Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2017:554 ECLI:NL:RBROT:2017:554 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:554 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2017:554
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 5237519 CV EXPL 16-29805 uitspraak: 20 januari 2017 vonnis in het incident van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [eiser] , wonende te [plaatsnaam], eiser in de hoofdzaak bij exploot van dagvaarding van 8 juli 2016, verweerder in het incident, gemachtigde: mr. J.M. Bossers, te Rotterdam, tegen de stichting Stichting Antes, gevestigd te Rotterdam, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, gemachtigde: mr. J. Streefkerk, te Voorburg. Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en Antes.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:174 BW, artikel 6:162 BW, artikel 71 lid 1 Rv; ECLI:NL:RBROT:2017:554 · Rechtbank Rotterdam: Ook anderszins is niet gebleken van duidelijke aanwijzingen dat de vordering van [eiser] geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00. Het voorgaande betekent dat de kantonrechter niet bevoegd is van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen. De zaak zal op de voet van artikel 71 lid 1 Rv worden verwezen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken (de handelskamer) van deze rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. 4.5 Hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd behoeft geen verdere bespreking en beslissing, nu dit niet leidt tot een ander oordeel. 4.6 [eiser] is de partij die ongelijk krijgt.

Keywords

AI generated
party costs of attorney violation of party rights severity of constitutional infringement conflict of jurisdiction compensation for judicial errors arbitration

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:174 BW
Bovendien is zij aansprakelijk voor de schade van [eiser], op grond van artikel 6:174 BW juncto artikel 6:162 BW, omdat zij een gevaarlijke situatie heeft doen ontstaan, althans onnodig heeft laten voortbestaan.
artikel 6:162 BW
Bovendien is zij aansprakelijk voor de schade van [eiser], op grond van artikel 6:174 BW juncto artikel 6:162 BW, omdat zij een gevaarlijke situatie heeft doen ontstaan, althans onnodig heeft laten voortbestaan.
artikel 71 lid 1 Rv
De zaak zal op de voet van artikel 71 lid 1 Rv worden verwezen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken (de handelskamer) van deze rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 5237519 CV EXPL 16-29805 uitspraak: 20 januari 2017 vonnis in het incident van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [eiser] , wonende te [plaatsnaam], eiser in de hoofdzaak bij exploot van dagvaarding van 8 juli 2016, verweerder in het incident, gemachtigde: mr. J.M. Bossers, te Rotterdam, tegen de stichting Stichting Antes, gevestigd te Rotterdam, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, gemachtigde: mr. J. Streefkerk, te Voorburg. Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en Antes.

1Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen: het exploot van dagvaarding van 8 juli 2016, met producties; de incidentele conclusie tot onbevoegdheid van Antes; de akte tevens conclusie van antwoord in het incident van [eiser]; de brief van 18 oktober 2016, met productie van [eiser]; de conclusie van repliek in het incident van Antes; de conclusie van dupliek in het incident van [eiser]. De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden. 2De vordering in de hoofdzaak 2.1 [eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis -verkort en zakelijk weergegeven- te verklaren voor recht dat Antes aansprakelijk is voor haar (onrechtmatig) handelen jegens [eiser] met betrekking tot aard en hoeveelheid aan [eiser] toegediende medicatie, het niet-serieus nemen van de klachten van [eiser] als gevolg van bijwerkingen van de toegediende medicatie alsmede het niet voldoende onderzoeken of er alternatieven voor die medicatie voorhanden waren;

Antes te veroordelen tot a. vergoeding van de door [eiser] als gevolg van de tekortkoming van Antes geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente, zoals in de dagvaarding omschreven; b. betaling aan [eiser] van een voorschotbedrag van € 694,65 over de reeds gemaakte kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals in de dagvaarding omschreven; c. Antes te veroordelen in de proceskosten. 2.2 Aan zijn vordering heeft [eiser], verkort en zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang, het volgende ten grondslag gelegd: 2.2.1 Antes is, mede uit hoofde van haar professie, in hoedanigheid van de bij haar werkzame deskundige artsen, aansprakelijk op grond van de behandelovereenkomst tussen partijen voor de onzorgvuldige behandeling en de daaruit voortvloeiende beperkingen van [eiser].

Bovendien is zij aansprakelijk voor de schade van [eiser], op grond van artikel 6:174 BW juncto artikel 6:162 BW, omdat zij een gevaarlijke situatie heeft doen ontstaan, althans onnodig heeft laten voortbestaan. 2.2.2 De totale geleden schade c.q. beperkingen van [eiser] staan nog niet geheel vast. In verband met de onzekerheid bij de bepaling van de hoogte van de schade van de verscheidene schadeposten volstaat [eiser] thans met een vordering de schade te mogen opmaken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met daarnaast een voorschot aan materiële schadevergoeding ter hoogte van een deel van de tot nu toe gemaakte kosten aan verstrekte medicatie die niet door verzekering wordt gedekt. 3Het geschil in het incident 3.1 Antes heeft voor alle weren in de hoofdzaak een onbevoegdheidsincident opgeworpen.

