden, dan garandeert Spaarbeleg uw nabestaanden een directe, belastingvrije uitkering van de ingelegde som, vermeerderd met 4% rente. Kortom: naast extra rendement ook ingebouwde zekerheid.(…)”. Aegon heeft voorts verwezen naar de algemene voorwaarden 89.01.03, overgelegd door de Stichting c.s. bij de inleidende dagvaarding en gedeeltelijk geciteerd door de rechtbank in r.o. 3.3 van het eerste vonnis en heeft met name de aandacht gevestigd op de artikelen 1 sub b, 6, 7, 8, 18, 19 en 22. Voor het jaar 1990 heeft Aegon verwezen naar dezelfde artikelen, die in de voorwaarden 90.01.03, die in dat jaar van kracht waren, ongewijzigd uit de voorwaarden van 1989 zijn overgenomen en naar de brochure van dat jaar, die onder meer luidt als volgt: “(…)Met deze unieke formule wordt uw spaargeld samen met dat van de andere deelnemers in dat jaar belegd in een beleggingspool. Uiteindelijk wordt het opgebouwde vermogen van de beleggingspool verdeeld over de dan nog in leven zijnde deelnemers. Extra rendement dus. Door de ingebouwde overlijdensrisicodekking garandeert Spaarbeleg in geval van overlijden, een belastingvrije uitkering van de ingelegde som, vermeerderd met 4% rente op rente. Kortom: naast extra rendement ook ingebouwde zekerheid.(…)”. 4.16 De rechtbank heeft in r.o. 5.15 van het eerste vonnis geoordeeld dat de genoemde algemene voorwaarden vóór het tot stand komen van de overeenkomst aan de deelnemers ter hand zijn gesteld en dus deel uitmaken van het Koersplan. Tegen dit oordeel zijn geen (tijdige) grieven gericht; pas bij haar schriftelijke toelichting heeft de Stichting zich tegen dit oordeel verzet. Zoals hiervoor is overwogen, is dit tardief. Daarmee staat in hoger beroep vast dat de algemene voorwaarden deel uitmaken van het Koersplan. 4.17 In de door Aegon opgesomde artikelen van de algemene voorwaarden wordt gesproken over “uitkeringen in geval van overlijden”, “polis”, “verzekering” en “premies”. Artikel 1 van de genoemde voorwaarden luidt onder meer als volgt: “1. In deze voorwaarden wordt verstaan onder: (…) b. spaarbelegovereenkomst: de overeenkomst waaruit voor Spaarbeleg de verplichting ontstaat om: enerzijds de aan de jaarkas ten goede komende spaarstortingen van de inschrijvers in jaarkasverband te beheren en na afloop van de jaarkas bij in leven zijn van de verzekerden het aandeel in de jaarkas uit te keren en anderzijds om in geval van overlijden van de verzekerde vóór een in de polis bepaalde datum, te haren laste één of meer uitkeringen te doen van één of meer vooraf vastgestelde of tijdens de duur der verzekering nader vastgestelde bedragen, op grond van de gelijktijdig afgesloten verzekering (de verzekering); (…)” Artikel 18 van de genoemde voorwaarden luidt onder meer als volgt: “Krachtens de verzekering is Spaarbeleg gehouden tegen betaling van een overeengekomen premie om te haren laste bij overlijden van de verzekerde vóór afloop van de jaarkas aan begunstigde bij overlijden de overeengekomen uitkering(en) te doen.” Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de inhoud van met name deze artikelen, in samenhang gelezen met de rest van de voorwaarden en de hiervoor aangehaalde tekst van de brochures, de contractuele grondslag vormen voor een verplichting van de deelnemer tot betaling van een premie voor een overlijdensrisicoverzekering. Voldoende duidelijk blijkt dat er een verzekering wordt afgesloten teneinde een uitkering bij overlijden mogelijk te maken, hetgeen nodig is omdat de in de jaarkas beheerde spaarstortingen van een vóór het einde van de looptijd overleden deelnemer in de spaarkas blijven om aldus als overlevingswinst aan de overige deelnemers ten goede te komen. 4.18 Daarbij komt dat ook in de Brochure Spaarkassparen en in de Prospectus Spaarkasinschrijvingen uitdrukkelijk wordt gesproken van een overlijdensrisicoverzekering met voormeld doel (het verstrekken van een uitkering bij overlijden terwijl het spaartegoed aan de overlevende deelnemers toevalt), waarvoor een aparte overlijdensrisicopremie is verschuldigd. De Stichting c.s. heeft (in tegenstelling tot haar eerdere betwisting dat alle deelnemers die stukken hebben ontvangen) bij pleidooi in hoger beroep expliciet meegedeeld dat het ervoor gehouden kan worden dat ook de Brochure Spaarkassparen en de Prospectus Spaarkasinschrijvingen deel uitmaken van de contractsdocumentatie. Het hof gaat daarvan dan ook uit. De conclusie luidt dat voor de in de jaren 1989 tot en met 1998 afgesloten Koersplanovereenkomsten een contractuele grondslag bestaat voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie. Hoogte premie overeengekomen? 4.19 De volgende vraag is of de deelnemers aan het Koersplan de hoogte van de premie voor de overlijdensrisicoverzekering uit de contractsdocumentatie konden afleiden en zo nee, wat daarvan de consequentie moet zijn. De rechtbank heeft de eerste vraag wat betreft alle Koersplanovereenkomsten die in de jaren 1989 tot en met 1998 zijn gesloten ontkennend beantwoord (in r.o. 5.18 tot en met 5.20 van het eerste vonnis). Volledigheidshalve overweegt het hof het volgende. De rechtbank heeft aan dit oordeel wat betreft de overeenkomsten die tot stand zijn gekomen in de jaren 1989 en 1990 geen consequenties verbonden. De reden daarvoor was dat de gevorderde verklaring voor recht dat de premies van de overlijdensrisicoverzekering moeten worden bijgesteld (de tweede vordering zoals geciteerd in r.o. 2.2 van het vonnis van 6 augustus 2008) voor de aanvangsjaren 1989 en 1990 naar haar oordeel niet kon worden toegewezen. Voor deze jaren was door de Stichting slechts een vaststelling van de premie op “0” gevorderd en niet een door de rechtbank in redelijkheid vast te stellen percentage (zie r.o. 3.30 van het vonnis van 13 mei 2009, verder ook te noemen: het eindvonnis). Dit laat echter onverlet dat voormelde vraag (naar de kenbaarheid van de hoogte van de premie en de consequenties daarvan) in hoger beroep ook relevant is voor de overeenkomsten gesloten in de jaren 1989 en 1990. De Stichting c.s. komt immers ook op tegen r.o. 3.30 van het eindvonnis en de daarop gebaseerde afwijzing van de gevorderde verklaring voor recht. Hetgeen hierna wordt overwogen omtrent de kenbaarheid van de hoogte van de premie en de consequenties daarvan heeft dus ook betrekking op de Koersplanovereenkomsten die zijn afgesloten in de jaren 1989 en 1990. 4.20 Grief II.C van Aegon richt zich tegen genoemd oordeel van de rechtbank dat de deelnemers aan het Koersplan de hoogte van de premie voor de overlijdensrisicoverzekering niet uit de contractsdocumentatie konden afleiden. Aegon licht deze grief als volgt toe. Het Koersplan biedt de deelnemer tegen betaling van de inleg een belegging in een spaarkas en een verzekerd bedrag bij overlijden. De belegging in de spaarkas biedt aanspraak op een potentieel eindkapitaal. De aankoopbeslissing van de deelnemer zal zijn gebaseerd op enerzijds de prijs (de inleg, die bestaat uit een deel spaarstorting en een deel verzekeringspremie) en anderzijds de potentiële eindopbrengst (na afloop of bij tussentijds overlijden). Over deze elementen kon bij de deelnemer geen misverstand bestaan: de prijs wordt vermeld in de bevestigingsbrief en op het certificaat onder het kopje “inleg”, de brochure bevat de hoogte van de uitkering bij tussentijds overlijden, de historische voorbeeldrendementen en de netto rendementen die de deelnemer, afhankelijk van zijn inleg en het geprognosticeerd rendement mocht verwachten. Aegon stelt dat het voor deelnemers aan het Koersplan niet van belang is waaraan de inleg wordt besteed (aan spaarstortingen, overlijdensrisicopremie of kosten) en dat het dus niet relevant is hoe hoog de overlijdensrisicopremie is, zolang het geprognosticeerde nettorendement maar gehaald wordt. Het hof beoordeelt dit standpunt als volgt. Nu het zo is dat de spaarstorting enerzijds en de overlijdensrisicopremie (en eventueel daarin verborgen kosten anderzijds) communicerende vaten zijn, in die zin dat hoe hoger de premie wordt vastgesteld, hoe lager de spaarstorting is, gaat deze stelling niet op. Naarmate de spaarstorting lager is dan de deelnemer op grond van de contractsdocumentatie mocht verwachten, dient het beleggingsrendement van de spaarkas hoger te zijn om het voorgespiegelde eindkapitaal te halen. Bij een gelijkblijvend rendement haalt een deelnemer met een hoge overlijdensrisicopremie dus een lagere opbrengst dan waarop hij kon rekenen, uitgaande van een lage of gemiddelde hoogte van de premie. De hoogte van de premie vormt daarmee een wezenlijk element van de overeenkomst en de deelnemer heeft recht op juiste informatie daarover. Dat premie meer in het algemeen een wezenlijk element van een verzekering is wordt ook bevestigd in de definitie van het begrip verzekering in artikel 7:925 BW. 4.21 Aegon heeft voorts betoogd dat de wijze van informatievoorziening moet worden gezien in het normenkader dat gold in de jaren 1989 tot 1998, welk kader wezenlijk anders is dan nu. In die jaren werd het beginsel van zogenaamde indirecte transparantie gehanteerd, inhoudende dat verzekeraars aan de verzekeringnemers slechts informatie verstrekken die noodzakelijk is voor een goed begrip van de wezenlijke bestanddelen van de overeenkomst. Dit beginsel is gebaseerd op de Derde Levenrichtlijn (Richtlijn 92/96/EEG van de Raad voor de Europese Gemeenschappen van 10 november 1992, PB EG L 360 van 9 december 1992) en de Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1994 (in werking getreden op 1 juli 1994 en verder ook te noemen RIAV 1994) waarmee de Europese richtlijn in Nederland is geïmplementeerd. Aegon verwijst in dit kader ook naar de Code Rendement en Risico, door het Verbond van Verzekeraars is opgesteld en op 1 januari 1997 in werking is getreden. Uit deze regelgeving vloeit volgens Aegon voort dat verzekeraars geen informatie hoefden te verschaffen over de kosten en/of de verzekeringspremie; slechts de totale inleg diende vermeld te worden. De Stichting c.s. heeft gesteld dat uit de tekst van de Derde Levenrichtlijn (artikel 31 jo Bijlage II, sub A, a.7 en a.10), de RIAV 1994 (artikel 2 lid 2) en de Code Rendement en Risico nu juist volgt dat de deelnemer duidelijk, nauwkeurig en schriftelijk moet worden geïnformeerd over de hoogte van de premie. 4.22 Het hof oordeelt als volgt. In voormelde Bijlage II is bepaald dat aan de verzekeringnemer voor de sluiting van de overeenkomst duidelijke, nauwkeurige en schriftelijke inlichtingen moeten worden verstrekt over (onder andere) de premies voor iedere verzekeringsdekking, zowel de hoofddekking als de aanvullende dekkingen, indien zulke inlichtingen dienstig blijken (sub A, a.10); in artikel 2 van de RIAV 1994 was bepaald dat een verzekeraar die een overeenkomst van levensverzekering aanbiedt er zorg voor draagt dat de verzekeringnemer schriftelijk in kennis wordt gesteld van (onder andere) de premie verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor ieder van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd. Met de Stichting c.s. leidt het hof uit die bepalingen af dat op de verzekeraar wel degelijk de verplichting rustte de verzekeringnemer vooraf te informeren over de hoogte van de premie. Aegon heeft ook niet toegelicht uit welke bepalingen van Bijlage II zij afleidt dat kon worden volstaan met vermelding van de totale inleg. Ook overigens heeft Aegon, mede in aanmerking genomen het gemotiveerde verweer van de Stichting c.s., onvoldoende aangedragen om haar stelling te onderbouwen dat de toenmalige opvattingen meebrachten dat een verzekeraar geen informatie hoefde te verschaffen over de hoogte van een verzekeringspremie. Dit wordt ook gelogenstraft door de inhoud van de Prospectus Spaarkasinschrijvingen en de Brochure Spaarkassparen, waar door Aegon zelf naar verwezen wordt als bron van informatie voor de deelnemers. Zowel de Prospectus als de Brochure gaat ervan uit dat de verzekeraar aan de deelnemer meedeelt hoe hoog de spaarstorting, de premie en de kosten zijn bij een spaarkasovereenkomst; de Prospectus vermeldt dat de hoogte van de premie wordt weergegeven in het bewijs van inschrijving. In een door de Stichting c.s. overgelegde uitspraak van de Raad van Toezicht Verzekeringen van 13 november 2006 wordt verwezen naar deze passages uit de Prospectus en de Brochure en wordt mede op grond van die passages ter zake een kennelijk met het Koersplan vergelijkbaar product overwogen dat de verzekeraar de goede naam van het verzekeringsbedrijf heeft geschaad door niet aan klager duidelijk te maken welke premie voor de overlijdensrisicodekking verschuldigd was. Ook indien in ogenschouw wordt genomen dat de opvattingen over welke informatie door financiële instellingen aan consumenten moet worden verstrekt over financiële producten (ingrijpend) gewijzigd zijn sinds de jaren 1989-1998, geldt op grond van het hiervoor overwogene dat op Aegon ook toen de verplichting rustte de deelnemers te informeren over de hoogte van de premie. 4.23 Aegon heeft (subsidiair) gesteld dat zij die informatie heeft verstrekt doordat op basis van informatie in het certificaat op eenvoudige wijze kan worden berekend wat de omvang van de spaarstorting is en daarmee wat de omvang van de overlijdensrisicopremie is. De berekening vergt van de deelnemer, volgens de eigen stellingen van Aegon, dat deze informatie op het certificaat (het aantal beleggingseenheden) combineert met informatie uit de algemene voorwaarden (de bepaling van de omvang van een beleggingseenheid die volgt uit de elkaar in de loop der jaren opvolgende artikelen 3). De berekening van de omvang van de spaarstorting omvat zes afzonderlijke stappen en in een groot aantal gevallen is daarvoor een herleidingstabel nodig (alleen indien jaarbetalingen worden gedaan, volgens Aegon in ongeveer 11% van de Koersplan-overeenkomsten, is geen herleidingstabel nodig; in de algemene voorwaarden vanaf 1996 is niet langer gebruik gemaakt van de herleidingstabel). De herleidingstabel is door Aegon niet ter beschikking gesteld bij het aangaan van het contract en de wijze van berekening is in de contractsdocumentatie niet toegelicht. Het hof is van oordeel dat ook van een belegger die zich in de contractsdocumentatie heeft verdiept en die redelijk geïnformeerd en oplettend is, niet verwacht kon worden dat hij deze berekening zonder toelichting zou en kon uitvoeren. Dit betekent dat de stelling van Aegon niet opgaat dat het deel van de inleg dat wordt aangewend als spaarstorting eenvoudig bepaalbaar is en dat daarom evenmin de stelling opgaat dat daaruit door de deelnemers (op eenvoudige wijze) kan worden afgeleid wat de hoogte van de premie is. Aegon heeft de hoogte van de overlijdensrisicopremie daarmee niet (voldoende duidelijk) kenbaar gemaakt aan de deelnemers, zodat niet geoordeeld kan worden dat de eenzijdig door Aegon bepaalde premie met de deelnemers is overeengekomen. 4.24 Dat geldt om de volgende redenen ook voor de partij [geïntimeerde sub 4] en diegenen van de deelnemers die een vergelijkbaar inschrijfformulier als [geïntimeerde sub 4] hebben ingevuld Het inschrijfformulier van [geïntimeerde sub 4] luidt onder meer als volgt: “ Inleg f 626,22 Extra: Verzorgingstarief f……… Premievrijstelling bij invaliditeit f ……… -------------- f 626,22 Waarvan spaarstorting f 554,58 De definitieve premievaststelling geschiedt door het hoofdkantoor.” Het betreft een invulformulier, waarbij de hiervoor weergegeven bedragen handgeschreven zijn. Op de rest van het formulier komt het woord premie of overlijdensrisicoverzekering niet voor. Nu op het formulier niet wordt vermeld dat het verschil tussen de inleg en de spaarstorting wordt veroorzaakt door de inhouding van een overlijdensrisicopremie op de inleg, kan niet worden aangenomen dat [geïntimeerde sub 4] en de andere deelnemers die een dergelijk formulier hebben ingevuld wisten of hadden moeten begrijpen wat de hoogte van de overlijdensrisicopremie was. Op zich is juist dat uit de algemene voorwaarden kan worden opgemaakt dat de inleg bestaat uit spaarstortingen en premies, dat alleen de spaarstortingen ten goede komen aan de spaarkas, en dat de administratie-, beheers- en aankoopkosten ten laste van de spaarstorting c.q. het aandeel in de jaarkas worden gebracht. Mede gezien de verplichting van Aegon om de deelnemers duidelijk en nauwkeurig te informeren omtrent de hoogte van de premie, mag van een gemiddelde deelnemer, ook als die redelijk oplettend en geïnformeerd is, echter niet worden verwacht dat hij de informatie uit het formulier en uit de algemene voorwaarden zo zou combineren dat hem daaruit zonder nadere toelichting duidelijk moest zijn dat het verschil tussen inleg en spaarstorting niet kon zien op de in rekening te brengen kosten, maar op de hoogte van de premie. Dat het cijferkundig geen onredelijke aanname zou zijn om het verschil tussen inleg en spaarstorting op te vatten als kosten die door Aegon in rekening konden worden gebracht, blijkt uit hetgeen de Stichting c.s. bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft voorgerekend (onder 5.6 van de pleitnota). Daarbij merkt het hof nog op dat het tegen het moment van het naar voren brengen van die berekening gerichte bezwaar van Aegon wordt verworpen; anders dan Aegon stelt betreft deze berekening geen nieuwe grief, doch de uitwerking van de (onder meer onder 3.7.11 van de memorie van grieven van de Stichting c.s. verwoorde) grief dat [geïntimeerde sub 4] uit het inschrijfformulier slechts kon concluderen dat op de inleg bedragen aan kosten in mindering zouden worden gebracht. 4.25 Omdat, zoals hiervoor is overwogen, de hoogte van de premie niet in de contractsdocumentatie was opgenomen en evenmin voor de deelnemers voldoende bepaalbaar was, kan niet worden aangenomen dat die deelnemers met de door Aegon gehanteerde hoogte van de premie hebben ingestemd. De conclusie luidt dat aangenomen moet worden dat de hoogte van de overlijdensrisicopremie eenzijdig is bepaald door Aegon en dus niet met de deelnemers is overeengekomen. 4.26 Het verweer van Aegon dat de deelnemers in elk geval sinds 2001 jaarlijks (via het jaaroverzicht) expliciet zijn gewezen op het feit dat premie in rekening werd gebracht en dat zij daarom niet tijdig hebben geprotesteerd in de zin van artikel 6:89 BW gaat niet op. Weliswaar heeft Aegon onbetwist aangevoerd dat alle deelnemers in het Koersplan middels een brief van Spaarbeleg van 28 januari 2001 erop zijn gewezen dat een deel van de inleg wordt aangewend voor een overlijdensrisicopremie, maar uit die brief wordt niet duidelijk hoe hoog die premie is. Daarvoor moet de rekenexercitie worden uitgevoerd als hiervoor beschreven, waarvan aangenomen moet worden dat ook een redelijke oplettende en geïnformeerde deelnemer die niet zonder meer kon en zou uitvoeren. Gelet op de complexe, weinig inzichtelijke structuur van het beleggingsproduct is het redelijkerwijze verklaarbaar dat deelnemers niet onmiddellijk na deze brief bij Spaarbeleg zijn gaan protesteren. De Stichting c.s. heeft onbetwist aangevoerd dat [geïntimeerde sub 2] bij brief van 20 juli 2004 een klacht heeft ingediend bij Spaarbeleg en daarop op 6 augustus 2004 voor het eerst een specificatie ontving van de overlijdensrisicopremie. Gelet op voornoemde omstandigheden en het feit dat is gesteld noch gebleken dat Aegon door het tijdsverloop in een nadeliger positie is komen te verkeren moet worden aangenomen dat [geïntimeerde sub 2] (en daarmee de overige deelnemers waar de Stichting c.s. voor opkomt, waaronder [geïntimeerde sub 4] en [geïntimeerde sub 3]) binnen bekwame tijd in de zin van artikel 6:89 BW bij Aegon heeft/hebben geprotesteerd. Invulling van de leemte in de overeenkomst 4.27 Het hof is met de rechtbank van oordeel dat door het ontbreken van wilsovereenstemming over de hoogte van de premie sprake is van een “leemte” in de overeenkomst, die in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 6:248 BW dient te worden ingevuld door het bepalen van een redelijke premie. Conform artikel 3:12 BW dient daarbij rekening gehouden te worden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij deze zaak betrokken zijn. Voorts kan inspiratie worden ontleend aan artikel 7:4 BW, dat ziet op een koopovereenkomst die is gesloten zonder dat de prijs is bepaald. Het Koersplan is opgebouwd uit de volgende elementen: een belegging in een spaarkas, die aan het eind van de looptijd verdeeld wordt onder de overlevenden en een verzekering ter dekking van het overlijdensrisico, waarvoor premie verschuldigd is. De aard van die overeenkomst brengt met zich dat deze elementen niet losgekoppeld kunnen worden en dat niet één van die elementen, de overlijdensrisicopremie, uit het verband van de overeenkomst kan worden gehaald. Nu gedurende de looptijd van het Koersplan een overlijdensrisicoverzekering van kracht is en dekking wordt verleend, is Aegon gerechtigd daarvoor een zekere premie in rekening te brengen. Dat de premie van de overlijdensrisicoverzekering op 0 gesteld zou moeten worden, zoals de Stichting c.s. primair betoogt, is daarom niet in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid die partijen als contractspartners tegenover elkaar in acht dienen te nemen. 4.28 De discussie die in eerste aanleg is gevoerd over de vraag hoe de hoogte van de premie dan wel in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid moet worden bepaald, laat zich als volgt weergeven. In het eerste vonnis heeft de rechtbank partijen onder meer de gelegenheid geboden om zich uit te laten over de mogelijke consequenties van het ontbreken van wilsovereenstemming over de hoogte van de premie. In haar akte van 15 augustus 2007 heeft de Stichting c.s. aangevoerd dat bij het bepalen van een redelijke premie de volgende uitgangspunten dienen te worden gehanteerd: - slechts de netto actuariële kosten voor overlijdensrisicodekking mogen in rekening worden gebracht, gebaseerd op actuele sterftetafels die golden op het tijdstip van totstandkoming van de Koersplanovereenkomsten; - er dient rekening gehouden te worden met de looptijd van de overeenkomst en de leeftijd en het geslacht van de deelnemer; - er dient geen rekening gehouden te worden met een winstopslag of een opslag voor administratiekosten. Op basis van deze uitgangspunten heeft de Stichting c.s. een berekening laten maken door de Amsterdam School of Economics (d.d. 8 juli 2007, overgelegd als productie F bij die akte). Daaruit blijkt dat de hoogte van de kostprijs van de premie sterk afhankelijk is van leeftijd van de deelnemer en de looptijd van de overeenkomst en in mindere mate van het geslacht van de deelnemer, en dat een premie ter hoogte van 17% of 15,3% van de inleg (zoals deze inmiddels bedraagt na de zogenaamde productverbeteringen door Aegon per respectievelijk mei 2005 en 1 januari 2006) onredelijk hoog is voor de meeste deelnemers. Aegon heeft in haar daarop volgende akte van 10 oktober 2007 gesteld dat de in rekening gebrachte premie alleszins redelijk is, omdat het Koersplan ook met deze premiestelling doet wat het belooft. In de brochure waarmee het product onder de aandacht van het publiek is gebracht wordt aan de hand van een tabel getoond welk bedrag een deelnemer netto in handen kan krijgen (verder: getoond eindkapitaal) bij een bepaalde maandelijkse inleg tegen verschillende rendementen die als voorbeeld gebruikt worden (in procenten, bij voorbeeld 10%, 11%, 12%, verder te noemen voorbeeldpercentages). In de brochure worden verder historische (gerealiseerde) rendementen (verder: historische rendementen) getoond aan de hand waarvan de lezer kan beoordelen of de getoonde eindkapitalen haalbaar zijn. Aegon stelt dat de in rekening gebrachte overlijdensrisicopremies, zeker na de productverbetering van 2005, dusdanig zijn dat het product voor iedere deelnemer binnen een acceptabele bandbreedte qua rendement (verder ook te noemen: spread) doet wat in de brochure wordt getoond. Het voor de individuele deelnemers haalbare nettorendement wijkt niet substantieel af van de getoonde eindkapitalen. Aegon verwijst hierbij naar de door haar overgelegde berekeningen (aangeduid als de producties G-29 en G-30). Aegon heeft voorts aangevoerd dat bij de tarifering van verzekeringsproducten de volgende elementen een rol spelen: - sterftegrondslagen en rekenrente; - kostenparameters; - solvabiliteitseisen toezichthouder; - vergoeding kapitaalverschaffer; - opbrengst verzekering en de concurrentie. Voorzover opvulling van de leemte niet zou leiden tot het vaststellen van een premie gelijk aan de na de aanpassing in 2005 in rekening gebrachte premie, zou met deze elementen rekening gehouden moeten worden bij de bepaling van een redelijke rente, aldus Aegon. 4.29 Vervolgens is bij vonnis van 20 februari 2008 een comparitie van partijen bepaald, die heeft plaatsgevonden op 8 april 2008. In het vonnis van 6 augustus 2008 (verder: het derde vonnis) heeft de rechtbank geconstateerd dat beide partijen hun voorkeur hebben uitgesproken voor aanvulling van de overeenkomst door de rechtbank door middel van vaststelling van de hoogte van de premie met inachtneming van de aanvullende eisen van redelijkheid en billijkheid. Tegen deze constatering zijn geen grieven gericht. De rechtbank heeft daarna overwogen dat partijen op essentiële punten met elkaar van mening verschillen over de vraag welke uitgangspunten gehanteerd zouden moeten worden bij de invulling van de leemte. De rechtbank heeft Aegon vervolgens, overeenkomstig hetgeen zij in r.o. 3.11 van het derde vonnis heeft overwogen, in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de getoonde rendementen in vrijwel alle gevallen binnen de spread van de tabel met de in de brochures getoonde voorbeeldkapitalen vallen. 4.30 Bij akte bewijslevering van 3 september 2008 heeft Aegon verschillende stukken overgelegd, waaronder een rapport van [Z], een actuarieel bureau, dat de in de producties G-29 en G-30 opgenomen berekeningen heeft geverifieerd en gecorrigeerd, hetgeen heeft geresulteerd in de producties G-29 nieuw en G-30 nieuw, door Aegon overgelegd als producties G-37 en G-38. Bij antwoordakte van 1 oktober 2008 heeft de Stichting c.s. gereageerd op deze akte en de daarbij overgelegde berekeningen. In haar betoog heeft zij een vergelijking gemaakt tussen de premie die in het Koersplan betaald diende te worden voor een overlijdensrisicoverzekering en de premie voor een aparte overlijdensrisicoverzekering, in 1993 gesloten bij Ohra-levensverzekeringen N.V. op basis van de volgende gegevens: een 25-jarige man, een looptijd van 15 jaar en een overlijdensuitkering van f. 120.000, -. De premie voor die Ohra-verzekering bedraagt blijkens het als productie 6 overgelegde polisblad jaarlijks f. 228,66. Uit de door de Stichting c.s. op basis van die gegevens gemaakte vergelijking van een 25-jarige deelnemer aan Koersplan met een looptijd van 15 jaar enerzijds en de genoemde Ohra-verzekering met (in plaats van de hiervoor genoemde uitkering van f. 120.000,-) een vergelijkbare dekking als die het Koersplan biedt (het totaal aan ingelegde bedragen vermeerderd met 4% rente) anderzijds blijkt dat bij Ohra volstaan kon worden met 1,66% van de gedekte uitkering aan premie terwijl binnen het Koersplan 11,19% werd gerekend. 4.31 Na getuigenverhoren en conclusies na enquête van beide partijen heeft de rechtbank op 13 mei 2009 eindvonnis gewezen. In r.o. 3.17, 3.24 en 3.28 heeft de rechtbank geconstateerd dat Aegon de vergelijking van de Stichting c.s. met de losstaande Ohra-verzekering inhoudelijk niet heeft betwist. In r.o. 3.29 heeft de rechtbank vervolgens overwogen dat, nu Aegon er voor heeft gekozen geen inzicht te verschaffen in de inrichting van haar product, waardoor de rechtbank geen inzicht heeft gekregen in de door Aegon gerealiseerde marges, de stellingen van de Stichting c.s. aan de hand van de vergelijking met de Ohra-verzekering zullen worden gevolgd. De rechtbank heeft daarom de door de Stichting c.s. gevorderde verklaring voor recht toegewezen, in die zin dat de premies van de overlijdensrisicoverzekering voor de Koersplanovereenkomsten met aanvangsjaren 1991 tot en met 1998 moeten worden bijgesteld met een factor 1,66/11,19. 4.32 De rechtbank heeft in r.o. 3.9 van het eindvonnis de hiervoor onder 3.5 genoemde Aanbeveling (met instemming van partijen) als uitgangspunt genomen voor het bepalen van een redelijke overlijdensrisicopremie voor het Koersplan. Partijen hebben geen van beide (voldoende gemotiveerde) grieven tegen dit uitgangspunt gericht. Aegon lijkt in grief II.F weliswaar een klacht te richten tegen dit uitgangspunt, maar uit de bij die grief behorende toelichting en uit alinea 9.47 van de memorie van grieven in het beroep Aegon blijkt dat Aegon wel van mening is dat de Aanbeveling terecht als uitgangpunt is genomen, maar dat zij slechts klaagt over de wijze waarop de rechtbank dat uitgangspunt heeft uitgelegd en toegepast. Uit de in de Aanbeveling geschetste voorgeschiedenis blijkt dat de Ombudsman Financiële Dienstverlening (verder: de Ombudsman) een breed onderzoek heeft gedaan en overleg heeft gevoerd met zowel vertegenwoordigers van consumentenorganisaties en van verzekeraars als met de Autoriteit Financiële Markten, De Nederlandsche Bank, de Nederlandse Mededingingsautoriteit en het Ministerie van Financiën. Gelet op het voorgaande zal ook het hof bij het invullen van de leemte in de overeenkomst tussen partijen uitgaan van de inhoud van de Aanbeveling en de achterliggende opvattingen die daaruit blijken. 4.33 Partijen verschillen van mening over de uitleg van de Aanbeveling. Met grief II.E komt Aegon op tegen de verwerping door de rechtbank van de wijze waarop volgens Aegon de Aanbeveling moet worden uitgelegd. Aegon heeft het volgende gesteld. De Aanbeveling gaat uit van een maximering van het totaal aan inhoudingen wegens kosten en berekent dit maximum aan het einde van de looptijd van de beleggingsverzekering. De kostenmaximering houdt in dat het eindkapitaal van een overeenkomst minimaal gelijk moet zijn aan het eindkapitaal van een identieke overeenkomst, waarbij de totale kosten jaarlijks niet meer bedragen dan 3,5% van de op dat moment aanwezige fondswaarde. Er worden vervolgens twee berekeningen gemaakt: een berekening van het eindkapitaal op basis van de werkelijke polis, waarbij alle kosten en (risico)premies in rekening worden gebracht en een berekening op basis van een modelpolis, waarbij alle kosten worden vervangen door een jaarlijkse heffing van 3,5% over de (fictieve) fondswaarde. Indien de deelnemer bij de berekening op basis van de modelpolis een hogere eindwaarde krijgt dan bij de berekening op basis van de werkelijke polis, krijgt hij dit verschil op de einddatum gecompenseerd. De Stichting c.s. heeft de op grond van de Aanbeveling te volgen methodiek van compensatie tot zover niet betwist. Aegon heeft echter vervolgens gesteld dat de risicopremie (die op grond van punt 6 van de Aanbeveling niet tot de kosten kan worden gerekend) volgens de Aanbeveling dient te worden genormeerd en dat, indien en voor zover een premie wordt ingehouden die boven die norm zit, de onder 3 voorziene vergelijking tussen werkelijke polis en modelpolis ertoe leidt dat het meerdere valt onder de in het kader van de hiervoor weergegeven berekening te maximaliseren kosten. De Stichting c.s. heeft deze uitleg van de Aanbeveling gemotiveerd betwist. 4.34 Op zichzelf is juist dat toepassing van de in de Aanbeveling onder 3 omschreven vergelijking per saldo ertoe lijkt te leiden dat de verzekeraar naast de (overeenkomstig punt 7) te maximeren overlijdensrisicopremie een jaarlijks bedrag van 3,5% van de aanwezige fondswaarde (ofwel 3,5% van het bruto fondsrendement) uit hoofde van kostendoorberekening mag “behouden”. Volgens de tekst van punt 3 van de Aanbeveling wordt het kapitaal van de werkelijke polis immers vergeleken met het kapitaal van een identiek contract, waarbij alle kostensoorten zijn vervangen door een jaarlijkse heffing van 3,5% over het fonds. Uit (de toelichting op) de Aanbeveling kan echter worden opgemaakt dat de Aanbeveling bij dit alles uitgaat van de vooronderstelling dat de door de verzekeraar gehanteerde kosten hoger zijn dan 3,5 % van de fondswaarde. Gelet op de achtergrond van de Aanbeveling en het daarin tot uitdrukking gebrachte streven om de kosten en de daarvan te onderscheiden overlijdensrisicopremie afzonderlijk te maximeren, acht het hof het een redelijke uitleg dat het in punt 3 van de Aanbeveling genoemde percentage van 3,5% wordt toegepast indien de door de verzekeraar gehanteerde kosten hoger zijn dan de jaarlijkse heffing van 3,5% over de fondswaarde. Bij de Koersplanovereenkomsten is dat niet het geval, zodat het betoog van Aegon dat de kosten mogen worden “opgeplust” naar het niveau van de jaarlijkse heffing van 3,5% over de fondswaarde niet opgaat. Grief II.E gaat dus niet op. 4.35 Vervolgens betoogt Aegon met grief II.F dat de rechtbank heeft veronachtzaamd dat de Aanbeveling niet meer was dan een uitgangspunt voor de vaststelling van de redelijke premie. Aegon heeft in dit kader aangevoerd dat de Aanbeveling een raamwerk beoogde te bieden aan verzekeraars en de belangenbehartigers van hun polishouders om op basis van de specifieke portefeuille van de betreffende verzekeraar invulling te geven aan de beoogde kostenmaximering. Vrijwel alle grote verzekeraars hebben inmiddels invulling gegeven aan (onder andere punt 7 van) de Aanbeveling door hierover bilaterale afspraken te maken met de belangenbehartigers van de polishouders. De verzekeraars die nog geen akkoord hebben gesloten, volgen deze afspraken eveneens. Omdat er, anders dan waar de Aanbeveling van uitgaat, niet zoiets bestaat als een marktconforme (kostenopslag op de) risicopremie, is in de akkoorden de risicopremie waarvan bij de normkostenberekening van de polis zou moeten worden uitgegaan, gestandaardiseerd en is er een “genormeerde premie” voorgeschreven, gelijk aan de kostprijs (d.w.z. een “kale” overlijdensrisicoverzekering), gebruteerd met een vast percentage. Daarbij zijn tevens afspraken gemaakt over de te hanteren objectieve maatstaven, waaronder de te hanteren sterftetafels. Afgesproken is dat uitsluitend de genormeerde bruto risicopremie buiten beschouwing wordt gelaten bij de optelsom van kosten en risicopremie; alle overige kosten en opslagen, ook voor zover deze zijn verdisconteerd in de daadwerkelijk door verzekeraars in rekening gebrachte overlijdensrisicopremie, tellen onverkort mee voor het kostenmaximum. In navolging van vrijwel alle grote verzekeringsmaatschappijen heeft Aegon voormelde afspraken neergelegd in de regeling die zij op 9 juli 2009 getroffen heeft met de Stichting Verliespolis en de Stichting Woekerpolisclaim (verder te noemen: het akkoord met de belangenbehartigers). Daarin is onder meer opgenomen dat bij de zogenaamde normkostenberekening van de polis wordt uitgegaan van een genormeerde risicopremie (de kale risicopremie gebruteerd met 16%), het daarboven als overlijdensrisicopremie in rekening gebrachte telt mee bij de berekening van het kostenmaximum. Dit akkoord komt overeen met regelingen die door andere verzekeraars zijn gesloten naar aanleiding van de Aanbeveling en weerspiegelt de inmiddels bereikte maatschappelijke consensus over een aanpassing van de kostenstructuur van beleggingsverzekeringen. Volgens Aegon heeft ook de Ombudsman ingestemd met dit akkoord (hij heeft bij e-mailbericht van 23 juni 2009 laten weten dat de aangeboden regeling een redelijke en juiste toepassing is van de Aanbeveling en in lijn met de eerder overeengekomen regelingen is. Invulling van de leemte in het Koersplan op dezelfde wijze als in het akkoord met de belangenbehartigers komt daarom overeen met de eisen van redelijkheid en billijkheid aldus Aegon. 