Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2017:5337 ECLI:NL:RBROT:2017:5337 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:5337 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2017:5337
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team insolventie verzoek toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 7 juli 2017 [naam] , wonende te [adres] , verzoekster. Verzoekster heeft op 24 april 2017 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De uitspraak is bepaald op heden.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:5337 · Rechtbank Rotterdam: In het verzoekschrift moet worden opgenomen een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, aldus artikel 285, eerste lid, Faillissementswet. De Kredietbank Rotterdam heeft op 19 april 2017 het volgende verklaard: De (…) Kredietbank Rotterdam heeft de crediteuren namens de verzoeker geen aanbod gedaan, “omdat tijdens het opstarten van het minnelijk traject kwam naar voren dat de ex-partner van schuldenaar een regresvordering heeft op schuldenaar. De ex-partner wil niet afzien van zijn regresrecht.

Keywords

AI generated
remission of debt residual debt restoration of deadline non-renewal of contract unpaid debt back payment
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team insolventie verzoek toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 7 juli 2017 [naam] , wonende te [adres] , verzoekster.

1De procedure

Verzoekster heeft op 24 april 2017 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De uitspraak is bepaald op heden.

2De beoordeling

In het verzoekschrift moet worden opgenomen een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, aldus artikel 285, eerste lid, Faillissementswet. De Kredietbank Rotterdam heeft op 19 april 2017 het volgende verklaard: De (…) Kredietbank Rotterdam heeft de crediteuren namens de verzoeker geen aanbod gedaan, “omdat tijdens het opstarten van het minnelijk traject kwam naar voren dat de ex-partner van schuldenaar een regresvordering heeft op schuldenaar. De ex-partner wil niet afzien van zijn regresrecht.

Dit vormt een belemmering voor het minnelijke traject.” In de zich in het dossier bevindende rapportage van Kredietbank Rotterdam van 19 april 2017 staat ter zake het volgende: “De ex-partner van schuldenaar heeft telefonisch doorgegeven geen afstand te willen doen van het regresrecht. Via een advocaat hebben wij de schriftelijke reactie mogen ontvangen. Dit betekend indien wij een buitengerechtelijk akkoord zouden treffen, twee schuldeisers voorgetrokken zouden worden ten opzichte van de overige schuldeisers.”. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring onvoldoende met redenen omkleed.

Daartoe wordt het volgende overwogen. Bij de beoordeling gaat de rechtbank ervan uit dat sprake is van een (mogelijk) wettelijk regresrecht van de ex-partner, voortvloeiend uit een hypotheek waarvoor verzoekster en haar ex-partner hoofdelijk aansprakelijk waren. Dit is de meest voorkomende situatie en feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel leiden zijn gesteld noch gebleken. Een dergelijke regresvordering ontstaat pas op het moment dat de ex-partner meer betaalt aan de hoofdschuldeiser dan hem/haar aangaat. Uit de stukken blijkt niet dat de ex-partner reeds meer heeft betaald dan hem aangaat.

Er staat geen vordering van de ex-partner op verzoekster op de schuldenlijst. De huidige schuldenlast zou dus bekend moeten zijn, zodat er een aanbod kan worden gedaan. De enkele omstandigheid dat er mogelijkerwijs in de toekomst een nieuwe schuld zal ontstaan, staat daar niet aan in de weg. Dit is immers niet van belang voor het antwoord op de vraag of een minnelijk traject achterwege kan worden gelaten. De rechtbank gunt verzoekster geen termijn als bedoeld in artikel 287, tweede lid, Faillissementswet om de ontbrekende gegevens te verstrekken aangezien een termijn van één maand niet toereikend is om een minnelijk traject af te wikkelen.

Verzoekster wordt op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

3De beslissing

De rechtbank: - verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans, rechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2017. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.