Antes heeft zich op het standpunt gesteld dat de kantonrechter c.q. de kamer voor kantonzaken in de rechtbank in absolute zin onbevoegd is om van de door [eiser] ingestelde vorderingen kennis te nemen. Zij concludeert dan ook dat de kantonrechter zich onbevoegd dient te verklaren en de procedure dient te verwijzen naar de sector civiel recht van de rechtbank Rotterdam, een en ander met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident. 3.2 [eiser] heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring van Antes in haar incidentele vordering, dan wel tot afwijzing daarvan.

Zijn stellingen zullen onder de beoordeling worden besproken, voor zover in dat kader relevant. 4De beoordeling van de vordering 4.1 [eiser] heeft als verweer gevoerd dat het door Antes opgeworpen onbevoegdheidsincident als een afzonderlijk verweer moet worden beschouwd dat tegelijkertijd met eventuele overige verweren in de hoofdzaak naar voren gebracht en behandeld dient te worden. [eiser] acht Antes om die reden niet ontvankelijk in haar incidentele vordering. 4.2 [eiser] miskent daarbij dat de exceptie van onbevoegdheid, waarbij het verweer er toe strekt dat de rechter op grond van regels van procedurele aard niet aan de beoordeling van de rechtsbetrekking in geschil zelf toekomt, bij afzonderlijke (incidentele) conclusie kan worden opgeworpen en op de wijze geregeld in de artikelen 208 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en volgende kan worden afgedaan, eerst en voorafgaand aan de beslissing in de hoofdzaak.

Antes is dan ook ontvankelijk in haar incidentele vordering. 4.3 De vorderingen van [eiser] betreffen vorderingen van onbepaalde waarde. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Of de kantonrechter c.q. de kamer voor kantonzaken absoluut bevoegd is om de onderhavige vorderingen te beoordelen en te beslissen dient beoordeeld te worden aan de hand van artikel 93, aanhef en onder b Rv. Deze bepaling luidt: “Door de kantonrechter worden behandeld en beslist: (…) b. zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000; (…) “ . 4.4 [eiser] heeft gesteld dat er voldoende duidelijke aanwijzingen bestaan dat het verzochte voorschotbedrag geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00.

Hij heeft er in dit verband op gewezen dat hij, mede uit het oogpunt van efficiency, zijn vorderingen trachtte en nog steeds tracht te beperken tot een bedrag van € 25.000,00. Daarmee staat echter nog de mogelijkheid open dat zijn vordering meer dan € 25.000,00 zal gaan belopen. Dit klemt te meer nu [eiser] zelf, zowel bij dagvaarding (punt 21) en herhaald in zijn conclusie van antwoord in het onbevoegdheidsincident (onder punt 4), heeft gesteld dat het totale schadebedrag nog niet geheel vast staat. [eiser] heeft zijn vordering niet uitdrukkelijk beperkt tot € 25.000,00 in die zin dat hij afstand heeft gedaan van het meerdere boven dat bedrag.

Ook anderszins is niet gebleken van duidelijke aanwijzingen dat de vordering van [eiser] geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00. Het voorgaande betekent dat de kantonrechter niet bevoegd is van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen. De zaak zal op de voet van artikel 71 lid 1 Rv worden verwezen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken (de handelskamer) van deze rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. 4.5 Hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd behoeft geen verdere bespreking en beslissing, nu dit niet leidt tot een ander oordeel. 4.6 [eiser] is de partij die ongelijk krijgt.

Hij zal daarom in de proceskosten in dit incident worden veroordeeld, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Antes vastgesteld op € 100,00 aan salaris voor haar gemachtigde.

5De beslissing

De kantonrechter: verklaart zich onbevoegd verder van het geschil kennis te nemen; verwijst de zaak naar de rolzitting van de handelskamer van deze rechtbank van woensdag 22 februari 2017 te 10.00 uur, opdat de zaak aldaar wordt voortgezet in de stand waarin zij zich thans bevindt; wijst partijen erop dat zij in de procedure bij de handelskamer niet in persoon kunnen procederen, maar slechts bij advocaat; wijst Antes erop dat na verwijzing een griffierecht van € 619,00 is verschuldigd, welk bedrag binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie moet zijn gestort; draagt de griffier op de processtukken en een afschrift van dit vonnis tijdig voor genoemde rolzitting te doen toekomen aan de griffier van de handelskamer; veroordeelt [eiser] in de proceskosten in dit incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Antes vastgesteld op € 100,00 aan salaris voor haar gemachtigde. Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting. 362