4.36 Afgezien van de vraag of de door Aegon gestelde maatschappelijke consensus is bereikt (hetgeen door de Stichting c.s. gemotiveerd wordt betwist) en of deze consensus tot uitdrukking is gebracht in het akkoord met de belangenbehartigers, geldt dat dit akkoord een compromis betreft dat mede is gebaseerd op de door Aegon voorgestane, maar hiervoor onder 4.34 verworpen, uitleg van de Aanbeveling, welk compromis uitdrukkelijk door de Stichting c.s. van de hand is gewezen. Ook de Ombudsman gaat ervan uit dat de regelingen een compromisgehalte hebben. Nog daargelaten de door de Stichting c.s. gemaakte opmerkingen over de vraagstelling die heeft geleid tot het namens de Ombudsman geschreven e-mailbericht van 23 juni 2009 geldt dat dit e-mailbericht in het licht van het hiervoor overwogene onvoldoende gewicht in de schaal legt om de akkoorden met de belangenbehartigers leidraad te laten zijn in het onderhavige geschil tussen Aegon en degenen die het akkoord niet omarmd hebben. Invulling van de leemte in het Koersplan op die basis acht het hof daarom niet in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid. 4.37 Vervolgens heeft Aegon een grief gericht (op blz. 85 van haar memorie van grieven) tegen de beslissing van de rechtbank, gebaseerd op de vergelijking met de Ohra-verzekering, dat de premies van de overlijdensrisicoverzekering voor de Koersplanovereenkomsten met aanvangsjaren 1991 tot en met 1998 moeten worden bijgesteld met een factor 1,66/11,19. In de eerste plaats heeft zij aangevoerd dat de Stichting c.s. deze stellingen heeft ingenomen in het kader van het debat over de andere grondslag van haar vordering, misleiding, en dat Aegon daarom overvallen werd door het feit dat de rechtbank deze stellingen plotseling als uitgangspunt nam voor de vaststelling van een redelijk premieniveau. Wat hier ook van zij, deze grief mist belang omdat Aegon (in elk geval) in hoger beroep de gelegenheid had deze stellingen inhoudelijk te betwisten en om zelf concreet te maken hoe hoog een redelijke premie bij het Koersplan dan wel had moeten zijn. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over het tussen partijen geldende uitgangspunt lag het voor de hand dat Aegon daarvoor punt 7 van de Aanbeveling als uitgangspunt zou nemen (“de premie die bij dezelfde verzekeraar voor een vergelijkbaar risico bij een zelfstandige risicoverzekering in rekening wordt gebracht op het moment van afsluiten van die verzekering”) en zou aangeven welke premie bij Aegon zelf (of bij andere verzekeraars) voor een vergelijkbaar risico bij een zelfstandige risicoverzekering in rekening werd gebracht. Aegon heeft dit echter ook in hoger beroep nagelaten en heeft de stelling van de Stichting c.s. omtrent de vergelijking met de Ohra-verzekering niet inhoudelijk betwist, maar alleen “bij gebrek aan wetenschap”. Aegon heeft vervolgens betoogd dat het bijstellen van de premie met factor 1,66/11,19 desastreus uitpakt omdat Aegon wordt gedwongen om bij 85% van de Koersplanovereenkomsten een premie in rekening te brengen die lager ligt dan de actuariële kostprijs. Het feit dat in dit specifieke geval, met inachtneming van de in dit specifieke geval geboden dekking, sprake was van een premie van 1,66% zegt niets over de verhouding tussen premies bij andersoortige dekkingen, aldus Aegon. Voor zover de rechtbank heeft willen vergelijken met een marktconforme premie, doet dit geen recht aan de maatschappelijke realiteit. Doordat verzekeraars verschillende tariefstructuren hanteren en de kosten verschillend alloceren is iedere vergelijking met een premie die door een derde verzekeraar in rekening wordt gebracht willekeurig. 4.38 De (kennelijk) bewuste keuze van Aegon om geen vergelijking te maken met de premie die voor een vergelijkbaar risico bij een zelfstandige risicoverzekering in rekening wordt gebracht keert zich tegen haar. Indien de Aanbeveling van de Ombudsman immers tot uitgangspunt wordt genomen, waar ook Aegon zich mee verenigd heeft, dient deze vergelijking wel te worden gemaakt. Nu de Ombudsman kennelijk van oordeel was, op basis van onderzoek en consultatie, dat wel degelijk een vergelijking kon worden gemaakt zoals weergegeven in punt 7 van de Aanbeveling, ook al hanteren verzekeraars verschillende premies in een concurrerende markt, gaat het hof er ook vanuit dat dit mogelijk is. Daarbij komt dat uit hetgeen Aegon heeft gesteld, zoals hiervoor aangehaald, over de inhoud van het akkoord met de belangenbehartigers (meer in het bijzonder de afspraken over een genormeerde premie gelijk aan de kostprijs, gebruteerd met een vast percentage) en over objectieve maatstaven (zoals te hanteren sterftetafels) valt af te leiden dat het wel degelijk mogelijk is per leeftijdscategorie de prijs van een “kale”overlijdensrisicoverzekering vast te stellen. Nu Aegon echter het voor de vergelijking benodigde vergelijkingsmateriaal niet heeft geleverd, terwijl dit wel op haar weg had gelegen, heeft zij daarmee de stellingen van de Stichting c.s. onvoldoende betwist. Of het zo is dat bij het aanpassen van de premie in het Koersplan met een factor 1,66/11,19 de premie in het merendeel van de gevallen lager uitkomt dan de actuariële kostprijs kan het hof niet nagaan, bij gebreke van onderbouwing van die stelling door Aegon. Er bestaat geen aanleiding Aegon alsnog in de gelegenheid te stellen nadere informatie in het geding te brengen over de productinrichting en de kostenstructuur van het Koersplan, zoals zij heeft aangeboden in haar memorie van antwoord in incidenteel beroep; Aegon heeft hiervoor in elk geval in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad. Aangezien Aegon niet heeft voldaan aan haar stelplicht, komt het hof niet toe aan bewijslevering op dit punt. 4.39 De Stichting c.s. heeft vervolgens gesteld dat niet van een factor 1,66/11,19 dient te worden uitgegaan, omdat in de Ohra-premie van 1,66%, die als vergelijkingsmateriaal gebruikt is, ook kosten verdisconteerd zijn. Op dit punt heeft de Stichting c.s. een grief tegen het eindvonnis van de rechtbank gericht; zij stelt dat uitgegaan moet worden van een “zuivere” premie (een premie exclusief (oneigenlijke) toeslagen) van 0.9%. In punt 7 van de Aanbeveling is echter bepaald dat vergeleken moet worden met “een premie die bij dezelfde verzekeraar voor een vergelijkbaar risico bij een zelfstandige risicoverzekering in rekening wordt gebracht op het moment van afsluiten van die verzekering”. Het hof begrijpt daaruit dat bij de premie die bij die vergelijking in aanmerking dient te worden genomen (te weten een marktconforme premie voor een zelfstandige overlijdensrisicoverzekering waarin gewoonlijk kosten en marge zullen zijn begrepen als “eigenlijke opslagen”) vervolgens niet nog eens “oneigenlijke opslagen” opgeteld moeten worden. Dat van de premie die als vergelijkingsmateriaal gebruikt wordt alleen de netto kostprijs in aanmerking genomen moet worden volgt dus niet uit de tekst van de Aanbeveling. Deze grief van de Stichting c.s. zal dan ook als onvoldoende gemotiveerd worden verworpen. 4.40 Aegon heeft nog aangevoerd dat de waarde van het Koersplan niet wijzigt door de premie met terugwerkende kracht te herberekenen, omdat vastligt welk deel van de inleg als spaarstorting wordt aangewend. Hiervoor is overwogen dat niet uit de overeenkomst, ook niet gelezen in combinatie met de algemene voorwaarden, kan worden opgemaakt wat de omvang van de spaarstorting is; dit verweer gaat daarom niet op. Nu het hier gaat om het invullen van de leemte in de overeenkomst tussen partijen gaat de redenering van Aegon dat de vordering van de Stichting c.s. een vordering van nakoming betreft die inmiddels verjaard is evenmin op, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen in r.o. 3.33 van het eindvonnis. 4.41 Aegon heeft in eerste aanleg gesteld dat de bij het Koersplan in rekening gebrachte overlijdensrisicopremies, zeker na de productverbetering van 2005, dusdanig zijn dat het product voor iedere deelnemer binnen een acceptabele bandbreedte qua rendement doet wat in de brochure getoond wordt, zodat de premie op het huidige niveau gehandhaafd kan worden en aanpassing niet nodig is. Dit betoog is in hoger beroep door Aegon herhaald maar meer in het kader van een verweer tegen het verwijt van misleiding, zo lijkt te volgen uit de rangschikking van hoofdstuk 10 in de memorie van grieven en de betiteling van dit hoofdstuk. Het hof zal daarom hierna op dit betoog ingaan bij de behandeling van de gestelde misleiding. 4.42 De conclusie luidt dat de grieven die zijn aangevoerd tegen de wijze waarop de rechtbank de leemte in de overeenkomst heeft ingevuld falen. De consequenties hiervan voor de vorderingen zoals de Stichting c.s. die in hoger beroep heeft ingesteld zullen hierna onder “Slotsom” worden behandeld. Misleiding 4.43 De Stichting c.s. heeft in het door haar ingestelde hoger beroep onder 10 gevorderd als volgt: “dat het hof zal verklaren voor recht dat Aegon zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding door bij de maatmanberekeningen te verzwijgen dat de in te houden overlijdensrisicopremie (substantieel) hoger kon zijn dan waarvan bij de maatmanberekening is uitgegaan, alsmede te verzwijgen dat dit van invloed was op de hoogte van het te behalen rendement voor zover de herberekening als bedoeld in de onder 2), 5) en 8) geformuleerde vorderingen als uitkomst kent dat de overlijdensrisicopremie op een lager bedrag wordt bepaald dan de premie waarvan in de maatmanberekeningen voor de betrokken deelnemer is uitgegaan.” In r.o. 3.38 van het eindvonnis heeft de rechtbank overwogen dat de gevorderde verklaring voor recht een voorwaarde bevatte, waaraan niet was voldaan. De Stichting c.s. heeft deze voorwaarde in hoger beroep anders geformuleerd, zoals blijkt uit het hiervoor cursief weergegeven deel van het citaat. Gelet op het hiervoor overwogene, zal deze voorwaarde voor een substantieel deel van de deelnemers van Koersplan of de bij de Stichting geregistreerde belanghebbenden opgaan, zodat de vordering in het kader van deze collectieve actie behandeld kan worden. 4.44 Artikel 6:194 BW, zoals dat luidde vóór 15 oktober 2008 (verder: art. 6:194 (oud) BW) bepaalt dat een aanbieder van goederen of diensten die door hem in de uitoefening van een bedrijf worden aangeboden onrechtmatig handelt wanneer hij een mededeling openbaar maakt en deze mededeling in één of meerdere opzichten misleidend is. Op 15 oktober 2008 is dit artikel gewijzigd in die zin dat het nog slechts van toepassing is op transacties tussen handelaren onderling en niet op een transactie tussen één handelaar en (een grote groep) consumenten. Het hof gaat er vanuit dat op dat tijdstip in deze zaak reeds was voldaan aan alle vereisten voor mogelijke aansprakelijkheid van Aegon, zodat art. 6:194 (oud) BW in deze zaak van toepassing is. 4.45 Bij de beantwoording van de vraag of een prospectus misleidend is in de zin van artikel 6:194 (oud) BW moet worden uitgegaan van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone belegger tot wie de mededeling zich richt of die zij bereikt (aldus de Hoge Raad in het arrest van 27 november 2009, LJN: BH2162). Van deze “maatman-belegger” mag worden verwacht dat hij bereid is zich in de aangeboden informatie te verdiepen, maar niet dat hij beschikt over specialistische of bijzondere kennis en ervaring. Van misleiding zal met name sprake kunnen zijn indien de mededeling onjuist of onvolledig is. De feitelijke vaststelling dat sprake is van een onjuiste of onvolledige mededeling brengt echter nog niet mee dat deze ook misleidend is. Daartoe is nodig dat de mededeling de beleggers (in de woorden van artikel 2 lid 2 van de achterliggende Europese richtlijn, 84/450/EEG) “misleidt of kan misleiden en door haar misleidende karakter hun economische gedrag kan beïnvloeden”. Bij de beoordeling of dit het geval is moet worden uitgegaan van de hiervoor bedoelde maatman-belegger. Een onjuiste of onvolledige mededeling kan pas als misleidend worden gekwalificeerd, indien redelijkerwijs aannemelijk is dat de mededeling, gelezen in de context waarin deze is geplaatst, van materieel belang is voor de beleggingsbeslissing van de maatman-belegger. In dat geval is immers aannemelijk dat de onjuistheid of onvolledigheid redelijkerwijs het economisch gedrag van de maatman-belegger kan beïnvloeden. Voor de kwalificatie van de mededeling als misleidend is niet vereist dat de belegger daadwerkelijk heeft kennisgenomen van of daadwerkelijk is beïnvloed door de mededeling, maar slechts dat de onjuistheid of onvolledigheid van de mededeling van voldoende materieel belang is om de maatman-belegger te kunnen misleiden. Het gaat er dus om of de mededeling op zichzelf genomen een misleidend karakter heeft. Is dat het geval dan handelt degene die de mededeling doet en openbaar maakt onrechtmatig. Pas in het kader van de vaststelling van de omvang van de aansprakelijkheid jegens een individuele belegger komt aan de orde of en, zo ja, in hoeverre deze bij zijn beleggingsbeslissing daadwerkelijk door de misleidende mededeling is beïnvloed en als gevolg daarvan benadeeld. 4.46 Tegen deze achtergrond oordeelt het hof als volgt. De Stichting c.s. heeft als drie meest in het oog springende punten van misleiding genoemd: a. het niet informeren door Aegon van de deelnemers aan het Koersplan over de hoogte van de overlijdensrisicopremie; b. het presenteren van gelijke eindkapitalen voor alle deelnemers van het Koersplan, terwijl er door de per deelnemer variërende hoogte van de overlijdensrisicopremie grote verschillen bestonden tussen de voor iedere deelnemer bereikbare eindkapitalen; c. het voorspiegelen van onjuiste eindkapitalen als gevolg van een evidente rekenfout. Dat Aegon de deelnemers aan het Koersplan niet heeft geïnformeerd over de hoogte van de voor hen geldende overlijdensrisicopremie is hiervoor reeds vastgesteld. Ook staat vast dat in de brochure en het certificaat eindkapitalen worden genoemd, die zijn gebaseerd op een maatman-berekening. Aegon stelt echter dat de op deze wijze berekende eindkapitalen niet substantieel afwijken van hetgeen een deelnemer op grond van zijn individuele situatie mocht verwachten. In dat verband betoogt zij dat de bij het Koersplan in rekening gebrachte overlijdensrisicopremies, zeker na de productverbetering van 2005, dusdanig zijn dat het product voor iedere deelnemer binnen een acceptabele bandbreedte qua rendement doet wat in de brochure getoond wordt, zodat de premie op het huidige niveau gehandhaafd kan worden en aanpassing niet nodig is. Het voor de individuele deelnemers haalbare nettorendement wijkt niet substantieel af van de getoonde eindkapitalen, aldus Aegon. 4.47 De Stichting c.s. heeft aangevoerd dat de redenering van Aegon alleen daarom al niet opgaat omdat de getoonde eindkapitalen niet meer zijn dan een weergave van de mogelijke eindkapitalen bij diverse rendementspercentages. Van belang is echter slechts het werkelijk realiseerbare eindkapitaal, dat wordt bepaald door de hoogte van de inleg enerzijds en de beleggingsresultaten anderzijds. In de brochure en het certificaat worden door Aegon eindkapitalen genoemd, gebaseerd op bepaalde rendementspercentages en uitgaande van de inleg die op het certificaat genoemd werd. Daarbij wordt echter geen rekening gehouden met het feit dat van de inleg nog de premie overlijdensrisicoverzekering moet worden afgetrokken; het genoemde eindkapitaal gaat uit van een premie van 0% en is dus feitelijk niet realiseerbaar. De Stichting c.s. heeft dit betoog toegelicht door te verwijzen naar een interne prognose van Aegon van een eindkapitaal in een individueel geval (overgelegd door Aegon als productie G-23 bij conclusie van dupliek) waarbij wel rekening gehouden werd met inhouding van de premie, waardoor de geprognosticeerde eindkapitalen lager uitkwamen. Bij een inleg van f. 50,- per maand gedurende 15 jaar met een verwacht rendement van 12% komt het eindkapitaal f. 3.600,- lager uit dan het kapitaal dat in de brochure van het jaar 1990 vermeld staat, aldus de Stichting c.s. 4.48 Het hof oordeelt als volgt. Aegon heeft niet betwist dat het (realiseerbare) eindkapitaal in dit voorbeeld lager uitkomt dan het getoonde eindkapitaal. Aegon voert slechts als verweer dat de interne berekening wijst op een individuele deelnemer, terwijl in de brochures wordt gerekend met een maatman, waarbij Aegon “nergens de indruk heeft gewekt dat in het informatiemateriaal sprake was van een geïndividualiseerd rendement”. Aegon heeft in dit kader onder meer aangevoerd dat aan de deelnemers middels de brochures voldoende duidelijk is gemaakt dat daarin de nettorendementen (inhoudende rendementen van de spaarstortingen, na aftrek van kosten) zijn weergegeven; boven de tabel met getoonde eindkapitalen staat immers dat het gaat om “Belastingvrij uit te keren vermogen” dat de deelnemers “netto (dus na aftrek van alle kosten)” zullen ontvangen. Dat neemt echter niet weg dat in de toelichting boven die tabel wordt vooropgesteld: “Stel, u legt gedurende 15 jaar een bedrag van 100 gulden per maand in”, terwijl in de certificaten met “maandelijkse inleg” wordt gedoeld op het totale bedrag dat de deelnemers maandelijks dienen te betalen (dus premie en spaarstorting). In de brochures is niet (voldoende) duidelijk gemaakt dat aldaar, in afwijking van hetgeen elders onder inleg werd verstaan, slechts werd gedoeld op een spaarstorting van f. 100,- per maand. De gemiddelde lezer zal er dan ook van zijn uitgegaan dat de rendementen die werden voorgespiegeld behoorden bij een totale maandelijkse inleg van f. 100,-. Afgezien van de vraag of de deelnemers van het Koersplan op deze wijze goed zijn voorgelicht, geldt dat de stelling van de Stichting c.s. dat het getoonde eindkapitaal met de genoemde voorbeeldpercentages niet realiseerbaar was daarmee niet (voldoende gemotiveerd) wordt betwist. 4.49 Dat doet Aegon ook niet door te verwijzen naar de zogenaamde spread of bandbreedte. Aegon heeft een vergelijking gemaakt tussen de historische rendementen die worden genoemd in de brochure en de rendementen zoals die volgens de producties G-29 nieuw en G-30 nieuw (de door [Z] gecorrigeerde berekeningen) zouden gelden wanneer deze waren berekend op basis van de geïndividualiseerde situatie van een deelnemer. Zoals de Stichting c.s. terecht heeft betoogd, zegt dit echter weinig, omdat de functie van de spread in de brochure niet anders kan worden uitgelegd dan dat deze was bedoeld om potentiële deelnemers te tonen welke kapitalen bereikt konden worden bij verschillende beleggingsrendementen en looptijden, terwijl het gaat om het eindkapitaal dat met deze geïndividualiseerde rendementen behaald kan worden. Ter voorbeeld kan dienen het feit dat in de brochure 1989 voor een Koersplanovereenkomst met een looptijd van 12 jaar een historisch rendement over het jaar 1983 is gepresenteerd van 15,9%. Uit de door Aegon als G-29 nieuw overgelegde tabel valt af te leiden dat in 1983 bij een overeenkomst met een looptijd van 12 jaar hooguit (door deelnemers onder de 8 jaar oud) een rendement van 15,7% behaald kon worden. Dat het voorgespiegelde rendement over het jaar 1983 wel kon worden behaald met overeenkomsten met een looptijd van 20 dan wel 25 jaar (waardoor het rendement van 15,9% wel in de spread van 13,2% tot 16,0% valt) doet er niet aan af dat het in de brochure voorgespiegelde historisch rendement, ook in de visie van Aegon, niet realiseerbaar was. Ook na de door Aegon doorgevoerde productverbetering kon, zoals blijkt uit productie G-30 nieuw, bij overeenkomsten met een looptijd van 12 jaar in het jaar 1983 (door geen enkele maatman) een rendement van 15,9% worden behaald. In haar memorie van antwoord in het beroep Aegon heeft de Stichting c.s. (in navolging van het door haar reeds bij dagvaarding en bij antwoordakte van 1 oktober 2008 gestelde) voorts nog gewezen op het feit dat in de certificaten van de deelnemers [X] en [Y] (overgelegd als productie 14 bij de inleidende dagvaarding), die beiden in 1992 een Koersplanovereenkomst met een looptijd van 15 jaar zijn aangegaan, telkens is opgenomen “Inleg per maand: f. 100,-” en “Indicatie bij een gemiddeld rendement op de inleg: 10% f. 40.200,- (…)”, zulks terwijl de premie die [X] (destijds [leeftijd]) betaalde 12,47% van de inleg bedroeg, en de premie van [Y] (destijds [leeftijd]) 29,94% van de inleg bedroeg. Daardoor is van iedere f. 100,- van [X] een bedrag van f. 87,53 belegd, terwijl dat voor iedere f. 100,- van [Y] slechts f. 70,06 was. Dientengevolge was het door [X] (die – daar zijn partijen het over eens – min of meer gelijk te stellen was aan de in de brochure van 1992 gebruikte maatman) te bereiken eindkapitaal 25% (87,53/70,06 – 1) hoger, dan het door [Y] te bereiken eindkapitaal. Aldus kunnen de verschillen in te realiseren eindkapitaal wel degelijk aanzienlijk zijn. Aegon heeft ook voormelde berekening ten aanzien van het verschil in premie en het daaruit voortvloeiende verschil in te bereiken eindkapitaal voor [X] en [Y] niet (gemotiveerd) betwist. 4.50 Daarbij komt dat Aegon heeft erkend dat in de brochures 1989 tot en met 1994 voor de berekening van de getoonde historische rendementen voor de jaren 1983 tot en met 1988 is uitgegaan van een beleggingsrendement over een looptijd van 15,5 jaar, terwijl van een looptijd van 15 jaar uitgegaan had moeten worden. Zij stelt echter dat hier sprake is van een onvolkomenheid met een beperkt effect waardoor het historische rendement in 1989 1,3% te hoog is voorgespiegeld, in 1990 1,1% en dan aflopend tot 0,2% in 1994. Dit is door Aegon gecorrigeerd door bij de berekende nettorendementen in de producties G-29 en G-30 voor de jaren 1983 tot en met 1989 1,1% op te tellen; deze correctie van 1,1% is vervolgens ook in het rapport [Z] (en de tabellen G-29 nieuw en G-30 nieuw) doorgevoerd (zie blz. 16 en 17 van genoemd rapport). Daarmee staat vast dat die tabellen over de jaren 1983 tot en met 1989 te hoge rendementen voorspiegelen, waarmee het verschil in het hiervoor gegeven voorbeeld tussen het gepresenteerde historisch rendement en het werkelijk haalbare rendement over die jaren (als berekend in G-29 en G-30 (oud en nieuw)) nog groter is. 4.51 Gelet op het hiervoor overwogene, waarbij nog komt dat de Stichting c.s. in de antwoordakte bewijslevering van 1 oktober 2008 (in de alinea’s 3.1 tot en met 3.53) uitgebreid gemotiveerd heeft betoogd dat de gevolgen van voormelde fout aanzienlijk zijn en vooral bij lange looptijden tot substantiële verschillen in het te bereiken eindkapitaal leiden, heeft Aegon haar stelling dat het voor individuele deelnemers haalbare eindkapitaal niet substantieel afwijkt van de in de brochure en het certificaat getoonde eindkapitalen onvoldoende onderbouwd. De grief met deze inhoud wordt daarom gepasseerd. 4.52 Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de door Aegon gegeven informatie in de contractsdocumentatie in elk geval op de door de Stichting c.s. hiervoor genoemde drie punten onvolledig en onjuist was. Voorts is het hof van oordeel, op grond van de voorgaande overwegingen, dat deze informatie gelezen in de context van de brochure en de overige contractsdocumentatie van materieel belang was voor de beleggingsbeslissing van de door de Hoge Raad aangeduide maatman-belegger en dus van voldoende materieel belang om die maatman-belegger te kunnen misleiden. 4.53 De op dit punt door de Stichting c.s. aangevoerde grief gaat op en de sub 10 gevorderde verklaring voor recht ligt voor toewijzing gereed, zoals hierna nog zal worden overwogen. Buitengerechtelijke kosten 4.54 De rechtbank heeft in r.o. 3.39 van het eindvonnis de vordering van de Stichting c.s. ter zake buitengerechtelijke kosten afgewezen, aangezien de Stichting c.s., ondanks betwisting door Aegon, niet had onderbouwd dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten. De hiertegen gerichte grief klaagt slechts dat dit ten onrechte is en geeft niet aan waarom dat zo is. Deze grief faalt daarmee. Subsidiair vordert de Stichting c.s. op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW een vergoeding van de kosten die zij heeft besteed aan door Capital Consult uitgevoerde werkzaamheden, onder meer voor het opmaken van diverse rapporten en het bijwonen van een bespreking door [Q] van dat bureau. De Stichting c.s. stelt dat zij deze rapporten heeft moeten laten opmaken om inzicht te krijgen in de methodiek van het Koersplan en in de omvang van de geleden schade. Mede op basis van deze rapporten zijn besprekingen gevoerd met Aegon om tot een oplossing van het geschil te kunnen komen. De totale kosten van de werkzaamheden van Capital Consult bedragen € 75.365, - exclusief BTW. 4.55 Artikel 6:96 lid 2 sub b BW biedt geen zelfstandige grondslag voor de vergoeding van de door de Stichting c.s. gevorderde kosten, maar geldt alleen indien een schadevergoedingsverplichting is vastgesteld. Aangezien de vorderingen van de Stichting c.s. niet de vaststelling van een schadevergoedingsverplichting omvatten, kan deze post in deze procedure niet worden beoordeeld. 5. Slotsom 5.1 Uit het voorgaande blijkt dat de vorderingen in hoger beroep van [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3], de Stichting en van al deze partijen gezamenlijk, zullen worden toegewezen zoals hierna te melden en dat de vorderingen van Aegon in hoger beroep zullen worden afgewezen. Daargelaten of [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] hun individuele vorderingen in eerste aanleg hebben ingetrokken (zoals de rechtbank heeft overwogen in het eindvonnis in rechtsoverweging 2.3, waartegen zij grieven hebben gericht) geldt dat zij deze vorderingen in elk geval in hoger beroep (weer) hebben ingesteld dan wel gehandhaafd. Aangezien om die reden het dictum van het arrest anders zal luiden dan hetgeen de rechtbank heeft toegewezen zal omwille van de duidelijkheid van dat dictum, een geheel nieuw dictum worden geformuleerd. Dit betekent dat de bestreden vonnissen in hun geheel zullen worden vernietigd. 5.2 [geïntimeerde sub 4] heeft in het petitum sub 1 verzocht voor recht te verklaren dat ten aanzien van de Koersplanovereenkomst geen wilsovereenstemming tussen Aegon en haar bestond ten aanzien van het in rekening brengen van een premie voor een overlijdensrisicoverzekering dan wel dat deze wilsovereenstemming niet bestond ten aanzien van de hoogte van die premie. In het petitum sub 2 heeft [geïntimeerde sub 4] verzocht voor recht te verklaren dat de poliswaarde van het Koersplan moet worden herberekend en in het petitum sub 3 heeft zij gevorderd dat Aegon wordt veroordeeld de Koersplanovereenkomsten in overeenstemming daarmee na te komen. Zoals uit het voorgaande blijkt zal de vordering sub 1 worden toegewezen in die zin dat voor recht zal worden verklaard dat geen wilsovereenstemming bestond ten aanzien van Aegon en [geïntimeerde sub 4] ten aanzien van de hoogte van de premie voor een overlijdensrisicoverzekering. De vordering sub 2 subsidiair zal worden toegewezen in die zin dat zal worden verklaard voor recht dat de poliswaarde van de Koersplanovereenkomst tussen Aegon en [geïntimeerde sub 4] moet worden herberekend in die zin dat de door Aegon in rekening gebrachte premie wordt vervangen door een premie waarbij de door Aegon in rekening gebrachte premie wordt vermenigvuldigd met een factor 1,66/11,19. Aegon zal worden veroordeeld de Koersplanovereenkomst met [geïntimeerde sub 4] overeenkomstig de sub 2 toegewezen verklaring voor recht na te komen. 5.3 De vorderingen sub 4, 5 en 6 ten aanzien van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] zullen op dezelfde wijze worden toegewezen. Datzelfde geldt voor de door de Stichting bij wege van collectieve actie ingestelde vorderingen 7, 8 en 9, waarbij geldt dat de Stichting, zo begrijpt het hof, subsidiair (voorzover de premie niet op 0 gesteld wordt) bekrachtiging wenst van de uitspraak ten aanzien van de Koersplanovereenkomsten die zijn aangevangen in de jaren 1991 tot en met 1998. Gelet op de algehele vernietiging van de bestreden vonnissen (omwille van de duidelijkheid van het dictum) zullen deze vorderingen worden toegewezen voor de aanvangsjaren 1989 tot en met 1998. Vordering sub 9 zal worden toegewezen zoals hierna te melden. 5.4 Uit het hiervoor onder overwogene blijkt dat de vordering sub 10 ten aanzien van [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3] en de Stichting zal worden toegewezen. De beperking van de verklaring voor recht door de in de tekst opgenomen voorwaarde zal niet worden overgenomen. Volstaan zal worden met de constatering dat van misleiding sprake is; de gevolgen van deze constatering vallen buiten de reikwijdte van dit geschil. 5.5 Uit het hiervoor overwogene blijkt voorts dat de vordering sub 11 ter zake buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. 5.6 Ten slotte zal Aegon als de zowel in eerste aanleg als in hoger beroep grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van beide instanties worden veroordeeld. Wat betreft het hoger beroep zal, mede gelet op het onder 4.2 weergegeven uitgangspunt, worden volstaan met één kostenveroordeling voor het principaal en het incidenteel hoger beroep in beide zaken, met dien verstande dat aan de Stichting c.s. in beide zaken griffierecht in rekening is gebracht, dat door Aegon dient te worden vergoed. 5.7 In r.o. 3.36 van het eindvonnis heeft de rechtbank de bezwaren van Aegon tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis gehonoreerd. De Stichting c.s. heeft weliswaar in hoger beroep opnieuw uitvoerbaar bij voorraadverklaring gevorderd, maar heeft niet toegelicht waarom haar belang daarbij zwaarder zou moeten wegen dan het door Aegon aangevoerde restitutierisico, dat gelet op het collectieve karakter van de vorderingen aanzienlijk kan zijn. De veroordelingen zullen dus niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. 6. De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: in de zaak met zaaknummer 200.047.090 en in de zaak met zaaknummer 200.043.825 6.1 verklaart de Stichting c.s. niet-ontvankelijk in het hoger beroep van de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Utrecht van 20 februari 2008 en 6 augustus 2008; 6.2 verklaart Aegon niet-ontvankelijk in het hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Utrecht van 6 augustus 2008; 6.3 vernietigt de vonnissen van de rechtbank Utrecht van 6 juni 2007, 6 augustus 2008 en 13 mei 2009 en doet opnieuw recht; ten aanzien van [geïntimeerde sub 4]: 6.4 verklaart voor recht dat er met betrekking tot de Koersplanovereenkomst van [geïntimeerde sub 4] geen wilsovereenstemming bestond tussen AEGON en [geïntimeerde sub 4] ten aanzien van de hoogte van de premie voor een overlijdensrisicoverzekering; 6.5 verklaart voor recht dat de poliswaarde van de Koersplanovereenkomst tussen Aegon en [geïntimeerde sub 4] moet worden herberekend in die zin dat de door Spaarbeleg in rekening gebrachte premie wordt vervangen door een premie waarbij de door Spaarbeleg in rekening gebrachte premie wordt vermenigvuldigd met een factor 1,66/11,19; 6.6 veroordeelt Aegon de Koersplanovereenkomst met [geïntimeerde sub 4] na te komen in overeenstemming met de onder 6.5 geformuleerde verklaring voor recht; ten aanzien van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3]: 6.7 verklaart voor recht dat er met betrekking tot de Koersplanovereenkomsten van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] geen wilsovereenstemming bestond tussen AEGON en [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] ten aanzien van de hoogte van de premie voor een overlijdensrisicoverzekering; 6.8 verklaart voor recht dat de poliswaarde van de Koersplanovereenkomsten tussen Aegon enerzijds en [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] anderzijds moet worden herberekend in die zin dat de door Spaarbeleg in rekening gebrachte premie wordt vervangen door een premie waarbij de door Spaarbeleg in rekening gebrachte premie wordt vermenigvuldigd met een factor 1,66/11,19; 6.9 veroordeelt Aegon de Koersplanovereenkomst met [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] na te komen in overeenstemming met de onder 6.8 geformuleerde verklaring voor recht; ten aanzien van de Stichting: 6.10 verklaart voor recht dat er ten aanzien van de Koersplanovereenkomsten die zijn aangevangen in de jaren 1989 tot en met 1998 geen wilsovereenstemming bestond tussen Aegon en de personen voor wier belangen de Stichting blijkens haar statuten opkomt ten aanzien van de hoogte van de premie voor een overlijdensrisicoverzekering; 6.11 verklaart voor recht dat de poliswaarde van de Koersplanovereenkomst van de personen voor wier belangen de Stichting blijkens haar statuten opkomt die zijn aangevangen in de jaren 1989 tot en met 1998 moet worden herberekend in die zin dat de door Spaarbeleg in rekening gebrachte premie wordt vervangen door een premie waarbij de door Spaarbeleg in rekening gebrachte premie wordt vermenigvuldigd met een factor 1,66/11,19; 6.12 bepaalt dat de Koersplanovereenkomst met de personen voor wier belangen de Stichting blijkens haar statuten opkomt en die zijn aangevangen in de jaren 1989 tot en met 1998 worden nagekomen in overeenstemming met de onder 6.11 geformuleerde verklaring voor recht; ten aanzien van de Stichting, [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4]: 6.13 verklaart voor recht dat Aegon zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding door bij de maatmanberekeningen te verzwijgen dat de in te houden overlijdensrisicopremie (substantieel) hoger kon zijn dan waarvan bij de maatmanberekening is uitgegaan, alsmede te verzwijgen dat dit van invloed was op de hoogte van het behalen rendement; 6.14 veroordeelt Aegon in de kosten van de eerste aanleg, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van de Stichting c.s. begroot op € 2.712,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 329,60 voor verschotten; 6.15 veroordeelt Aegon in de kosten van het principaal en het incidenteel hoger beroep aan de zijde van de Stichting c.s. tot aan deze uitspraak begroot op € 4.023,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 929,98 (€ 422,- + € 507,98) voor verschotten; 6.16 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, F.W.J. Meijer en L.J. de Kerpel-van de Poel, en is, bij afwezigheid van de voorzitter door mr. Meijer ondertekend, in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2011.
ECLI:NL:HR:2013:BZ3749
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel zaaknummer / rolnummer: C/10/462533 / HA ZA 14-1092 Vonnis van 19 juli 2017 in de zaak van de vereniging VERENIGING WOEKERPOLIS.NL, gevestigd te Amsterdam, eiseres, advocaat mr. J.B. Maliepaard, tegen de naamloze vennootschap NATIONALE-NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Rotterdam, gedaagde, advocaat mr. B.M. van Wijk. Partijen zullen hierna de Vereniging en NN genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 19 december 2013, met producties 1 tot en met 23B, het vonnis in het incident van 23 april 2014, alsmede de daaraan ten grondslag liggende stukken, de conclusie van antwoord en de deelconclusie van antwoord ‘collectief’ van NN, met producties 1 tot en met 16, de akte houdende wijziging van eis van de Vereniging van 29 oktober 2014, het tussenvonnis van 26 november 2014, waarbij een comparitie van partijen is bepaald, het proces-verbaal van comparitie van 27 januari 2015, de nadere conclusie van antwoord na arrest van het Hof van Justitie in zaak C-51/13 van NN, met producties 1 tot en met 3, de conclusie van repliek, met producties 24 tot en met 34, de akte rectificatie, tevens akte overlegging producties van de Vereniging, met (opnieuw) producties 32 tot en met 34, de conclusie van dupliek, met producties 1 tot en met 6, de akte overlegging producties van de Vereniging, met producties 35 tot en met 38, de akte rectificatie, tevens akte vermeerdering (grondslag) van eis van de Vereniging, het faxbericht van mr.

Maliepaard van 5 april 2017, het op 11 april 2017 gehouden pleidooi en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken. 1.2. Aanvankelijk traden naast de Vereniging als eisers op twee individuele verzekeringnemers. De Vereniging heeft bij faxbericht van 5 april 2017 verzocht om splitsing van de zaken van deze verzekeringnemers tegen NN van de zaak van de Vereniging tegen NN. NN heeft ter zitting van 11 april 2017 desgevraagd verklaard hiermee in te stemmen. De rechtbank heeft daarop het verzoek tot splitsing toegewezen. De zaak van de twee individuele verzekeringnemers wordt voortgezet onder zaak-/rolnummer C/10/525179 / HA ZA 17-380. 1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald in de onderhavige zaak tussen de Vereniging en NN. 2De feiten 2.1. De Vereniging is opgericht op 6 maart 2012. De statuten van de Vereniging luiden voor zover hier van belang: “(…) Begripsbepalingen Als woekerpolissen in de zin van de statuten gelden beleggingsverzekeringen, spaarkasovereenkomsten, met één van beide producten gelijkenis vertonende financiële producten, alsmede aan één van de hiervoor genoemde producten verbonden andere financiële producten. Doel Artikel 3 a. De Vereniging heeft ten doel de behartiging van de belangen van personen die door één of meer woekerpolissen schade hebben geleden. b.

De Vereniging tracht dit doel te bereiken door middel van overleg met onder meer de aanbieders, adviseurs en bemiddelaars van woekerpolissen teneinde een minnelijke regeling tot stand te brengen, door het voeren van gerechtelijke procedures, arbitrale procedures en bindende adviesprocedures en alle verdere middelen die naar het oordeel van de Vereniging tot dit doel bevorderlijk zijn. (…)”. Flexibel Verzekerd Beleggen 2.2. NN heeft vanaf de tweede helft van 1992 tot eind 2008 onder de naam Flexibel Verzekerd Beleggen beleggingsverzekeringen aan particulieren verkocht (deze producten worden hierna FVB beleggingsverzekering(en) genoemd). 2.3.

Een beleggingsverzekering is een levensverzekering waarbij de verzekeringnemer aan de verzekeraar een bedrag betaalt (de bruto premie) in ruil voor een toekomstige uitkering bij overlijden en/of leven van de verzekerde. De bruto premie kan ineens worden voldaan of periodiek. De beoogde vermogensopbouw vindt plaats door middel van belegging van (een deel van) de bruto premie. 2.4. De FVB beleggingsverzekering is een beleggingsverzekering op universal life basis, waarbij sprake is van een uitkering bij overlijden van de verzekerde vóór een bepaalde datum of in leven zijn van de verzekerde op een bepaalde datum, afhankelijk van welke gebeurtenis het eerste intreedt.

De overlijdensrisicodekking is ingebouwd in en afgestemd op de waarde die is opgebouwd in de beleggingsverzekering. Daardoor is niet de volledige uitkering bij overlijden verzekerd, maar slechts het verschil tussen deze uitkering en de waarde die is opgebouwd in de beleggingsverzekering. De overlijdensrisicopremie die op enig moment verschuldigd is, wordt alleen over dit verschil berekend. De ontvangst van de bruto premie en de betaling van de kosten en risicopremies vinden gescheiden van elkaar plaats. De bruto premie wordt na ontvangst en na aftrek van de over die bruto premie verschuldigde aankoopkosten belegd in participaties in door de verzekeringnemer gekozen beleggingsfondsen.

Tijdens de looptijd van de beleggingsverzekering worden op vaste tijden (overige) kosten en risicopremies onttrokken aan de belegde waarde (zie ook hierna). 2.5. FVB beleggingsverzekeringen werden uitsluitend verkocht via assurantietussenpersonen. NN had geen rechtstreeks contact met de (aspirant-)verzekeringnemer. Dit was ook niet toegestaan. De assurantietussenpersoon gaf voorlichting en advies aan de (aspirant-)verzekeringnemer, waarna deze al dan niet koos voor een FVB beleggingsverzekering. 2.6. Op de FVB beleggingsverzekeringen zijn van toepassing de Voorwaarden voor Verzekeringen (hierna:

VvV). Deze voorwaarden d.d. 31 augustus 1990 zijn in 2001 aangepast. Artikel 1 (zowel in de versie van 1990 als in die van 2001) luidt, voor zover hier van belang: In deze voorwaarden wordt verstaan onder: (…) participatiewaarde: de waarde van één participatie in guldens; aankoopprijs: de participatiewaarde, verhoogd met een percentage van die waarde; (…) verkoopprijs: de participatiewaarde verlaagd met een percentage van die waarde; (…). Artikel 3A VvV (zowel in de versie van 1990 als in die van 2001) luidt, voor zover hier van belang:

1. De omrekening van het beleggingsdeel in participaties geschiedt: a. tegen de aankoopprijs welke geldt op de dag volgend op de premievervaldag indien de (enige) premie vóór of op de premievervaldag door de Maatschappij is ontvangen; b. in alle andere gevallen tegen de aankoopprijs welke geldt op de dag volgend op de dag waarop de (enige) premie door de Maatschappij is ontvangen;

2. De bepaling van de guldenswaarde van in participaties luidende uitkeringen bij leven op de einddatum geschiedt tegen de verkoopprijs welke geldt op de einddatum van de verzekering;

3. De bepaling van de guldenswaarde van in participaties luidende uitkeringen op een vaste datum geschiedt tegen de verkoopprijs welke geldt op de datum waarop de betreffende uitkering opeisbaar wordt;

4. De bepaling van de guldenswaarde van in participaties luidende uitkeringen bij overlijden geschiedt tegen de verkoopprijs welke geldt op de datum van overlijden (…). Artikel 3C VvV (zowel in de versie van 1990 als in die van 2001) luidt, voor zover hier van belang: (…) 5. De beheerder ontvangt maandelijks, per fonds, voor het door hem gevoerde beheer een beheerloon dat per de laatste werkdag van de betreffende maand wordt onttrokken aan het betreffende fondsvermogen.

6. Kosten welke uit het beheer c.q. de bewaring van een fonds kunnen voortvloeien, zoals die terzake van bewaring van beleggingen, administratie, ten laste van het fonds geheven belastingen en rechten, jaarverslagen, deskundigen, publikaties en dergelijke, worden, voor zover mogelijk, ten laste van het fondsvermogen van dat fonds gebracht. (…) Artikel 3D VvV (zowel in de versie van 1990 als in die van 2001) luidt, voor zover hier van belang:

1. Op de voor de verzekeringnemer uitstaande participaties in de door hem aangegeven fondsen zal iedere kalendermaand een vergoeding voor de door de Maatschappij in verband met deze verzekering gemaakte administratie- en beheerkosten in mindering worden gebracht, alsmede de over de betreffende kalendermaand verschuldigde overlijdensrisicopremie. (…) Artikel 6 VvV (zowel in de versie van 1990 als in die van 2001) luidt, voor zover hier van belang: “1. Indien de verzekering overlijdensrisico dekt, worden bij overlijden van de verzekerde niet de verzekerde uitkeringen doch wordt de afkoopwaarde, berekend op het onmiddellijk aan dat overlijden voorafgaande tijdstip, aan de begunstigde uitgekeerd: a. indien de verzekerde overlijdt tijdens of tengevolge van enige niet-Nederlandse krijgs- of gewapende dienst; b. indien de verzekerde overlijdt door zelfmoord of tengevolge van een poging daartoe, tenzij de premies over 2 jaren zijn voldaan en bovendien 2 jaren zijn verlopen na de aanvang van het risico.

2. Indien bij overlijden als bovenbedoeld, op het tijdstip onmiddellijk aan dat overlijden voorafgaand, geen recht op afkoop bestaat doch wel op een premievrije verzekering, zullen de verzekerde uitkeringen worden verminderd volgens de bij de Maatschappij hiervoor gebruikelijke regelen”. Artikel 14 VvV (zowel in de versie van 1990 als in die van 2001) luidt, voor zover hier van belang: “2. De berekening van de afkoopwaarde en de premievrije waarde geschiedt volgens de bij de Maatschappij gebruikelijke regelen, waarbij voor de berekening van de afkoopwaarde zal worden uitgegaan van de per de dag volgend op de dag van ontvangst door de Maatschappij van het schriftelijke afkoopverzoek geldende verkoopprijs dan wel van de per de dag volgend op de door de verzekeringnemer gewenste afkoopdatum geldende verkoopprijs, mits deze datum later is gelegen dan de dag volgend op de dag van ontvangst door de Maatschappij van het afkoopverzoek”.

Artikel 15 VvV (zowel in de versie van 1990 als in die van 2001) luidt, voor zover hier van belang: “1. De verzekeringnemer heeft gedurende het leven van de verzekerde, het recht de in een bepaald fonds ten behoeve van hem uitstaande participaties geheel of gedeeltelijk te doen omzetten in participaties in een of meerdere andere, te zijner keuze staand(e) fonds(en).

2. De in het vorige lid bedoelde omzetting vindt plaats door de omzettingswaarde, zijnde de guldenswaarde van de uit het betreffende fonds om te zetten participaties, verminderd met de voor de omzetting verschuldigde omzettingskosten, om te rekenen in participaties in het (de) door de verzekeringnemer aangegeven fonds(en).

3. Bij de berekening van de omzettingswaarde respectievelijk bij de omrekening van de omzettingswaarde verminderd met de omzettingskosten in participaties in het (de) door de verzekeringnemer aangegeven fonds(en) zal worden uitgegaan van de per de dag (de omzettingsdatum) volgend op de dag van ontvangst door de Maatschappij van het schriftelijke omzettingsverzoek geldende participatiewaarde respectievelijk geldende aankoopprijs (-prijzen) dan wel van de per de door de verzekeringnemer gewenste omzettingsdatum geldende participatiewaarde respectievelijk geldende aankoopprijs (-prijzen) mits deze datum later is gelegen dan de dag volgend op de dag van ontvangst door de Maatschappij van het omzettingsverzoek”.

Artikel 22 VvV (zowel in de versie van 1990 als in die van 2001) luidt, voor zover hier van belang: “Kosten, in verband met de verzekering gemaakt, daaronder begrepen kosten van werkzaamheden door de Maatschappij verricht ter wijziging van de polis, kunnen in rekening worden gebracht aan de verzekeringnemer”. Wet- en regelgeving 2.7. Artikel 31 van Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van de Europese Unie van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de Richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (hierna:

Derde levensrichtlijn) bepaalt: “1. Vóór de sluiting van de verzekeringsovereenkomst dienen aan de verzekeringnemer ten minste de in bijlage II, onder A, vermelde gegevens te worden medegedeeld.

2. De verzekeringnemer dient gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst te worden ingelicht over elke wijziging van de in bijlage II, onder B, vermelde gegevens.

3. De Lid-Staat van de verbintenis mag van de verzekeringsondernemingen niet verlangen dat zij aanvullende gegevens naast de in bijlage II vermelde gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis.

4. De toepassingsvoorschriften betreffende dit artikel en bijlage II worden door de Lid-Staat van de verbintenis vastgesteld”. Bijlage II bij de Derde levensrichtlijn luidt voor zover hier van belang: “(…) AAN DE VERZEKERINGNEMER TE VERSTREKKEN INLICHTINGEN De volgende inlichtingen, die hetzij voor de sluiting van de overeenkomst (A) hetzij gedurende de looptijd ervan (B) aan de verzekeringnemer moeten worden meegedeeld, moeten duidelijk, nauwkeurig en schriftelijk worden verstrekt in een officiële taal van de Lid-Staat van de verbintenis. (…) A.

Vóór de sluiting van de overeenkomst (…) a.4 Omschrijving van elke verzekeringsdekking en keuzemogelijkheid a.5 Looptijd van de overeenkomst a.6 Wijze van beëindiging van de overeenkomst a.7 Wijze en duur van betaling van de premies a.8 Wijze van berekening en toewijzing van winstdelingen a.9 Gegevens over de afkoop- en premievrije waarden en in hoeverre deze zijn gegarandeerd a.10 Inlichtingen over de premies voor iedere verzekeringsdekking, zowel de hoofddekking als de aanvullende dekkingen, indien zulke inlichtingen dienstig blijken (…)”. 2.8.

Artikel 51 van de (tot 2007 geldende) Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (hierna: Wtv 1993) vormde in Nederland de implementatie van artikel 31 Derde levensrichtlijn en bepaalde: “Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot aan het publiek te verstrekken informatie door verzekeraars.” 2.9. Ter uitvoering van artikel 51 Wtv 1993 is per 1 juli 1994 de Regeling Informatieverstrekking aan Verzekeringnemers in werking getreden (hierna: RIAV 1994). Artikel 2 lid 2 van deze regeling luidt, voor zover hier van belang:

“Voor zover de in dit lid bedoelde informatie niet uit de algemene of bijzondere polisvoorwaarden blijkt, draagt de verzekeraar er tevens zorg voor dat de verzekeringnemer schriftelijk in kennis wordt gesteld van: (…) b. een omschrijving van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht; (…) h. de premie verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor ieder van de nevenuitkeringen verschuldigd zijn; (…) 2.10. Vanaf 1996 heeft het Verbond van Verzekeraars verschillende opeenvolgende versies van de Code Rendement en Risico (hierna:

CRR) vastgesteld, een gedragscode voor informatieverstrekking over onder meer beleggingsverzekeringen. De CRR 1996 – die vanaf 1 september 1996 gefaseerd in werking trad en vanaf 1 januari 1997 gold voor offertes – luidt voor zover hier van belang: “(…) RICHTLIJNEN VOOR DE INFORMATIE OMTRENT VOORBEELDEN (…) Voor te communiceren voorbeeldpercentages dient een bandbreedte te worden aangehouden welke relevant is voor het beleggingsrisico. voorbeeldkapitaal Er dienen ten minste twee voorbeeldkapitalen te worden gegeven, gebaseerd op voorbeeldpercentages gelegen binnen de bandbreedte, waaronder in elk geval de laagste en de gemiddelde waarde.

Bij elk voorbeeld moet het daarin voor de berekening toegepaste voorbeeldpercentage worden vermeld. Indien het voorbeeldpercentage c.q. het voorbeeldkapitaal wordt berekend op basis van het produktrendement, dient zulks uitdrukkelijk te worden vermeld. In dat geval dient tevens (de bandbreedte van) het achterliggende fondsrendement te worden genoemd. Voor de bepaling van de bandbreedte zal een toe te passen rekenvoorschrift worden vastgesteld. (…)”. De CRR 1996 is vervangen door de CRR 1998; deze laatste is per 1 april 1998 in werking getreden.

Offertes dienden vanaf 1 oktober 1998 aan de CRR 1998 te voldoen. 2.11. Op 1 januari 1999 is de Regeling Informatieverstrekking aan Verzekeringnemers 1998 (hierna: RIAV 1998) in werking getreden, die de RIAV 1994 verving en waarmee uitvoering werd gegeven aan artikel 51 Wtv 1993. Artikel 2 lid 2 RIAV 1998, luidt voor zover hier van belang: “(…) 2 Voor zover de in dit lid bedoelde informatie niet uit de algemene of bijzondere polisvoorwaarden blijkt, draagt de verzekeraar er tevens zorg voor dat de verzekeringnemer schriftelijk in kennis wordt gesteld van: (…) b. het bedrag van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht of, voor zover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige omschrijving van die uitkering of uitkeringen, alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering of uitkeringen afhankelijk is; (…) h. de premie verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor ieder van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd; (…) q. de invloed van kosten en inhoudingen ten laste van de verzekeringnemer op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst; r. indien van toepassing, de kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht; s. indien van toepassing, het aan de overeenkomst verbonden beleggingsrisico en de mate waarin dit risico ten laste is van de verzekeringnemer. (…)” 2.12.

Op 1 juli 2002 is het Besluit financiële bijsluiter (Besluit van 20 december 2001, houdende regels met betrekking tot het door financiële ondernemingen ter beschikking stellen van een financiële bijsluiter bij complexe producten, Stbl. 2001, 670; hierna: Bfb 2002) in werking getreden. Artikel 3 lid 1 Bfb 2002 bepaalt dat in duidelijke en voor de afnemer begrijpelijke bewoording uitsluitend de volgende ontwerpen worden behandeld in de financiële bijsluiter: informatie over de met het product samenhangende financiële risico’s (sub d); informatie over het voorbeeldrendement en de voor de afnemer aan het product verbonden kosten. 2.13.

Daarnaast is op 1 juli 2002 de Nadere regeling financiële bijsluiter (Nrfb 2002) in werking getreden. Deze regeling geeft nadere regels over de inhoud van de financiële bijsluiter. Deze nadere regels houden onder meer in dat de informatie over de met het product samenhangende financiële risico’s moet worden gegeven met gebruikmaking van de in bijlage 2 Nrfb 2002 opgenomen standaardteksten en standaardmethodieken. Bijlage 3 bij de Nrfb 2002 bevat modellen voor kosten en voorbeeldrendementen en bijlage 4 geeft voorschriften voor de voorbeeldrendementspercentages.

Er moeten in tabelvorm ten minste drie voorbeeldrendementen worden weergegeven, te weten: - i) het netto historisch rendementspercentage (berekend op basis van de rendementen gedurende de laatste twintig jaar van de fondsen waarin wordt belegd en bij een kortere periode waarin wordt belegd op basis van de eigen historie, aangevuld met daarbij passende relevante indexreeksen voor de betreffende jaren); - ii) het netto pessimistische rendementspercentage, dat afhankelijk van de aard van de beleggingen vooraf werd vastgesteld; - iii) een standaard bruto rendement van 4% dat voor alle producten gold. 2.14.

Op 1 januari 2006 is artikel 31 van de Wet van 12 mei 2005, houdende regels voor de financiële dienstverlening (Wet financiële dienstverlening; hierna: Wfd) in werking getreden. Daarin is bepaald dat de financiële dienstverlener voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product de consument informatie verstrekt voor zover die redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van dat product. 2.15. Op 1 januari 2006 is eveneens in werking getreden het Besluit financiële dienstverlening (hierna: Bfd); de RIAV 1998 is daarin geïncorporeerd.

Artikel 32 Bfd bepaalt dat de aanbieder van een overeenkomst inzake een levensverzekering ten minste de in dat artikel genoemde informatie dient te verstrekken, waaronder: het bedrag van de uitkering(en) waartoe hij zich verplicht, of, voor zover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige omschrijving van die uitkering(en), alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering(en) afhankelijk is (sub b), de invloed van kosten ten laste van de consument op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst (sub q), de kosten die naast de bruto premie in rekening worden gebracht (sub r), het aan de overeenkomst verbonden financiële risico en de mate waarin dit risico voor rekening is van de consument (sub s). 2.16.

Op 22 februari 2006 is inwerking getreden de Nadere regeling van de AFM van 7 februari 2006 houdende regels voor de informatieverstrekking bij complexe producten (Nadere regeling financiële dienstverlening, hierna: NRfd). De NRfd bevat een ingrijpende wijziging van de regelgeving voor de financiële bijsluiter en diende per 1 oktober 2006 geïmplementeerd te zijn. 2.17. Per 1 mei 2006 is de RIAV 1998 komen te vervallen. 2.18. Op 1 januari 2007 is in werking getreden de Wet op het Financieel Toezicht (hierna: Wft) en het krachtens die wet geldende Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft 2007 (hierna:

Bgfo 2007), waarmee de Wfd, de Bfd en de Nrfd kwamen te vervallen. 2.19. Per 1 januari 2008 is het Bgfo gewijzigd, onder meer naar aanleiding van het rapport van de door het Verbond van Verzekeraars ingestelde commissie transparantie beleggingsverzekering (de “Commissie De Ruiter”). Deze commissie kwam tot de aanbeveling om in de precontractuele fase meer informatie te verstrekken over de aard van de beleggingsverzekering, de kosten gedurende de gehele looptijd (omgerekend naar een gemiddeld jaarlijks kostenpercentage), de verschillende kostensoorten en de wijze waarop de kosten worden verrekend alsmede de gevolgen van verhoging of verlaging van de bruto premie, van afkoop en premievrijmaking.

Artikel 60 Bgfo luidt voor zover hier van belang: “(…) i. de premie, verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor elk van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd en, indien deze premies gedurende de looptijd fluctueren, een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de wijze waarop ze worden berekend en van de factoren waardoor het beloop ervan wordt bepaald, (…) l. indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling: 1°. de kosten die worden ingehouden op de premie, bedoeld in onderdeel i, onderverdeeld naar eerste kosten, doorlopende kosten en aan- en verkoopkosten; 2°. de kosten die worden ingehouden op de waarde van de rechten van deelneming, onderverdeeld naar eerste kosten, doorlopende kosten en aan- en verkoopkosten; 3°. de kosten die de beheerder van de beleggingsinstelling jaarlijks in rekening brengt voor het beheer van de rechten van deelneming in die beleggingsinstelling; 4°. de invloed van het gemiddelde jaarlijkse percentage van de kosten, bedoeld onder 1°, 2° en 3°, op het rendement en de uitkering, verbonden aan de overeenkomst; 5°. de wijze waarop de kosten, bedoeld onder 1°, 2° en 3°, worden verdeeld over de looptijd van de overeenkomst met de cliënt; m. een omschrijving van de gevolgen van een verhoging of verlaging van de premie, met inbegrip van premievrijmaken, en, indien de overeenkomst in die mogelijkheid voorziet, van afkoop, en een opgave van de afkoopwaarde gedurende ten minste de eerste tien jaren van de looptijd, onder vermelding van het voor de berekening gehanteerde rendementspercentage; (…)”. 3Het geschil 3.1.

De Vereniging vordert na wijziging van eis, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: voorwaardelijk indien NN niet vrijwillig en onder overlegging van justificatoire bescheiden bij conclusie van antwoord na te noemen gegevens en/of stukken overlegt, haar te gelasten deze gevraagde gegevens over te leggen (een afschrift te verstrekken) zulks ex artikel 843a Rv. Het betreft de volgende gegevens en/of stukken: - Offerteprogrammatuur voor het product Flexibel Verzekerd Beleggen zoals deze in de loop der jaren is gebruikt; - een beschrijving van de werking van de hiervoor genoemde offerteprogrammatuur, onvoorwaardelijk A) voor recht te verklaren dat artikel 3D lid 1 algemene voorwaarden (versies 1990 en 2001) een oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13, primair voor de hele periode dat NN het product Flexibel Verzekerd Beleggen aanbood en subsidiair voor de periode tot 1 juli 2002, B) artikel 3D lid 1 algemene voorwaarden (versies 1990 en 2001) te vernietigen, althans nietig te verklaren, althans buiten toepassing te verklaren, althans te verklaren dat het beding geen gelding heeft tussen NN en haar afnemer, zulks primair voor de hele periode dat Nationale Nederlanden het product Flexibel Verzekerd Beleggen aanbood en subsidiair voor de periode tot 1 juli 2002, C) voor recht te verklaren dat artikel 14 lid 2 algemene voorwaarden (versies 1990 en 2001) een oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13, primair voor de hele periode dat NN het product Flexibel Verzekerd Beleggen aanbood en subsidiair voor de periode tot 1 juli 2002 en meer subsidiair voor de periode tot 1 augustus 1999, D) Artikel 14 lid 2 algemene voorwaarden (versies 1990 en 2001) te vernietigen, althans nietig te verklaren, althans buiten toepassing te verklaren, althans te verklaren dat het beding geen gelding heeft tussen NN en haar afnemer, zulks primair voor de hele periode dat NN het product Flexibel Verzekerd Beleggen aanbood, subsidiair voor de periode tot 1 juli 2002 en meer subsidiair voor de periode tot 1 augustus 1999, I) voor recht te verklaren dat NN bij het aanbieden/verkopen van het product Flexibel Verzekerd Beleggen aan haar particuliere wederpartijen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de (hoogte van de) kosten die aan de beleggingsverzekeringen zijn verbonden en de invloed van deze kosten op het te behalen eindresultaat, a.

a) voor recht te verklaren dat NN bij het aanbieden/verkopen van het product Flexibel Verzekerd Beleggen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de overlijdensrisicoverzekeringspremie, zodat de hoogte van de overlijdensrisicopremie niet is overeengekomen met de afnemers, b) voor recht te verklaren dat NN bij het aanbieden/verkopen van het product tot 1 juli 2002 Flexibel Verzekerd Beleggen onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de administratie en beheerkosten, zodat de hoogte van deze kosten niet is overeengekomen met de afnemers, c) voor zover de rechtbank meent dat voor de aan- en verkoopkosten, de eerste kosten, de incassokosten, de provisie bij afsluiten voor de tussenpersoon en de doorlopende provisie voor de tussenpersoon, een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat NN bij het aanbieden/verkopen van het product Flexibel Verzekerd Beleggen tot 1 juli 2002 onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de aan- en verkoopkosten, de eerste kosten, de incassokosten, de provisie bij afsluiten voor de tussenpersoon en de doorlopende provisie voor de tussenpersoon, zodat de hoogte van deze kosten niet is overeengekomen met de afnemers, d) voor zover de rechtbank meent dat voor de fondsbeheerkosten een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat NN bij het aanbieden/verkopen van het product Flexibel Verzekerd Beleggen tot aan 1 oktober 1998 onvoldoende duidelijke en onvolledige informatie heeft verschaft over de fondsbeheerkosten zodat de hoogte van deze premie niet overeengekomen is met de afnemers, II) voor recht te verklaren dat op NN bij het aanbieden van het product Flexibel Verzekerd Beleggen jegens haar particuliere wederpartijen de verplichting rustte om te waarschuwen tegen het bijzondere risico dat ten gevolge van de hoogte van de kosten en de wijze waarop de kosten in rekening worden gebracht de mogelijkheid bestond dat het voorgespiegelde kapitaal niet uitgekeerd zou kunnen worden, alsmede dat NN deze verplichting niet is nagekomen, III) voor recht te verklaren dat NN bij het aanbieden van het product Flexibel Verzekerd Beleggen onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door een gebrekkig product aan hen te verkopen, IV) voor recht te verklaren dat NN bij het aanbieden van het product Flexibel Verzekerd Beleggen onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar particuliere wederpartijen door hen niet te waarschuwen en/of voor te lichten over het crashrisico en/of door hen gedurende de looptijd van de beleggingsverzekeringen, op het moment dat de negatieve effecten van het genoemde crashrisico zich voordeden, niet in te lichten over deze negatieve gevolgen en/of geen maatregelen te treffen teneinde de negatieve gevolgen op te heffen en/of te beperken, V) voor recht te verklaren dat NN bij het aanbieden van het product Flexibel Verzekerd Beleggen met haar voorbeeldberekeningen een onjuist en te rooskleurig beeld heeft geschetst voor de gemiddelde consument, nu NN heeft nagelaten een nadere toelichting te geven omtrent de door haar gebruikte rekenmethodiek (meetkundige berekening) bij de door haar gebruikte prognoses, VI) voor recht te verklaren dat NN bij het aanbieden van het product Flexibel Verzekerd Beleggen gehouden was haar particuliere wederpartij te waarschuwen dat een hoger gemiddeld jaarlijkse koersstijging vereist was dan het gebruikte rendementspercentage om het geprognosticeerde eindkapitaal te behalen, VII) voor recht te verklaren dat NN bij het aanbieden van het product Flexibel Verzekerd Beleggen daar waar zij in de voorbeeldberekeningen heeft gerekend met het rekenkundig gemiddelde en/of een rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds, tekort is geschoten in de op haar rustende informatieplicht, nu deze informatie een onjuist en te rooskleurig beeld geeft van het te verwachten eindkapitaal en/of voor recht te verklaren dat de door NN op basis van het rekenkundig gemiddelde en/of een rendement dat geen relatie heeft met het onderliggende fonds berekende voorbeeldkapitalen in de door haar gebruikte brochures kwalificeren als een misleidende mededeling in de zin van artikel 6:194 BW, VIII) voor recht te verklaren dat NN, bij de verkochte polissen met een vast verzekerd bedrag bij overlijden, onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar te kort is geschoten door de afnemers niet in te lichten over en/of te waarschuwen voor de risico's van het hefboom- en/of inteereffect, IX) voor recht te verklaren dat NN ten aanzien van het product Flexibel Verzekerd Beleggen zich schuldig heeft gemaakt aan churning, door de bruto premie eerst geheel te beleggen en vervolgens weer verkopen te verrichten ten einde de kosten te betalen, waardoor feitelijk extra transactiekosten (aan- en verkoopkosten) werden verricht, zonder dat zulks in het belang van de afnemers was, X) voor recht te verklaren dat NN bij het aanbieden van het product Flexibel Verzekerd Beleggen de op haar rustende bijzondere zorgplicht jegens haar particuliere wederpartijen heeft geschonden en/of dat zij naar maatstaven van burgerlijk (contracten)recht tekort is geschoten jegens haar particuliere wederpartijen door niet, althans onvoldoende te informeren en voor te lichten over en te waarschuwen voor de in deze dagvaarding genoemde bijzondere kosten en risico's en eigenschappen van de Polissen, XI) voor recht te verklaren dat NN bij het aanbieden van het product Flexibel Verzekerd Beleggen onrechtmatig jegens de particuliere afnemers heeft gehandeld en/of dat NN toerekenbaar tekort is geschoten jegens deze particuliere afnemers, XII) voor recht te verklaren dat NN bij het aanbieden van het product Flexibel Verzekerd Beleggen toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door kosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was, a.

a) voor recht te verklaren dat NN, ten aanzien van de voor 1 juli 2002 aangeboden/verkochte beleggingsverzekeringen van het product Flexibel Verzekerd Beleggen, toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door aan- en verkoopkosten, eerste kosten, incassokosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was, b) voor recht te verklaren dat NN, ten aanzien van de voor 1 juli 2002 aangeboden/verkochte beleggingsverzekeringen van het product Flexibel Verzekerd Beleggen, toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door de provisie bij afsluiten voor de tussenpersoon in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag bestond, c) voor recht te verklaren dat NN, ten aanzien van de voor 1 januari 2006 aangeboden/verkochte beleggingsverzekeringen van het product Flexibel Verzekerd Beleggen, toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door de doorlopende provisie voor de tussenpersoon in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag bestond, d) voor recht te verklaren dat NN, ten aanzien van de voor 1 oktober 1998 aangeboden/verkochte beleggingsverzekeringen van het product Flexibel Verzekerd Beleggen, toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door kosten van fondsbeheer in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag bestond, XIII) voor recht te verklaren dat de door NN bij het product Flexibel Verzekerd Beleggen ingehouden kosten, waaronder mede begrepen dienen te worden de aan- en verkoopkosten, de eerste kosten, de incassokosten, de provisie bij afsluiten, de doorlopende provisie en de fondsbeheerkosten waarvoor geen contractuele grondslag aanwezig was, onverschuldigd zijn betaald door de afnemers, XIV) voor recht te verklaren dat NN gehouden is de door de Vereniging gemaakte kosten tot vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid te vergoeden, welke kosten nader zijn op te maken bij staat, XV) NN te veroordelen in de proceskosten alsmede tot betaling van nakosten van € 131,00 zonder betekening of € 199,00 indien sprake is van betekening, te voldoen binnen tien dagen na de dagtekening van het vonnis en – zou zij die proceskosten niet binnen die termijn voldoen – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten gerekend vanaf de laatste dag van de voldoeningstermijn. 3.2.

NN voert verweer en concludeert (kort gezegd) als volgt: I) de voorwaardelijke vordering ex artikel 843a Rv af te wijzen, II) de vorderingen van de Vereniging af te wijzen, III) de Vereniging te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,-- zonder betekening, dan wel € 199,00 in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, een en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad. 3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Eisvermeerdering 4.1. De Vereniging heeft bij conclusie van repliek en de daarop volgende akte vermeerdering (grondslag) van eis haar eis vermeerderd met de vorderingen A) tot en met D) (zie 3.1). 4.2. Op grond van artikel 130 Rv is de eiser bevoegd zijn eis te wijzigen zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. De eiswijzing is dan ook tijdig gedaan. Nu tegen de eiswijziging geen bezwaar is gemaakt en de rechtbank deze ook niet ambtshalve in strijd met de goede procesorde acht, zal de rechtbank recht doen op de gewijzigde eis. 4.3. De rechtbank overweegt dat zij ambtshalve kennis heeft genomen van de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 mei 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:1875) en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:7072).

Assurantietussenpersoon 4.4. Ter comparitie van 27 januari 2015 hebben partijen ingestemd met een beoordeling van de zaak waarin geabstraheerd wordt van de rol van de assurantietussenpersoon. De rechtbank zal de rol van de assurantietussenpersoon in het hiernavolgende daarom buiten beschouwing laten, met dien verstande dat het uitgangspunt is dat vast staat dat het sluiten van alle relevante verzekeringen door tussenkomst van een dergelijke tussenpersoon is geschied. Dit kan, onder omstandigheden, consequenties hebben voor de zorgplicht van NN. Ten aanzien van de assurantietussenpersoon geldt voorts dat zijn positie wettelijk is geregeld.

Aanvankelijk in de, door de Wet assurantie bemiddelingsbedrijf (hierna: Wabb) vervangen, Wet assurantie bemiddeling van 1952 (hierna: Wab), en later (per 1 januari 2006) in de Wfd, die per 1 januari 2007 is vervangen door de Wft. In de Wabb waren regels gesteld voor de beloning die verzekeringnemers ingevolge artikel 7:405 jo. 7:426 lid 1 BW aan hun assurantietussenpersoon verschuldigd zijn. Op grond van artikel 13 Wabb werden tot 2002 assurantietussenpersonen beloond door middel van door verzekeraars uit te betalen provisie. Artikel 13 lid 2 Wabb bepaalde dat de tussenpersoon jegens de verzekeraar aanspraak had op provisie over alle tot zijn portefeuille behorende verzekeringen.

Er bestond derhalve een verplichting voor de verzekeraar tot het betalen van provisie. Nu met partijen voormelde afspraak is gemaakt zal de rechtbank de rol van de tussenpersoon buiten beschouwing laten, maar wel voormelde wettelijke verplichting van verzekeraars tot provisiebetaling als uitgangspunt hanteren. Voorts zal de rechtbank er in het navolgende van uitgaan dat de assurantietussenpersoon zijn taak naar behoren heeft vervuld (en dus, bijvoorbeeld, aan elke aspirant verzekeringnemer de brochures heeft verstrekt die NN hem vroeg te verstrekken).

Verzekeringnemer 4.5. De rechtbank zal, gelet op het karakter van deze procedure op basis van art. 3:305 a BW, bij de beoordeling van de verwijten van de Vereniging over de informatieverstrekking bij het aanbieden van de FVB beleggingsverzekering de volgende gemiddelde verzekeringnemer tot uitgangspunt nemen: een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument die een beleggingsverzekering afsluit. Van deze verzekeringnemer mag worden verwacht dat hij bereid is zich te verdiepen in de kenmerken van de beleggingsverzekering en zich af te vragen of die beleggingsverzekering voor hem geschikt is, waarbij denkbaar is dat informatie langs verschillende wegen wordt aangeboden.

De verzekeringnemer wordt in beginsel geacht in staat te zijn om verstrekte informatie op waarde te schatten, om zo nodig nadere informatie te zoeken en om vervolgens informatie uit verschillende bronnen met elkaar in verband te brengen. Informatie- en waarschuwingsplichten 4.6. De rechtbank stelt voorop dat de vorderingen van de Vereniging enkel betrekking hebben op het product FVB beleggingsverzekering, dat door NN is verkocht vanaf 1992 tot eind 2008 (zie 2.2). 4.7. Ter beoordeling van deze vorderingen staat de vraag centraal of NN aan haar informatie- en waarschuwingsplichten heeft voldaan.

Daartoe zal allereerst dienen te worden beoordeeld welke verplichtingen op NN rustten. 4.8. Met betrekking tot de informatieverstrekking door een verzekeraar aan de verzekeringnemer is in de Derde levensrichtlijn (zie 2.7) een minimumnormering neergelegd. Blijkens punt 23 van de considerans beoogt deze richtlijn onder meer de minimumvoorschriften te coördineren, zodat de consument duidelijke en nauwkeurige informatie ontvangt over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden verzekeringsproducten. Om in het kader van een (Europese) eengemaakte verzekeringsmarkt ten volle te profiteren van een grotere en meer gediversifieerde keuze uit overeenkomsten en van een toegenomen concurrentie, moet de consument beschikken over de nodige gegevens voor de keuze van de overeenkomst die het beste bij zijn behoeften past, aldus de considerans. 4.9.

Artikel 31 lid 1 Derde levensrichtlijn schrijft voor dat vóór sluiting van de verzekeringsovereenkomst aan de verzekeringnemer ten minste de in bijlage II, onder A, vermelde gegevens moeten worden meegedeeld. Volgens het tweede lid moet de verzekeringnemer vervolgens gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst worden voorgelicht over elke wijziging van de in punt B van deze bijlage vermelde gegevens. Artikel 31 lid 3 bepaalt dat de lidstaten van de verzekeringsondernemingen niet mogen verlangen dat zij aanvullende gegevens naast de in bijlage II vermelde gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis (zie 2.7). 4.10.

Ten aanzien van artikel 31 lid 3 Derde levensrichtlijn heeft het Europese Hof van Justitie (HvJEU) in zijn arrest van 29 april 2015 (NN/Van Leeuwen; ECLI:EU:C:2015:286, hierna het arrest NN/Van Leeuwen) geoordeeld (onder 34): “… dat dit aldus moet worden uitgelegd dat het niet eraan in de weg staat dat een verzekeraar op grond van algemene beginselen van intern recht, zoals (…) open en/of ongeschreven regels, gehouden is de verzekeringnemer bepaalde informatie te verstrekken in aanvulling op die vermeld in bijlage II bij de richtlijn, mits (…) de verlangde informatie duidelijk en nauwkeurig is en noodzakelijk voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis en zij voldoende rechtszekerheid waarborgt”. 4.11.

De implementatie van de Derde levensrichtlijn heeft plaatsgevonden door het in werking treden van de RIAV 1994 (via artikel 51 Wtv 1993; zie 2.8). De RIAV 1994 gaf nadere invulling aan de (pre)contractuele verhouding tussen verzekeraar en verzekeringnemer. De RIAV 1994 bevatte geen voorschriften ter zake van informatieverstrekking over kosten, risico’s en rendementen. De RIAV 1994 beperkte zich tot regels omtrent vermelding van de bruto premie en een omschrijving van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht (art. 2, lid 2 onderdeel b en h RIAV 1994; zie 2.9). 4.12.

De RIAV 1994 is met ingang van 1 januari 1999 vervangen door de RIAV 1998. Ook de RIAV 1998 strekte tot implementatie van (onder meer) artikel 31 van de Derde levensrichtlijn. Ten opzichte van de RIAV 1994 zijn aan het eind van het tweede lid van artikel 2 de onderdelen q, r en s toegevoegd (zie 2.11). Blijkens de toelichting bij de RIAV 1998 beoogde onderdeel q de verzekeringnemer inzicht te geven hoe inhoudingen en kosten zijn rendement en de uiteindelijke uitkering zouden kunnen beïnvloeden. Met onderdeel r werd vervolgens de verplichting geregeld om, in gevallen waarin kosten van levensverzekeringen of spaarkasovereenkomsten met een beleggingscomponent naast de bruto premie in rekening werden gebracht, de consument hiervan op de hoogte te brengen.

Blijkens de toelichting legde onderdeel r geen extra verplichtingen op ten opzichte van onderdeel q, voor zover alle kosten al waren verwerkt in de bruto premie. Onderdeel s beoogde tot slot dat de verzekeringnemer duidelijk op de hoogte werd gebracht van het beleggingsrisico dat verbonden is aan levensverzekeringen of spaarkasovereenkomsten met een beleggingscomponent en in hoeverre dat voor zijn rekening komt. 4.13. De omstandigheid dat de gegevens als bedoeld in artikel 2 lid 2 sub q, r en s RIAV 1998 door de Nederlandse wetgever eerst met ingang van 1 januari 1999 nodig werden bevonden voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis, maakt op zichzelf nog niet dat artikel 31 lid 3 Derde levensrichtlijn in de weg staat aan een nationaalrechtelijke verplichting om meer informatie te verschaffen.

Uit de Derde levensrichtlijn zoals nader uitgelegd in het arrest NN/Van Leeuwen vloeit voort dat een dergelijke verplichting kan bestaan. De informatie dient dan noodzakelijk te zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de beleggingsverzekering. Hetgeen voortvloeit uit de ongeschreven Nederlandse rechtsregels moet voorts duidelijk en nauwkeurig zijn en voldoende rechtszekerheid moet gewaarborgd zijn. 4.14. De eerste vraag is echter of Nederlandse ‘open en /of ongeschreven regels’ inderdaad meebrachten dat NN gehouden was bovenvermelde informatie reeds voor de inwerkingtreding van de RIAV 1998 te verstrekken.

Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval tot 1 januari 1997. De rechtbank komt tot dat oordeel op de volgende gronden. 4.15. De hier in aanmerking komende open en/of ongeschreven rechtsregels zijn de regels van Nederlands recht die betrekking hebben op de precontractuele goede trouw, dat wil zeggen de redelijkheid en billijkheid die partijen tegenover elkaar in acht moeten nemen in de fase voordat de overeenkomst (de beleggingsverzekering) gesloten wordt. Die regels brengen mee dat rekening gehouden moet worden met alle omstandigheden, in het bijzonder met de aard van de te sluiten overeenkomst – hier: een complex product, de beleggingsverzekering –, de positie van partijen jegens elkaar – hier: een consument (bijgestaan door een tussenpersoon) tegenover een professionele verzekeraar – en de ten tijde van het sluiten van de overeenkomst algemeen in de samenleving geldende opvattingen omtrent hetgeen een behoorlijk en zorgvuldig verzekeraar aan informatie over zijn product aan de verzekeringnemer in spe dient te verschaffen. (Er kunnen ook uitzonderlijke omstandigheden zijn, die in een bepaald individueel geval van groot belang zijn; de aard van deze procedure op basis van art. 3:305a BW brengt mee dat daarvan hier geabstraheerd moet worden.

Deze toets ziet dus slechts op hetgeen in algemene zin geldt, voor de doorsnee situatie en voormelde gemiddelde verzekeringnemer). 4.16. De eerste twee aspecten zijn ook in de Derde Levensrichtlijn onder ogen gezien en hebben een rol gespeeld bij de samenstelling van bijlage II bij die richtlijn; de aanvullende rol die de redelijkheid en billijkheid kunnen vervullen is daardoor geringer dan wanneer dergelijke regelgeving had ontbroken. 4.17. Het komt dus met name neer op het derde aspect, de algemene maatschappelijke opvattingen ten tijde van de totstandkoming van de onderhavige overeenkomsten.

Daarbij wordt voorop gesteld dat die opvattingen in Nederland inhielden dat de contractsvrijheid uitgangspunt was; de aanvaardbaarheid van de verhouding tussen de prijs en de waarde van het product beleggingsverzekering was aan de vrije bepaling van partijen. Daarnaast verdient opmerking dat de maatschappelijke opvattingen aan verandering onderhevig zijn, zodat de huidige opvattingen niet gelijk hoeven te zijn aan de opvattingen van destijds. Bedoelde algemene open en ongeschreven Nederlandse rechtsregels voorzien in een toets aan de maatschappelijke opvattingen die golden ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten.

Partijen moesten daar immers toen hun gedrag op afstemmen. 4.18. De maatschappelijke opvattingen over een onderwerp als dit kunnen mede worden afgeleid uit de uitlatingen van regering en parlement. Tot 31 december 1996 werd door de Nederlandse wetgever voldoende gevonden dat informatie werd verstrekt over de bruto premie en de uitkering waartoe de verzekeraar zich verplichtte. Volgens de minister van Financiën waren verzekeraars niet verplicht om inzicht te geven in de kostenstructuur (Kamerstukken Tweede Kamer 1995-1996, 24456 nr. 12, p. 16-17).

De consument hoefde slechts op indirecte wijze te worden geïnformeerd over de kosten van het product, namelijk door het verwerken van de kosten in netto voorbeeldkapitalen. 4.19. De rechtbank ziet die uitlatingen van de minister en de omstandigheid dat daarvan in het parlement geen afstand werd genomen als neerslag van de destijds heersende opvatting dat indirecte transparantie voldoende was en de consument in staat stelde om de wezenlijke bestanddelen van het product goed te doorgronden. Aanwijzingen voor de gedachte dat de algemene heersende opvatting destijds anders luidde, ontbreken.

De Vereniging heeft op dat punt ook niets concreets gesteld. In het bijzonder is in die periode, anders dan later het geval was, geen sprake van in het publieke debat (al dan niet via de media) door belangenorganisaties en/of individuele consument-verzekeringnemers ingenomen standpunten in andere zin. Inhoudelijk is de door de minister aangehangen indirecte transparantie op het eerste oog voor een consument die snel een beeld wil hebben van wat hij/zij kan verwachten ook niet een ongeschikt middel om dat te bereiken. De voorbeeldkapitalen geven snel en voor elk opleidingsniveau inzichtelijk een dergelijk beeld.

Dat de minister daarmee meende dat voldoende inzicht werd verschaft is dan ook niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat daarover thans (en ook na 1 januari 1997) anders wordt en werd gedacht doet daaraan niet af; dat is mede het gevolg van inmiddels opgedane maar toen nog niet beschikbare ervaringen met het product, toen niet voorziene ontwikkelingen op de effectenbeurzen en gewijzigde omstandigheden op maatschappelijk en economisch vlak. 4.20. Dat betekent dat de precontractuele eisen van redelijkheid en billijkheid, in het licht van de wijze waarop de Derde levensrichtlijn in de RIAV 1994 was geïmplementeerd en de maatschappelijke opvattingen van destijds, in het algemeen niet meebrachten dat verzekeraars als NN meer informatie dienden te verschaffen dan de toen geldende wetgeving meebracht.

Er zijn geen regels van ongeschreven recht en/of open normen aan te wijzen op grond waarvan de verzekeringnemers meer informatie konden verwachten. Aan de vraag of dergelijke regels verzekeraars in staat stelden om met voldoende mate van voorspelbaarheid vast te stellen wat moest worden meegedeeld (vgl. NN/Van Leeuwen, r.o.

29) komt de rechtbank dus niet toe. 4.21. De rechtbank stelt vast dat de maatschappelijke opvattingen wijzigden vanaf eind 1996. Op initiatief van de bij het Verbond van Verzekeraars aangesloten verzekeraars werd per 1 januari 1997 bij wijze van zelfregulering de CRR 1996 ingevoerd. De CRR 1996 bevatte voorschriften over de voorbeeldrendementen die moesten worden gebruikt bij het berekenen van de netto voorbeeldkapitalen en voorschriften over de informatie die verzekeraars dienden te verstrekken over deze voorbeeldrendementen en de (beleggings)risico’s van beleggingsverzekeringen.

Achtergrond hiervan was volgens de minister van Financiën het volgende: “(…) de laatste jaren worden er steeds meer levensverzekeringsproducten aangeboden waarbij het rendementsrisico direct door de verzekeringnemer wordt gelopen. Vanwege deze ontwikkeling werd het in brede kring noodzakelijk geacht dat in informatieverstrekking aan de consument de risico’s die voor hem aan dergelijke levensverzekeringsproducten zijn verbonden voldoende worden belicht. In dit verband is recent door het Verbond van Verzekeraars de gedragscode rendementsprognoses vastgesteld.

In deze gedragscode wordt een aantal eisen geformuleerd waaraan informatieverstrekking aan de consument betreffende de genoemde producten moet voldoen. (…) het doel van deze gedragscode [is] de consument inzicht te verschaffen in de wijze waarop rendement en risico van beleggingen van invloed zijn op toekomstige uitkeringen uit levensverzekeringen en spaarkasovereenkomsten (…)” (Kamerstukken Tweede Kamer 1995-1996, 24456 nr. 12, p. 16-17). 4.22. Vervolgens verscheen in 1998 een onderzoeksrapport van de Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK), waarbij onder meer de RIAV 1994 werd geëvalueerd.

De PVK adviseerde de minister van Financiën de informatieverstrekking aan polishouders te verbeteren. Volgens de PVK hebben de Ombudsman en de Consumentenbond positief gereageerd op zijn (concept)adviesrapportage en was het Verbond van Verzekeraars van mening dat de voorstellen van de PVK op hoofdlijnen overeenstemden met de voornemens van het Verbond tot verbetering van de informatieverstrekking aan de consument (zie p. 85 van het rapport “PVK Studies 14”). 4.23. De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat de verzekeringsbranche met zelfregulering via de CRR 1996 uiting heeft gegeven aan de op dat moment gewijzigde maatschappelijke opvatting over de vereiste informatieverstrekking.

Met die zelfregulering liep de branche in wezen vooruit op de RIAV 1998, met name de onder artikel 2 lid 2 sub q, r en s RIAV 1998 bedoelde informatie, die onder die gewijzigde opvattingen als “noodzakelijk” in de zin van artikel 31 lid 3 Derde levensrichtlijn werd beschouwd. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat verzekeraars als NN vanaf eind 1996 gehouden waren om, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de RIAV 1998, vanaf de inwerkingtreding van de CRR 1996 de informatie als bedoeld in artikel 2 lid 2 onder q, r en s aan de consumenten te verstrekken.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verzekeraar als geen ander zijn eigen product kent, zodat de verzekeraar in staat is te beoordelen welke productkenmerken extra informatie rechtvaardigen (vgl NN/Van Leeuwen r.o. 30). RIAV 1998 4.24. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de RIAV 1998 blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk het systeem van indirecte transparantie van kosten heeft gehandhaafd. De verzekeraars dienden inzicht in de invloed van kosten en risicopremie te verschaffen door het vermelden van netto eindkapitalen (rekenvoorbeelden).

Nu de RIAV 1998 tot stand is gekomen na consultatie van onder meer het Verbond van Verzekeraars, de Consumentenbond, de PVK en de Ombudsman Levensverzekering, terwijl daarover ook in het parlement is gesproken, dient te worden geconcludeerd dat de norm die inhoudt dat de verzekeraar met deze indirecte transparantie van kosten voldoende en juiste informatie verstrekt aan de verzekeringnemers, destijds breed gedragen werd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de algemene eisen van precontractuele redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen verzekeraar en aspirant-verzekeringnemer beheersen daarmee verdisconteerd in de RIAV 1998 en kunnen uit die algemene eisen geen aanvullende informatieverplichtingen voortvloeien, laat staan dat eventuele aanvullende verplichtingen voldoen aan de uit het NN/Van Leeuwen-arrest (r.o.

29) voortvloeiende vereisten van, met name, rechtszekerheid en voorspelbaarheid. De omstandigheid dat de voorschriften voor informatieverstrekking over beleggingsverzekeringen door de jaren heen zijn aangescherpt en de in de maatschappij levende inzichten daarover zijn gewijzigd, doet aan het bovenstaande niet af. De door de rechtbank aan te leggen toets is, zoals reeds werd overwogen, niet die van de thans geldende normen, maar die van de destijds geldende normen. Bgfo 4.25. Pas in 2008 heeft de wetgever (toen het Bgfo 2007 in werking trad; zie 2.19) de verplichting geïntroduceerd om opgave te doen van de hoogte en verrekeningswijze van (voorgeschreven) kostensoorten en de hoogte van de risicopremie voor de overlijdensrisicodekking in de eerste maand omdat deze fluctueert.

Blijkens de wetsgeschiedenis had de wijziging van het Bgfo 2007 tot doel “ (…) ervoor te zorgen dat verzekeraars meer en beter inzicht bieden in de diverse kostensoorten bij beleggingsverzekeringen. Dat inzicht is van belang omdat de kosten die op de premie en op de beleggingen worden ingehouden mede bepalend zijn voor de opbouw van het verzekerd kapitaal en uiteindelijk voor de hoogte van de uitkering op de einddatum (…)” (Staatsblad 2007, 520). Nu de beleggingsverzekeringen die onderwerp zijn van deze procedure kennelijk (vrijwel) alle voor de inwerkingtreding van het Bgfo zijn gesloten en de Vereniging over deze regeling geen concrete standpunten heeft ingenomen gaat de rechtbank ervan uit dat het Bgfo voor de beoordeling van de vorderingen niet van belang is.

Uit het voorgaande vloeit voort dat van doorwerking van de in de Bgfo neergelegde voorschriften naar de jaren daarvoor geen ruimte is. 4.26. Vervolgens is aan de orde de vraag of NN heeft gehandeld overeenkomstig bovenvermelde informatieverplichtingen. 1994 – 1996 4.27. Artikel 2 lid 2, onderdelen a tot en met p, RIAV 1994 bepaalden welke informatie de verzekeraar aan de verzekeringnemer diende te verstrekken. Zoals hiervoor reeds is overwogen, bevatte de RIAV 1994 geen specifieke voorschriften ter zake van informatieverstrekking over kosten, risico’s en rendementen.

De RIAV 1994 beperkte zich tot regels omtrent vermelding van de bruto premie (sub h) en een omschrijving van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht (sub b). Er was ook geen sprake van voorschriften ten aanzien van de in de offerte te hanteren voorbeeldrendementen. 4.28. NN heeft onbetwist gesteld dat zij in deze periode in haar offertes gebruik maakte van veronderstelde voorbeeldrendementen en dat zij daarvan melding maakte in de offerte. Nu, zoals hiervoor reeds overwogen, de RIAV 1994 geen voorschriften bevatte ten aanzien van de te hanteren voorbeeldrendementen, mocht NN gebruik maken van ‘zelfgekozen’/veronderstelde voorbeeldrendementen.

Er bestond op dat moment immers geen in redelijkheid te kiezen beter alternatief omdat er geen regelgeving bestond en ook geen uitgekristalliseerde opvattingen in haar kringen dan wel in de maatschappij in het algemeen aanwezig waren. Van NN mocht wel gevergd worden dat die gekozen rendementen niet een evident overmatig optimistisch beeld schetsten (bijvoorbeeld 30% rendement), maar dat daarvan sprake was, is niet (naar behoren uitgewerkt en gemotiveerd) gesteld. 4.29. Ten aanzien van de kosten en risicopremies heeft NN onbetwist gesteld dat zij in haar offertes in de periode 1994 – 1996 de bruto premie en de geprognosticeerde netto einduitkering bij bepaalde voorbeeldscenario’s opnam.

Indien sprake was van aanvullende risicodekkingen, maakte zij hiervan separaat melding overeenkomstig artikel 2 lid 2 sub h RIAV 1994. Naar NN terecht stelt, was zij op grond van die bepaling niet verplicht tot het apart vermelden van de hoogte van de overlijdensrisicopremie. De overlijdensrisicopremie was verwerkt in de bruto premie, en maakte dus deel uit van de premie verschuldigd voor de hoofddekking. Blijkens de toelichting bij sub h worden onder nevenuitkeringen separate dekkingen voor andere risico’s verstaan, bijvoorbeeld een aanvullende ongevallendekking of een dekking van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid (Stcrt. 1994, 97); de overlijdensrisicopremie is dus geen premie voor een nevenuitkering.

Gelet hierop en tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor onder 4.27 is overwogen, voldeed NN naar het oordeel van de rechtbank in de periode 1994 – 1996 aan haar uit de RIAV 1994 voortvloeiende verplichtingen ter zake van kosten en risicopremies. 4.30. Zoals hiervoor reeds is overwogen bevatte de RIAV 1994 geen voorschriften over het verstrekken van informatie over beleggingsrisico’s. NN was dan ook niet gehouden daarover informatie te verstrekken. 4.31. Tegen de achtergrond van het voorgaande en nu de Vereniging bovenvermelde wijze van handelen van NN op zichzelf niet (voldoende) gemotiveerd heeft weersproken, komt de rechtbank tot de conclusie dat NN heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen over de periode 1994 -1996. 1997 – 1998 4.32.

Zoals hiervoor reeds is overwogen (4.23) diende NN in deze periode te voldoen aan de informatieverplichtingen zoals verwoord in de RIAV 1998. 4.33. Artikel 2 lid 2 RIAV 1998 bepaalde in onderdelen a tot en met s welke informatie de verzekeraar aan de verzekeringnemer diende te verstrekken. Op grond van onderdeel b moesten verzekeraars een omschrijving opnemen van de uitkering(en) waartoe zij zich verplichtten. Alleen als het niet mogelijk was om het bedrag van de uitkering te noemen, diende een nauwkeurige omschrijving te worden gegeven van de uitkering met vermelding van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering afhankelijk was.

Naar NN terecht naar voren brengt, behoefde dat geen vast, gegarandeerd bedrag te zijn. Dat volgt uit de tekst van, noch uit de toelichting bij, onderdeel b. Uit die tekst en toelichting blijkt ook niet dat de verzekeringnemer diende te worden geïnformeerd over de wijze van berekenen van dat bedrag. Daarbij komt dat onderdeel b in verband moet worden gezien met onderdeel q, r en s van dat artikel. Onderdeel q bepaalde dat een verzekeringnemer diende te worden geïnformeerd over de invloed van kosten en inhoudingen op het rendement en de uitkering.

Blijkens de toelichting bij dit onderdeel was het volgens de wetgever voldoende om rekenvoorbeelden te verstrekken waarin de kosten en inhoudingen waren verwerkt. De woorden “de invloed… op het rendement en de uitkering” uit de onderhavige bepaling dienen derhalve aldus te worden begrepen dat de verzekeraar niet gehouden was om een op zichzelf staand overzicht van of inzicht in de concrete en/of absolute kosten en de opbouw daarvan te verschaffen. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft de wetgever uitdrukkelijk gekozen voor indirecte transparantie van kosten: verzekeraars dienden inzicht in de invloed van kosten en risicopremie te verschaffen door het vermelden van netto eindkapitalen (rekenvoorbeelden) (zie 4.24).

Hier verdient, opnieuw, vermelding dat het een bewuste keuze betreft, die destijds op een breed maatschappelijk draagvlak kon rekenen. De wetgever verwachtte dat deze wijze van informeren voor de gemiddelde verzekeringnemer een helder en overzichtelijk beeld zou opleveren, waardoor een goede keuze gemaakt kon worden voor een bepaald product. Zoals eerder reeds overwogen was vervolgens in onderdeel r de verplichting opgenomen om kosten die naast de bruto premie in rekening werden gebracht en die dus niet waren verwerkt in het netto voorbeeldkapitaal te vermelden.

Uit de toelichting op de RIAV 1998 blijkt dat een kwantitatieve weergave van de kosten uitdrukkelijk was beperkt tot de kostensoorten die niet al in de bruto premie en het netto voorbeeldkapitaal waren verwerkt. De wel in het voorbeeldkapitaal verwerkte kosten behoefden derhalve niet afzonderlijk te worden vermeld. Onderdeel s beoogde tot slot dat de verzekeringnemer duidelijk op de hoogte werd gebracht van het beleggingsrisico dat verbonden is aan levensverzekeringen of spaarkasovereenkomsten met een beleggingscomponent en in hoeverre dat voor zijn rekening komt (Stcrt 1998, 134, p. 9). 4.34.

Het mechanisme van de FVB beleggingsverzekering was niet apart geregeld. De RIAV 1998 gaat uit van het aftrekken van de kosten van de bruto premie en het beleggen van het daarna resterende bedrag. NN had haar product anders geconstrueerd (zie 2.4). De tekst van art. 2 lid 2 b en q-s laten daarvoor ruimte. De vraag die zich dan voordoet is of, gelet op deze systematiek, onderdeel r van toepassing is op alle kosten behalve de aankoopkosten (die immers ook bij de FVB beleggingsverzekering rechtstreeks van de bruto premie worden afgeboekt). Daarop wordt hierna teruggekomen, in het kader van de vraag in hoeverre de in rekening gebrachte kosten een deugdelijke contractuele grondslag kennen.

Deze inrichting van de polis maakt echter geen verschil voor het door middel van voorbeeldkapitalen verschaffen van indirecte transparantie en evenmin voor de thans aan de orde zijnde informatieverschaffing. 4.35. Blijkens de door NN in deze procedure overgelegde voorbeeldoffertes vermeldde NN vanaf 1 januari 1997 netto eindkapitalen op basis van twee, op historische rendementen gebaseerde, voorbeeldrendementen. Naar het oordeel van de rechtbank voldeed NN daarmee aan haar informatieverplichtingen zoals deze destijds golden. Zoals hiervoor reeds overwogen kon NN immers voor wat betreft onderdeel q volstaan met het vermelden van netto eindkapitalen (rekenvoorbeelden). 4.36.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat NN vanaf de datum van inwerkingtreding van de CRR 1996 in de offertes heeft gewaarschuwd voor het beleggersrisico met de tekst: “Wij willen u erop wijzen dat: - geen rechten kunnen worden ontleend aan de voorbeeldberekeningen; - de toekomstige rendementen jaarlijks kunnen fluctueren en kunnen afwijken van de in de voorbeelden gebruikte rendementen; - het gebruik van rendementen uit het verleden geen enkele garantie voor de toekomst inhoudt”. Daarmee voldeed NN naar het oordeel van de rechtbank jegens de verzekeringnemers aan de verplichting tot het waarschuwen voor en het informeren over het beleggingsrisico, zoals bedoeld in onderdeel s. 4.37.

Gesteld noch gebleken is dat NN kosten in rekening heeft gebracht die niet reeds in de bruto premie waren verwerkt. Van schending van onderdeel r is dus niet gebleken. Concrete stellingen heeft de Vereniging daarover niet betrokken. 4.38. Ten aanzien van de overlijdensrisicopremies heeft NN onbetwist gesteld dat zij in haar offertes vanaf de invoering van de CRR 1996 de bruto premie vermeldde, alsmede netto voorbeeldkapitalen. Naar NN terecht stelt, was zij niet verplicht tot het apart vermelden van de hoogte van de overlijdensrisicopremie. De rechtbank licht dit toe.

Zoals onder 4.22 overwogen was NN vanaf 1 januari 1997 gehouden om, op basis van de maatschappelijke opvattingen en de zelfregulering zoals neergelegd in de CRR 1996, en vooruit lopend op de invoering van RIAV 1998, de informatie als bedoeld in art. 2 lid 2 q, r en s RIAV 1998 te verstrekken aan de consument/aspirant-verzekeringnemer. Die onderdelen van artikel 2 zien op kosten. De overlijdensrisicopremie vormt geen onderdeel van de kosten in eigenlijke zin. Het gaat bij de FVB beleggingsverzekering immers om een verzekering, en wel een gemengde levensverzekering die dekking biedt als het verzekerd risico zich voordoet, te weten ofwel het in leven zijn van de verzekeringnemer (of bijvoorbeeld haar/zijn partner) op een bepaalde datum ofwel diens overlijden; die dekking (bij leven dan wel dood, naar gelang het geval) is de hoofddekking.

Dit heeft de Vereniging niet betwist, hoewel zij stelt dat het beleggingsaspect overheerst. Voor die verzekeringsdekking dient een verzekeringspremie betaald te worden. Op die premie ziet het eerste deel van art. 2 lid 2 RIAV 1998, onder h. Het tweede deel van art. 2 lid 2 h ziet op (eventuele) nevenuitkeringen. Blijkens de toelichting bij sub h worden onder nevenuitkeringen separate dekkingen voor andere risico’s verstaan, bijvoorbeeld een aanvullende ongevallendekking of een dekking van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid (Stcrt. 1998, 134).

Uit voorgaande korte schets blijkt dat de overlijdensrisicopremie geen premie voor een nevenuitkering is. 4.39. De vraag die zich dan aandient is of de verplichting tot het schriftelijk in kennis stellen van de premie verschuldigd voor de hoofddekking (art. 2 lid 2 h RIAV 1998), derhalve de overlijdensrisicopremie, meebrengt dat die apart en in kwantitatieve zin gespecificeerd dient te worden opgegeven, zoals de Vereniging stelt. NN stelt daartegenover dat het kwantitatief specificeren, met andere woorden het noemen van een concreet bedrag, als gevolg van de constructie van de FVB beleggingsverzekering niet mogelijk was.

Die constructie hield immers in dat niet het volle bedrag dat zou worden uitgekeerd verzekerd was, maar een lager bedrag, te weten het verschil tussen de uitkering bij overlijden en het inmiddels met de beleggingen opgebouwde vermogen. Alleen voor dat lagere bedrag moest premie worden betaald. Uit die constructie volgt dat dat lagere bedrag steeds een ander was, omdat de stand van de beleggingsfondsen fluctueerde. De rechtbank acht dat van belang, maar niet beslissend. Beslissend is, dat het systeem van de CRR 1996 en van de RIAV 1998, dat als gezegd destijds maatschappelijk breed gedragen werd, meebracht dat voorbeeldkapitalen werden gebruikt om het totaal effect van de kosten en de risicopremies duidelijk te maken.

Daartoe werd gevergd dat de bruto premie, waarvan de overlijdensrisicopremie deel uitmaakt, werd vermeld, alsmede de kosten bedoeld in leden q-s en de premie voor een eventuele nevenuitkering. Als NN dus die systematiek heeft gebruikt en de netto voorbeeldkapitalen en de bruto premies heeft vermeld, dan heeft zij via indirecte transparantie de informatie verstrekt waartoe zij gehouden was. Dit neemt niet weg dat, in een individueel geval en afhankelijk van de verstrekte contractdocumentatie, het oordeel kan zijn dat NN tekortgeschoten is. Op de invulling van een mogelijke leemte wordt hierna ingegaan. 4.40.

Tegen de achtergrond van het voorgaande en nu de Vereniging bovenvermelde wijze van handelen van NN op zichzelf niet (voldoende) gemotiveerd heeft weersproken, komt de rechtbank tot de conclusie dat NN heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen over de periode 1997 -1998. 1998 – 2002 4.41. NN stelt dat zij in deze periode overeenkomstig de RIAV 1998, de CRR 1996/1998 en de beleidsregels van de PVK heeft gehandeld. Zo werden in de offertes netto voorbeeldkapitalen getoond op basis van een drietal scenario's uitgaande van:

1) het gemiddeld historisch fondsrendement;

2) het gemiddeld historisch fondsrendement na afslag (inhoudend een correctie van 20% tot 60% op het gemiddeld historisch fondsrendement); en 3) het standaard fondsrendement, dat door een onafhankelijke instantie voor de betreffende fondscategorie werd vastgesteld. Daarnaast vermeldde NN overeenkomstig de CRR 1998 in haar offertes productrendementen, behorende bij de drie opgenomen voorbeeldrendementen. Voorts werd het percentage van de in rekening te brengen (beheer)kosten van de fondsbeheerder (de TER) expliciet in de offerte opgenomen. Met de inwerkingtreding van de beleidsregels van de PVK verstrekte NN een afkoop- premievrije waarde tabel.

Tot slot waarschuwde NN voor beleggingsrisico’s overeenkomstig de CRR 1998 en voornoemde beleidsregels met de tekst: ”LET OP - Beleggen bij wie en in welke vorm dan ook brengt financiële risico's met zich mee. Dat geldt ook voor deze levensverzekering met beleggingsrisico. Beleggen geeft u kans op een hoger, maar ook op een lager dan gemiddeld rendement. Dit risico is voor u. - Naarmate wordt belegd in meer risicovolle beleggingsvormen, zullen de te behalen rendementen onderhevig zijn aan grotere schommelingen en kan dus ook de eindopbrengst meer afwijken van de in de voorbeelden gehanteerde bedragen. (Zie hiervoor de brochure Rendement en Risico.) - Wij wijzen u erop, dat de gehanteerde rendementen zijn gebaseerd op behaalde rendementen uit het verleden en daarom geen garantie bieden voor in de toekomst te behalen rendementen. (Zie hiervoor de brochure Rendement en Risico.) - De gepresenteerde bedragen zijn uitsluitend bedoeld als voorbeeld en niet als garantie of prognose.

Deze bedragen zijn nettobedragen, d.w.z. er is reeds rekening gehouden met premies voor verzekerde risico's, alsmede met gedurende de looptijd van het contract ingehouden kosten”. 4.42. De Vereniging betwist dit alles niet, maar stelt – kort gezegd – dat NN daarmee niet voldeed aan haar waarschuwing- en informatieverplichtingen. Dat verweer treft geen doel. Zoals hiervoor reeds overwogen was er vanaf de inwerkingtreding van de RIAV 1998 geen sprake van informatieverplichtingen die verder strekten dan de informatieverplichtingen op grond van de RIAV 1998, ook niet op grond van algemene open en/of ongeschreven rechtsregels.

Hetgeen NN in de periode 1998 – 2002 aan informatie heeft verstrekt, voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de minimumverplichtingen als weergegeven onder 4.33. 4.43. Tegen de achtergrond van het voorgaande en nu de Vereniging bovenvermelde wijze van handelen van NN op zichzelf niet (voldoende) gemotiveerd heeft weersproken, komt de rechtbank tot de conclusie dat NN heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen over de periode 1998 - 2002. 4.44. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen onder I en II voor afwijzing gereed liggen, met uitzondering van het aspect van het ontbreken van een contractuele basis, dat hierna aan de orde komt.

Crashrisico 4.45. De Vereniging verwijt NN voorts dat zij haar verzekeringnemers onvoldoende heeft voorgelicht over het ‘crashrisico’ (vordering IV) en dat de FVB beleggingsverzekering door dit crashrisico kan worden gekwalificeerd als gebrekkig product (vordering III). 4.46. Het door de Vereniging gestelde crashrisico houdt in dat één of meerdere (forse) koersdalingen, op een voor de opbouw cruciaal moment, tot gevolg hebben dat het feitelijk niet meer mogelijk is om het beoogde eindkapitaal te bereiken, zelfs niet als de markt later aantrekt en/of als gemiddeld (rekenkundig over de looptijd berekend) wel het voorgespiegelde rendementspercentage wordt behaald. 4.47.

Naar het oordeel van de rechtbank is het een feit van algemene bekendheid dat het beleggen in effecten een risico van vermogensverlies met zich brengt (door waardedaling van de effecten waarin is belegd ten opzichte van hun aankoopprijs) en een risico met zich mee brengt dat het beoogde rendement niet wordt behaald. Dat als gevolg van koersdalingen het beoogde eindkapitaal niet wordt behaald, ondanks het feit dat het voorgespiegelde rendementspercentage (op de door de Vereniging bedoelde wijze berekend) wel wordt behaald, is een uitvloeisel van bovenvermeld beleggersrisico.

Het crashrisico is dus een van het algemene beleggingsrisico deel uitmakend risico en geen buitengewoon risico waarvoor uitdrukkelijk en in niet mis te verstane bewoordingen gewaarschuwd diende te worden, naast de waarschuwingen die NN ten aanzien van het beleggingsrisico heeft gegeven (zie 4.36 en 4.41). De omstandigheid dat NN tot de inwerkingtreding van de CRR 1996 de voorbeeldrendementen berekende aan de hand van het rekenkundig gemiddelde (zie hierna onder 4.50), maakt een en ander niet anders (zie hierna onder 4.52). Het bestaan van het crashrisico maakt de FVB beleggingsverzekering dan ook niet gebrekkig. 4.48.

Op grond van het voorgaande zullen de vorderingen onder III en IV worden afgewezen. Fata morgana effect 4.49. De vorderingen onder V, VI en VII hebben betrekking op het door de Vereniging gestelde ‘fata morgana effect’. 4.50. De Vereniging verwijt NN – kort gezegd – dat zij voor de invoering van de CRR 1996 met een willekeurig gekozen rendementspercentage heeft gerekend. Er werd geen rekening gehouden met de volatiliteit van de markt. De berekening werd opgesteld aan de hand van een, daartoe ongeschikt, rekenkundig gemiddelde. Na de invoering van de CRR 1996 heeft NN de juiste berekeningsmethodiek - waarbij met het meetkundig gemiddelde werd gerekend - toegepast, maar zij heeft verzuimd aan de afnemers uit te leggen dat een hoger rekenkundig gemiddelde dan op het eerste oog verwacht benodigd is om het betreffende eindresultaat te bereiken.

Het verschil in eindwaarde tussen een berekende waarde met een jaarlijks gelijkblijvend stijgingspercentage en een berekende waarde met de werkelijke koersstijgingen en dalingen (ook als die gemiddeld gelijk zijn aan het gelijkblijvende stijgingspercentage), wordt door de Vereniging het fata morgana effect genoemd. 4.51. Naar het oordeel van de rechtbank behoefde NN haar verzekeringnemers niet te waarschuwen voor dit fata morgana effect. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is het een feit van algemene bekendheid dat het beleggen in effecten een risico van vermogensverlies met zich brengt (door waardedaling van de effecten waarin is belegd ten opzichte van hun aankoopprijs) en een risico dat het beoogde rendement niet wordt behaald.

Datzelfde geldt voor het fluctueren van rendementen. De fijnzinnige en soms contra-intuïtieve gevolgen van koersdalingen en -stijgingen en de effecten daarvan op de lange termijn waaraan de Vereniging refereert kunnen zich bij het beleggen in aandelen in allerlei varianten voordoen, waarbij nog komt dat de markt zich, naar algemeen bekend is, uiterst lastig laat voorspellen. Degene die belegt moet in algemene zin gewaarschuwd worden voor dat soort gevolgen, maar daarbij hoeft niet elke variant aan de orde te komen. Dat is in redelijkheid ook niet mogelijk.

De vordering onder VI ligt derhalve voor afwijzing gereed. 4.52. Met betrekking tot de voor 1996 gehanteerde voorbeeldrendementen, oordeelt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor reeds is overwogen waren er tot 1996 geen voorschriften ten aanzien van de in de offerte te hanteren voorbeeldrendementen. NN mocht in die periode gebruik maken van zelfgekozen voorbeeldrendementen (zie 4.27 en 4.28), mits die niet (volstrekt) onrealistisch waren; dat dat laatste het geval was is gesteld noch gebleken. De vordering onder VII zal derhalve worden afgewezen. 4.53.

De rechtbank acht de vordering onder V, die ziet op de situatie na 1996, evenmin toewijsbaar. Zoals hiervoor reeds overwogen onder 4.33 was NN niet verplicht om de verzekeringnemers te informeren over de wijze van berekenen van de netto voorbeeldeindkapitalen. Hefboom/inteer effect 4.54. Vervolgens ligt de vraag voor of NN de verzekeraars had moeten inlichten over en/of waarschuwen voor de risico’s van het ‘hefboom- en/of inteereffect’. 4.55. De rechtbank overweegt het volgende. Het (negatieve) hefboom-/inteereffect houdt verband met de wijze waarop bij FVB beleggingsverzekeringen de overlijdensrisicodekking is ingebouwd.

Door deze constructie is, zoals reeds eerder vermeld, uitsluitend het verschil tussen de verzekerde uitkering bij overlijden en de in de beleggingsverzekering opgebouwde waarde verzekerd. De overlijdensrisicopremie die verschuldigd is, wordt alleen over dit verschil berekend (zie 2.4). Als de poliswaarde achterblijft, is meer overlijdensrisicopremie verschuldigd, hetgeen in mindering komt op de opgebouwde waarde waardoor deze verder achterblijft. Het inteereffect kan optreden wanneer sprake is van een overlijdensrisicodekking die (in verhouding tot de bruto premie) dusdanig hoog is dat meer participaties moeten worden onttrokken dan waarvan sprake zou zijn geweest zonder hefboomeffect, zodat uiteindelijk per saldo van de premie niet of nauwelijks inleg resteert.

Het omgekeerde kan zich ook voordoen: bij goede beleggingsresultaten daalt de premie, waardoor een groter deel van de inleg kan worden belegd en het positieve effect toeneemt. 4.56. NN heeft deze werking van het hefboom- en/of inteereffect niet betwist; zij heeft slechts opgemerkt dat de effecten daarvan in kwantitatieve zin beperkt zijn. Echter, nu het hefboom- en/of inteereffect een gevolg was van de constructie van de FVB beleggingsverzekering, is dit effect aan te merken als een (gewoon) beleggingsrisico. Het moet voor de verzekeringnemers voldoende duidelijk zijn geweest dat de waarde van de beleggingen zou kunnen dalen.

Logisch gevolg daarvan is dat de premie voor het overlijdensrisico in dat geval zou stijgen. Dat behoefde geen aparte toelichting. Naar het oordeel van de rechtbank is het hefboom- en/of inteereffect aldus geen bijzonder risico waar NN haar verzekeringnemers specifiek over/voor had moeten informeren/waarschuwen, op de hiervoor onder 4.51 genoemde gronden. Dat betekent dat de vordering onder VIII moet worden afgewezen. Churning 4.57. Ten aanzien van het verwijt van de Vereniging dat NN zich schuldig heeft gemaakt aan ‘churning’ (zie 3.1 onder IX), oordeelt de rechtbank als volgt. 4.58.

De Vereniging stelt dat NN zich ten aanzien van de polissen waarbij de inleg periodiek wordt betaald, schuldig heeft gemaakt aan het onnodig, en te eigen bate, uitvoeren van effectentransacties waarover aan- en/of verkoopkosten moeten worden betaald, ‘churning’ genaamd. NN heeft de kosten (en de overlijdensrisicopremie) immers niet uit de bruto premie voldaan, maar zij investeerde eerst de bruto premie in beleggingsunits (participaties) en verkocht vervolgens weer participaties om de verschillende kosten (en risicopremies) te betalen. Hierdoor zijn transactiekosten berekend over dat deel van de bruto premie dat is bestemd voor deze kosten, zowel bij aankoop als bij verkoop.

Deze transacties zijn niet nodig en ook niet in het belang van de verzekeringnemers, maar zijn er slechts op gericht om aan- en verkoopprovisie te genereren voor de verzekeraar. Deze extra provisie ten gunste van de verzekeraar betekent minder rendement voor de afnemer. Bovendien loopt de verzekeringnemer het risico dat hij tussentijds onnodige koersverliezen lijdt op de belegging. Wanneer na de aankoop van participaties de koers is gedaald, dienen er, als er verkopen plaatsvinden voor betalingen van de kosten, immers meer participaties te worden verkocht om de kosten te kunnen betalen dan wanneer de kosten direct waren voldaan.

De Vereniging stelt dat churning een toerekenbare tekortkoming jegens de consument is in het kader van de op de verzekeraar rustende verplichting om de kosten van de polis niet onnodig hoog te laten oplopen. Daarnaast kan churning ook worden gezien als een afzonderlijke onrechtmatige daad van NN jegens de individuele verzekeringnemers doordat zij opzettelijk en in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk wordt geacht de kosten voor de verzekeringnemer laat oplopen met als doel daarvan zelf te profiteren. 4.59. NN betwist dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan churning.

Zij voert aan dat bij de verkoop van participaties teneinde kosten en risicopremies te voldoen, geen verkoopkosten in rekening zijn gebracht. De transacties zijn bovendien niet onnodig, omdat deze verband houden met het universal life karakter van de FVB beleggingsverzekering en dus met de systematiek die onderdeel is van de met de verzekeringnemer gesloten verzekeringsovereenkomst. De wijze waarop NN de kosten en risicopremies voldoet, leidt tot voordelen voor de verzekeringnemers, met name op het gebied van flexibiliteit en kostenbesparingen. Voor deze wijze van verrekenen van kosten en risicopremies bestaat geen werkbaar alternatief.

De wijze waarop de overlijdensrisicodekking is ingebouwd, maakt dat sprake is van een maandelijks steeds wisselende overlijdensrisicopremie. Deze overlijdensrisicopremie moet bovendien worden voldaan ongeacht de betaling van de bruto premie. Verkoop van participaties is daarvoor het enige werkbare alternatief, aldus NN. 4.60. De enkele omstandigheid dat NN eerst de volledige bruto premie (louter verminderd met aankoopkosten) belegde en vervolgens participaties verkocht om de kosten en risicopremies te voldoen, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat NN onnodig effectentransacties heeft verricht en daarmee onnodig kosten heeft veroorzaakt.

Deze wijze van kosten doorberekenen is immers eigen aan het product (zie 2.4) en NN heeft toegelicht dat het doel van bovenvermeld systeem niet is gelegen in het verrichten van zoveel mogelijk transacties ter bevoordeling van NN, maar juist in de flexibiliteit en kostenbesparing die dit systeem met zich mee brengt. De juistheid van dat argument valt in zijn algemeenheid niet vast te stellen, maar evenmin kan worden gezegd dat het onmogelijk juist kan zijn. Misbruik van een dergelijk systeem in de vorm van churning is vanzelfsprekend mogelijk (en voor de verzekeringnemer lastig vast te stellen), en een dergelijk opzettelijk genereren van transacties teneinde zelf provisie te toucheren zou ook wanprestatie dan wel een onrechtmatige daad kunnen opleveren, maar de Vereniging dient dan wel behoorlijk toe te lichten en minst genomen (enigszins) te onderbouwen dat hiervan sprake is geweest en waarom zij meent dat dit systeem onmogelijk gunstig voor verzekeringnemers kan zijn.

Daarbij is van belang dat het hanteren van dit systeem dat, ten opzichte van het door de Vereniging als uitgangspunt gehanteerde model waarbij alle kosten ineens van de bruto premie worden afgetrokken, voor de verzekeraar gunstiger is, niet om die enkele reden onrechtmatig is of een tekortkoming oplevert; dat geldt in het bijzonder als dat systeem ook voor de verzekeringnemer gunstiger is dan het alternatief, zoals NN hier stelt. De Vereniging heeft op dat punt niets concreets gesteld. De Vereniging heeft ook haar stelling dat NN doelbewust het systeem van universal life heeft gekozen om de churning te kunnen verhullen, dat wil zeggen aan de afnemers niet inzichtelijk te maken welke kosten werden ingehouden en om extra kosten in rekening te kunnen brengen om zo aan- en verkoopprovisies voor zichzelf te genereren, niet nader uitgewerkt en onderbouwd.

Aldus kan niet worden vastgesteld dat – zoals de Vereniging stelt – de wijze waarop NN de kosten voldoet (door de Vereniging aangeduid als churning; zie hiervoor) is aan te merken als toerekenbare tekortkoming of als onrechtmatige daad. De vordering onder IX zal daarom worden afgewezen. 4.61. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen zal ook de vordering onder X worden afgewezen. Oneerlijke bedingen / verjaring 4.62. De Vereniging vordert onder A) tot en met D) – kort gezegd – voor recht te verklaren dat artikel 3D lid 1 en artikel 14 lid 2 van de algemene voorwaarden (versies 1990 en 2001; zie 2.6) oneerlijke bedingen in de zin van Richtlijn 93/13 EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna:

Richtlijn 93/13) zijn en deze bedingen derhalve te vernietigen. 4.63. NN betwist dat bovengenoemde bepalingen oneerlijke bedingen in de zin van Richtlijn 93/13 zijn en stelt dat de Vereniging bovendien geen belang heeft bij haar vorderingen, onder meer omdat de vorderingen tot vernietiging van de betreffende bepalingen verjaard zijn. 4.64. De rechtbank stelt voorop dat de onder 4.62 bedoelde vorderingen kunnen worden ingesteld in een collectieve actie in de zin van 3:305a BW (zie Kamerstukken II 1992-1993, 22 486, nr. 3, p. 25 en Kamerstukken II 1992-1993, 22 486, nr. 5, p. 10).

Deze vorderingen hebben immers betrekking op bestaande rechtsverhoudingen; het gaat om algemene voorwaarden die van toepassing zijn op FVB beleggingsverzekeringen. 4.65. Het meest verstrekkende verweer van NN houdt in dat de vordering tot vernietiging van de betreffende bedingen is verjaard door het verstrijken van de termijn van drie jaar van artikel 3:52 lid 1 onder d BW en dat de Vereniging om die reden geen belang heeft bij haar betreffende vorderingen. 4.66. Naar het oordeel van de rechtbank leent de vraag of een bepaalde vordering is verjaard zich in de regel niet voor behandeling in een collectieve actie als de onderhavige.

Het antwoord op die vraag is immers afhankelijk van de bijzondere omstandigheden in individuele gevallen, bijvoorbeeld voor wat betreft de vraag wanneer de verjaringstermijn is aangevangen en / of deze tijdig is gestuit. Voorts kan, onder omstandigheden (die per definitie van geval tot geval kunnen verschillen en moeten worden vastgesteld), het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. In het kader van deze collectieve actie en gelet op de stellingen van partijen zal de rechtbank het beroep op verjaring daarom passeren en zal zij er in het navolgende veronderstellenderwijs vanuit gaan dat de (althans tenminste sommige) individuele vorderingen tot vernietiging van de bovenvermelde bedingen niet zijn verjaard, zodat de Vereniging het vereiste belang heeft. 4.67.

De rechtbank stelt voorop dat Richtlijn 93/13 in de Nederlandse rechtsorde niet rechtstreeks van toepassing is op de horizontale verhouding tussen private partijen als hier aan de orde. Een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt echter mee dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 6:233 BW gehouden is een beding te vernietigen indien hij vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13 (HR 13 september 2013 ECLI:NL:HR:2013:691). 4.68. Op grond van artikel 3 lid 1 Richtlijn 93/13 wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. 4.69.

Tussen partijen is niet in geschil dat het gaat om overeenkomsten tussen een professionele partij (NN) en consumenten (de verzekeringnemers), dat over artikel 3D lid 1 en artikel 14 lid 2 VvV (versies 1990 en 2001) niet afzonderlijk is onderhandeld en dat deze artikelen zijn aan te merken als algemene voorwaarden die getoetst kunnen worden aan de eisen neergelegd in afdeling 6.5.3 BW. Artikel 3D lid 1 4.70. De Vereniging stelt dat dit beding in strijd met de goede trouw is en het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

Artikel 3D lid 1 regelt de inhouding van de kosten voor de overlijdensrisicoverzekering en de administratie- en beheerkosten. Dit beding is met name onduidelijk voor wat betreft de hoogte van de premie van de overlijdensrisicoverzekering. De hoogte van deze premie staat namelijk niet vast. De premie kan fors stijgen en de hoogte van de premie die wordt betaald is van directe invloed op de waarde van het kapitaal dat wordt opgebouwd. De onduidelijkheid over de hoogte van de premie en het feit dat NN hierover geen informatie heeft verschaft, maken het beding oneerlijk. 4.71.

NN betwist dat artikel 3D lid 1 VvV oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13. Zij voert aan dat in die bepaling duidelijk is beschreven dat overlijdensrisicopremies in rekening worden gebracht en hoe die zullen worden verrekend. De informatieverstrekking door verzekeraars over de kenmerken van de verzekering zoals prijs, prestatie en de (eventueel) daarnaast in rekening te brengen kosten vallen expliciet onder de reikwijdte van de implementatiewetgeving op basis van de Derde levensrichtlijn. Ook aanvullende informatie in polisvoorwaarden kan niet worden beoordeeld los van die implementatiewetgeving.

Wanneer een verzekeraar de door de wetgever voorgeschreven informatie over kosten en risicopremies heeft verstrekt, kunnen titel 6.5.3 BW en Richtlijn 93/13 niet tot de conclusie leiden, dat daarover (toch) meer en/of andere informatie had moeten worden gegeven. 4.72. De rechtbank oordeelt als volgt. Artikel 3D lid 1 VvV heeft betrekking op het in rekening brengen van administratie- en beheerkosten en de overlijdensrisicopremie. Naar NN terecht stelt, valt de informatieverstrekking door verzekeraars hieromtrent onder de reikwijdte van de Derde levensrichtlijn.

Het gaat immers om kenmerken van de verzekering zoals prijs, prestatie en de (eventueel) daarnaast in rekening te brengen kosten. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft NN in de diverse periodes voldaan aan de informatieverplichtingen zoals die destijds golden en die voortvloeien uit de Derde levensrichtlijn (zie 4.31, 4.40 en 4.43). 4.73. De Derde levensrichtlijn beoogt onder meer de minimumvoorschriften binnen de Unie te coördineren, zodat de consument duidelijke en nauwkeurige informatie ontvangt over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden verzekeringsproducten (vgl punt 23 van de considerans van de Derde levensrichtlijn) en strekt dus mede tot bescherming van de consument.

Wat betreft consumentenbescherming overlappen Richtlijn 93/13 en de Derde levensrichtlijn, die beide zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving, elkaar dus. Waar in algemene zin geoordeeld moet worden, zoals hier, dat NN zich heeft gehouden aan de op haar rustende informatieverplichtingen uit hoofde van de Derde levensrichtlijn, en in zoverre dus de consument volgens het destijds geldende, voor het specifieke gebied van de levensverzekering geschreven, communautaire recht geacht moet worden voldoende te zijn beschermd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet tegelijkertijd omtrent dezelfde contractuele bepalingen geoordeeld worden dat NN niettemin heeft gehandeld in strijd met Richtlijn 93/13, waarvan het gevolg zou zijn dat de consument juist niet voldoende is beschermd.

Een materiële toetsing leidt niet tot een andere conclusie: van een ernstige verstoring van het evenwicht tussen de verzekeraar en de consument is geen sprake waar, zoals hier, geoordeeld moet worden dat de verzekeraar de consument naar de destijds geldende maatstaven in voldoende mate heeft geïnformeerd. 4.74. Tegen die achtergrond zullen de vorderingen onder A) en B) worden afgewezen. 4.75. Het voorgaande neemt niet weg dat in individuele gevallen, afhankelijk van alle omstandigheden, geoordeeld zou kunnen worden dat artikel 3D lid 1 VvV oneerlijk is en dus vernietigd moet worden, maar dat is voor de onderhavige collectieve actie niet van belang.

Artikel 14 lid 2 VvV 4.76. De Vereniging stelt dat artikel 14 lid 2 VvV oneerlijk is, omdat dit beding in strijd met de goede trouw is en het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Op grond van dit beding bracht NN namelijk, zo bleek achteraf, bij tussentijdse afkoop kosten en inhoudingen in mindering op het opgebouwde vermogen, waardoor het vermogen fors nadelig werd beïnvloed. Dit behoefde de afnemer echter niet te verwachten. Hij kon, uit hetgeen hem aan informatie was verstrekt, niet afleiden dat NN hoge kosten inhield en hij kon evenmin inschatten hoe deze kosten de opgebouwde waarden zouden beïnvloeden. 4.77.

NN voert aan dat van een verrekening van kosten bij afkoop en premievrijmaking niet altijd sprake is. Bij zowel afkoop als premievrijmaking worden sinds 1 juni 2011 geen (resterende) eerste kosten verrekend; daarvóór werden eerste kosten uitsluitend in rekening gebracht voor zover deze niet reeds volledig waren verrekend en dit resterende bedrag hoger was dan het deel van de afsluitprovisie dat NN bij de assurantietussenpersoon kon terugvorderen als gevolg van de afkoop of premievrijmaking. 4.78. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het bij artikel 14 lid 2 VvV niet om het verstrekken van informatie als bedoeld in de Derde levensrichtlijn.

Hetgeen onder 4.72 is overwogen geldt dus niet voor artikel 14 lid 2 VvV. Gelet echter op de stellingen van partijen zoals weergegeven onder 4.76 en 4.77, kan in deze collectieve actie niet worden vastgesteld of – zoals de Vereniging stelt – artikel 14 lid 2 VvV oneerlijk is in eerder vermelde zin. Het zal immers per individueel geval verschillen of en in hoeverre bij tussentijdse afkoop of premievrijmaking kosten en inhoudingen in mindering zijn gebracht. Niet gezegd kan worden dat artikel 14 lid 2 VvV in algemene zin oneerlijk is. Het tussentijds beëindigen van een overeenkomst die bedoeld was voor lange tijd te gelden mag in redelijkheid consequenties hebben voor de afwikkeling (en pleegt die ook te hebben), zonder dat dit, op zichzelf en zonder meer, oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13. 4.79.

Het bovenstaande geldt eveneens voor eventueel andere, ambtshalve te toetsen bepalingen. 4.80. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook de vorderingen onder C) en D) voor afwijzing gereed liggen. Grondslag kosten 4.81. Onder XII vordert de Vereniging een verklaring voor recht dat NN – kort gezegd – tot 1 juli 2002 diverse kosten heeft ingehouden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag bestond. Het betreft hier aan- en verkoopkosten, eerste kosten, incassokosten, provisie voor de tussenpersoon, doorlopende provisie voor de tussenpersoon en kosten van fondsbeheer.

De Vereniging stelt dat een grondslag voor de inhouding van deze kosten in de algemene voorwaarden noch in de polis(bladen) is te vinden. 4.82. NN voert aan dat bovenvermelde kosten zijn overeengekomen. De in de offerte opgenomen netto voorbeeldkapitalen vormen een contractuele grondslag voor de daarin genoemde c.q. verrekende kosten. In de offerte staat immers vermeld dat kosten en risicopremies in rekening worden gebracht. Verder zijn de verschillende kostensoorten vermeld in de contractdocumentatie. De kosten en risicopremies zijn alle terug te vinden in de VvV, terwijl vanaf 2002 de kosten expliciet waren opgenomen in de offerte en de Financiële Bijsluiter.

Daarnaast werd reeds in de prospectussen van het Verbond van Verzekeraars, die in de jaren '90 (via de tussenpersoon) ter beschikking werden gesteld, melding gemaakt van de overlijdensrisicopremie, de eerste en doorlopende kosten. 4.83. In de onderhavige zaak gaat het, zoals hiervoor reeds is overwogen, om een beleggingsverzekering op universal life basis (zie 2.4), waarbij de bruto premie na aftrek van aankoopkosten wordt belegd en waarbij vervolgens uit het fonds de andere kosten worden betaald. Naar de letter van artikel 2 lid 2 sub r RIAV 1998 is daarmee sprake van kosten die ‘naast’ de bruto premie in rekening worden gebracht; de consequentie daarvan zou dan zijn dat daarvan een kwantitatieve weergave diende te worden gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank dient dit onderdeel van de RIAV 1998 echter niet letterlijk/grammaticaal te worden uitgelegd, maar dient in aanmerking te worden genomen wat de wetgever met dit voorschrift heeft beoogd. Vast staat dat het bij de FVB beleggingsverzekering niet gaat om kosten van nevendekkingen of om kosten die andere aanbieders van beleggingsverzekeringen helemaal niet in rekening brachten, maar om kosten die in andere beleggingsverzekeringen in de bruto premie verdisconteerd zijn. De wetgever heeft de universal life-systematiek niet in de beschouwingen betrokken, zodat daaraan ook geen aandacht is besteed in het kader van de vraag welke kosten kwantitatief moesten worden weergegeven.

Het systeem van kosten berekenen van de FVB beleggingsverzekering neemt echter niet weg dat de kosten in kwestie verdisconteerd waren in de netto voorbeeldkapitalen (zie hierna 4.84) op dezelfde wijze als wanneer zij tot de bruto premie zouden zijn gerekend. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder 4.23 en 4.24 werd overwogen heeft de wetgever met art. 2 lid 2 RIAV 1998 beoogd dat voor de consument door middel van voorbeeldkapitalen (te weten door indirecte transparantie) inzicht werd gegeven in het totaaleffect van de kosten op de uiteindelijk te verwachten uitkering.

Dat inzicht is bij de FVB beleggingsverzekering bereikt. De toelichting onder r die is gegeven bij de kosten waarin separaat kwantitatief inzicht moet worden gegeven geeft ook geen steun aan de visie dat de enkele gekozen vorm (in dit geval universal life ) meebrengt dat indirecte transparantie niet zou volstaan. De rechtbank is van oordeel dat ook voor deze vorm indirecte transparantie volstaat. De bepaling sub r moet dus zo worden uitgelegd dat de betreffende kosten niet ‘naast’ de bruto premie in rekening zijn gebracht. 4.84. Naar NN terecht aangeeft, door de Vereniging niet is betwist en zoals hiervoor ook is overwogen, waren genoemde kosten verwerkt in de in de offertes vermelde netto voorbeeldkapitalen.

Naar het oordeel van de rechtbank bleek bovendien duidelijk uit de offertes dat er kosten en risicopremies in rekening zouden worden gebracht. De rechtbank wijst op productie 10.1A van NN. Deze in 1994 uitgebrachte offerte bevat de volgende mededeling: Productie 10.2 A van NN betreft een in 1998 uitgebrachte offerte en bevat een gelijkluidende bepaling. Een in 1999 uitgebrachte offerte (productie 10.3 A van NN) en een in 2000 uitgebrachte offerte (productie 10.4 A van NN) bevat de volgende mededelingen: en De brochure ‘Algemene voorlichtingsbrochure over levensverzekeringen met beleggingsrisico' (productie 10.3D en 10.4C van NN) die in 1998 ter vervanging van het eerdere prospectus is opgesteld bevat het volgende:

Een in 2005 door NN uitgebrachte offerte (productie 10.5 A van NN) bevat voorts de volgende mededelingen: en en 4.85. Daarnaast houden de (aan de verzekeringstussenpersoon verstrekte) prospectussen, productie 10.1 B (1994), productie 10.2 B (1998), productie 10.3 C (1999) en productie 10.4 F (2000) van NN mededelingen over kosten in, bijvoorbeeld: Het antwoord op de vraag of brochures zoals de prospectus in de diverse (in de loop der tijd aangepaste) versies zijn verstrekt, zal in ieder individueel geval moeten worden vastgesteld. In het kader van deze collectieve actie gaat de rechtbank er echter vanuit dat de betreffende brochures aan de (aspirant)verzekeringnemers zijn verstrekt.

NN heeft immers onbetwist gesteld dat zij alleen FVB verzekeringen heeft afgesloten via intermediairs en dat deze intermediairs op grond van (de verschillende versies van) de CRR verplicht waren de brochures aan de verzekeringnemers te verstrekken, terwijl in deze procedure wordt aangenomen dat de tussenpersonen hun taak naar behoren hebben vervuld. Tegen de achtergrond van het voorgaande moet in het kader van deze procedure daarom worden aangenomen dat ook de in de prospectus opgenomen mededelingen de verzekeringnemers hebben bereikt voordat de offerte werd getekend.

Daarmee geldt in beginsel dat met het ondertekenen van de offerte is ingestemd met het in rekening brengen van genoemde kosten. Van onverschuldigde betaling van die kosten is dan ook, in het algemeen en in beginsel, geen sprake. Daarbij is, zoals steeds in onderhavige procedure, niet uitgesloten dat hierover in een concreet geval anders moet worden geoordeeld, afhankelijk van de omstandigheden van dat geval. Voor de afzonderlijke concrete categorieën van kosten geldt daarbij meer in het bijzonder het volgende. 4.86. Naar NN terecht aangeeft kunnen de aan- en verkoopkosten voldoende duidelijk worden afgeleid uit artikel 1 VvV in combinatie met artikel 3A VvV.

Dat aan- en verkoopkosten in rekening worden gebracht kan immers worden afgeleid uit de definities van ‘aankoopprijs’ en ‘verkoopprijs’ in artikel 1 VvV, zeker nu deze prijzen niet gelijk zijn; dat de woorden aan-/verkoopkosten daarin niet voorkomen doet daaraan niet af. Artikel 3A bepaalt hoe de omrekening van premie in participaties plaatsvindt en de omrekening van de participaties bij uitkering (zie 2.6). Tegen die achtergrond treft de stelling van de Vereniging dat de grondslag voor deze kosten niet uit een definitie mag volgen, geen doel, gelet op de vrijheid van partijen om hun overeenkomsten zo in te richten als zij wensen, waarbij definities een vorm zijn waarin contractuele afspraken kunnen worden gegoten.

Daarbij wordt opgemerkt dat, in het algemeen, het in rekening brengen van aan- en verkoopkosten bij beleggingen niet uitzonderlijk is. 4.87. NN stelt dat onder de eerste kosten (als bedoeld in de terminologie van de Commissie de Ruiter) vallen de kosten gemoeid met het ontwikkelen van het product, het opzetten van het administratiesysteem, de verkoop van de polis (de afsluitprovisie voor de tussenpersoon en financieringskosten voor de verzekeraar in verband met die provisie), de acceptatie van de polis, het opstellen van de polis en het inbrengen van de polis in het administratiesysteem.

De Vereniging bestrijdt dat. De rechtbank stelt vast dat de door de Vereniging aangehouden terminologie van jaren na het sluiten van de overeenkomsten dateert, zodat moet worden vastgesteld welke kosten daaronder in redelijkheid te scharen zijn. Daarbij is het uitgangspunt dat de Commissie beoogde voor alle kosten een regeling te treffen. Tegen die achtergrond acht de rechtbank de interpretatie van NN juist. Naar hun aard gaat het hier om eerste kosten. De Vereniging heeft erkend dat de eerste kosten vanaf juli 2002 in de offertes werden vermeld.

Tot die tijd konden de eerste kosten in ieder geval worden afgeleid uit de prospectussen (zie 4.85). Zoals hiervoor reeds overwogen moet in het kader van deze procedure worden aangenomen dat ook de in de prospectus opgenomen mededelingen de verzekeringnemers hebben bereikt voordat de offerte werd getekend en geldt daarmee in beginsel dat met het ondertekenen van de offerte is ingestemd met het in rekening brengen van genoemde kosten, zoals de eerste kosten. 4.88. Hetzelfde geldt voor de incassokosten. De Vereniging heeft erkend dat deze kosten vanaf juli 2002 in de offertes waren vermeld en tot die tijd konden de incassokosten in ieder geval uit de prospectussen worden afgeleid. 4.89.

De Vereniging stelt dat de doorlopende provisie eerst per 1 januari 2006 in de contractdocumentatie was vermeld, zodat voor de verkochte polissen tot 1 januari 2006 voor de doorlopende provisie geen contractuele grondslag aanwezig is en NN deze provisie dus ten onrechte heeft ingehouden. De Vereniging heeft echter niet betwist dat, zoals NN stelt, de doorlopende provisie valt onder de doorlopende kosten die in verband kunnen worden gebracht met het beheer van de polissen als bedoeld in artikel 3D VvV. Ook hier geldt dat de latere terminologie moet worden toegepast op de destijds in rekening gebrachte kosten en dat het hier, naar hun aard, doorlopende kosten betreft. 4.90.

Ten aanzien van de fondsbeheerkosten (TER) staat tussen partijen vast dat deze vanaf 1 oktober 1998 in de offertes werden vermeld. Naar NN onweersproken heeft gesteld kunnen de fondsbeheerkosten voor 1 oktober 1998 worden afgeleid uit artikel 3C lid 5 en 6 VvV (zie 2.6). NN heeft onweersproken toegelicht dat de fondsen waar verzekeringnemers in beleggen, worden beheerd door een aparte entiteit en niet door NN zelf. Die entiteit maakt kosten voor de werkzaamheden die gepaard gaan met het beleggen en beheren van het fonds. Ook als NN wel zelf de fondsen zou beheren, zou dat overigens het geval zijn. 4.91.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat in het kader van deze collectieve actie niet is komen vast te staan dat NN bovenvermelde kosten zonder contractuele grondslag heeft ingehouden. Daarmee is, zo wordt ter voorkoming van misverstand opgemerkt, niets beslist over de hoogte of de redelijkheid van die kosten, want daarop ziet de vordering niet. Ter zake van de hoogte van de in rekening gebrachte kosten zou mogelijk sprake kunnen zijn van een leemte in de diverse verzekeringsovereenkomsten die in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) zal moeten worden ingevuld door het bepalen van een redelijke hoogte daarvan (vgl het arrest van het gerechtshof te Amsterdam in de collectieve actie van Stichting Koersplandewegkwijt van 26 juli 2011 (ECLI:NL:GHAMS:2011:BR2836), en het daarna in die zaak gewezen arrest van 14 juni 2013 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BZ3749) alsmede het reeds genoemde vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:7072).).In deze zaak is echter het debat tussen partijen over de invulling van die leemte niet althans in volstrekt onvoldoende mate gevoerd, nog daargelaten de vraag in hoeverre de onderhavige collectieve actie zich leent voor invulling van die leemte.

Dat betekent dat de vorderingen onder XII en XIII voor afwijzing gereed liggen. Vordering sub XI 4.92. Onder XI vordert de Vereniging in algemene termen een verklaring voor recht dat NN onrechtmatig jegens de verzekerden heeft gehandeld dan wel jegens hen is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomsten. Uit de voorgaande beoordeling op de verschillende specifieke punten volgt dat die vordering niet toewijsbaar is op grond van de tot dusver besproken feiten en omstandigheden en de daaromtrent ingenomen standpunten. Voor zover de Vereniging daarmee meer of anders heeft bedoeld zijn haar stellingen te vaag. 843a Rv 4.93.

De Vereniging vordert (voorwaardelijk) op grond van artikel 843a Rv overlegging van de Offerteprogrammatuur voor het product Flexibel Verzekerd Beleggen (hierna: FVB) zoals deze in de loop de jaren is gebruikt en een beschrijving van de werking van deze programmatuur. Zij stelt dat in de offerteprogrammatuur de kosten en inhoudingen en daarmee de hoogte en berekeningswijze van de kosten van het product zijn verwerkt. Aan de hand van die offerteprogrammatuur kan inzichtelijk gemaakt worden hoe de kosten en inhoudingen invloed hebben op het op te bouwen vermogen, kan de schade van het hefboomeffect nader onderbouwd worden en kan aangetoond worden dat de stellingen van NN over de beperkte gevolgen van het hefboomeffect onjuist zijn.

Daarnaast kan de Vereniging aantonen dat de door NN voorgestane indirecte transparantie niet voldoende was, welke premie voor de overlijdensrisicoverzekering werd gerekend en welke sterftetafels NN gebruikte. De Vereniging heeft daarom een rechtmatig belang bij overlegging van de offerteprogrammatuur en de beschrijving daarvan, aldus de Vereniging. 4.94. NN voert verweer. Zij geeft – kort gezegd – aan dat zij niet (meer) over de gevorderde FVB offerteprogrammatuurversies van bijna twintig jaar oud beschikt, dat de FVB offerteprogrammatuur niet onder de reikwijdte van het begrip 'bescheid' in de zin van artikel 843a lid 1 Rv valt, dat de Vereniging bij verstrekking daarvan geen rechtmatig belang heeft en dat er een beletsel is omdat het bedrijfsvertrouwelijke gegevens betreft.

Voorts geeft NN aan dat de werking van de Offerteprogrammatuur al door een onafhankelijke derde is gecontroleerd. 4.95. Op grond van artikel 843a Rv kan een partij bij een juridische procedure inzage, afgifte of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden wanneer hij daarbij een rechtmatig belang heeft en de bescheiden betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij hij partij is. Artikel 843a lid 4 Rv bepaalt dat er geen gehoudenheid bestaat om aan de vordering te voldoen als dat niet nodig is voor een behoorlijke rechtsbedeling. 4.96. Uit de stellingen van de Vereniging volgt dat haar belang bij de offerteprogrammatuur is gelegen in het berekenen van de schade die haar individuele leden (mogelijk) hebben geleden.

De Vereniging heeft dat ook ter zitting van 11 april 2017 bevestigd. Zij heeft verklaard dat zij de offerteprogrammatuur wil gebruiken om de schade te becijferen in de individuele zaken die naar haar verwachting uit deze collectieve actie voortvloeien. Aldus ontbreekt in deze collectieve actie het rechtmatig belang van de Vereniging bij overlegging van de gevraagde stukken. 4.97. In het geval zal worden beslist dat NN een schadevergoedingsplicht heeft, kan zo nodig in de individuele zaken nader worden bezien of de offerteprogrammatuur en de beschrijving daarvan dient te worden overgelegd.

Aldus lijdt de Vereniging geen onredelijk procedureel nadeel en geniet NN geen onredelijk voordeel. Een behoorlijke rechtsbedeling is derhalve gewaarborgd zonder dat NN thans wordt bevolen de offerteprogrammatuur en de beschrijving daarvan ter beschikking te stellen. 4.98. Op grond van het voorgaande zal de vordering tot overlegging van de offerteprogrammatuur en een beschrijving daarvan worden afgewezen. Ontvankelijkheid van de Vereniging 4.99. De rechtbank zal de vraag of de Vereniging heeft te gelden als een belangenorganisatie in de zin van artikel 3:305a BW in het midden laten.

Er bestaat immers geen belang bij de beantwoording van die vraag, omdat alle vorderingen van de Vereniging worden afgewezen. Overigens is tussen partijen zelf geen geschil (meer) over de vraag of de Vereniging als belangenorganisatie in de zin van artikel 3:305a BW kan worden aangemerkt, nu zij hebben afgesproken daarvan uit te zullen gaan. Proceskosten 4.100. De Vereniging zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten en de nakosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van NN worden begroot op: - griffierechten € 589,00 - salaris advocaat 2.486,00 (5,5 punten × tarief € 452,00) Totaal € 3.075,00 De nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten zijn toewijsbaar zoals in het dictum omschreven.

5De beslissing

De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen af, 5.2. veroordeelt de Vereniging in de proceskosten, aan de zijde van NN tot op heden begroot op € 3.075,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.3. veroordeelt de Vereniging in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de Vereniging niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening, 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. J.C.A.T. Frima en mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2017 in tegenwoordigheid van mr. L.A. Bosch, griffier. 2083/106/1659/1980