Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2017:4911 ECLI:NL:RBROT:2017:4911 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:4911 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2017:4911
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Een instelling meldt een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden, aan de Financiële inlichtingen eenheid. De meldingsplicht, bedoeld in het eerste lid, is van overeenkomstige toepassing indien: a. een cliëntenonderzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, niet leidt tot het in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, bedoelde resultaat of tot de uitvoering van de in artikel 3, dertiende lid, onderdeel a, bedoelde maatregelen, en er tevens indicaties zijn dat de desbetreffende cliënt betrokken is bij witwassen of financieren van terrorisme; b. een zakelijke relatie wordt beëindigd ingevolge artikel 5, tweede lid, en er tevens indicaties zijn dat de desbetreffende cliënt betrokken is bij witwassen of financieren van terrorisme. 4.2.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:4911 · Rechtbank Rotterdam: De meldingsplicht, bedoeld in het eerste lid, is van overeenkomstige toepassing indien: a. een cliëntenonderzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, niet leidt tot het in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, bedoelde resultaat of tot de uitvoering van de in artikel 3, dertiende lid, onderdeel a, bedoelde maatregelen, en er tevens indicaties zijn dat de desbetreffende cliënt betrokken is bij witwassen of financieren van terrorisme; b. een zakelijke relatie wordt beëindigd ingevolge artikel 5, tweede lid, en er tevens indicaties zijn dat de desbetreffende cliënt betrokken is bij witwassen of financieren van terrorisme. 4.2.

Keywords

AI generated
bank charges charging of fees stock exchange reporting obligation bait pricing bad faith non-implementation of the offending agreements

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2015:363
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 14/602 20150 Uitspraak van de meervoudige kamer van 5 november 2015 op het hoger beroep van: het Bureau Financieel Toezicht, te Utrecht, appellant, (gemachtigden: mr. D.S. Kolkman en mr. L. de Haan AA), tegen de uitspraak van de accountantskamer van 25 juli 2014, gegeven op een klacht, op 19 december 2013 door appellant ingediend tegen [naam] RA, betrokkene. Procesverloop in hoger beroep Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 25 juli 2014, met nummer 13/2906 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2014:62).
ECLI:NL:HR:2008:BD2774
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Roermond van 23 december 2005 - de verdachte vrijgesproken van het haar bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De raadsman van de verdachte, mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, heeft het beroep tegengesproken. De Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. 2.2. Na de terechtzitting waarop de conclusie is genomen, is bij de Hoge Raad ingekomen een schrijven van de raadsman van de verdachte.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht Team Bestuursrecht 2 zaaknummer: ROT 16/2585 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2017 in de zaak tussen [A] ([A]), te Amsterdam, eiser, gemachtigde: [C.M.A.] ([C.M.A.]), en Bureau Financieel Toezicht (BFT), verweerder, gemachtigde: mr. B.A. Schimmel. Procesverloop Bij besluit van 16 november 2015 (het primaire besluit) heeft het BFT aan [A] een bestuurlijke boete opgelegd van € 7.000,- wegens overtreding van de artikelen 3 en 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).

Bij besluit van 14 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft het BFT het bezwaar van [A] tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. [A] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het BFT heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2017. [A] heeft zich laten vertegenwoordigen door [C.M.A.]. Het BFT heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door G.L. Mooij RA, toezichthouder bij het BFT. Overwegingen 1.1. Naar aanleiding van de bevindingen van een op 15 april 2014 ingesteld Wwft-onderzoek bij [A] door het Register Belastingadviseurs (RB), die zijn neergelegd in een rapport van 11 augustus 2014, dat een beperkt aantal (<70%) van de klanten geïdentificeerd en geverifieerd waren en er een geringe mate van bewustheid ten aanzien van de naleving van de meldingsplicht was bij het kantoor, heeft BFT een onderzoek ingesteld naar de naleving van de Wwft door [A].

Het BFF heeft onder meer op 21 en 26 november 2014 een bedrijfsbezoek aan [A] gebracht. Tijdens het onderzoek heeft het BFT een gesprek gevoerd met [C.M.A.] en tien dossiers van zakelijke klanten en tien dossiers van particuliere klanten van [A] onderzocht. De resultaten heeft het BFT neergelegd in een rapport van 10 maart 2015 (het rapport).

2. Aan het bestreden besluit heeft het BFT ten grondslag gelegd dat [A] artikel 3 van de Wwft heeft overtreden doordat [A] in vijftien van de twintig onderzochte dossiers ofwel niet beschikte over een uittreksel uit het handelsregister ofwel over een kopie van het identiteitsbewijs of vastlegging van de verificatiegegevens van zijn cliënten. In twee van de onderzochte dossiers heeft [A] artikel 16 van de Wwft overtreden doordat hij geen melding heeft gedaan van een ongebruikelijke transactie bij de FIU-NL. Cliëntenonderzoek 3. [A] betwist niet dat in de onderzochte dossiers geen vastlegging van de verificatiegegevens is aangetroffen, maar hij betoogt dat het bewaren van een kopie van het identiteitsbewijs in strijd is met de identiteitswetgeving, zodat werd volstaan met het noteren en bewaren van het nummer van het identiteitsbewijs. 3.1. [A] moet volgens artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwft het cliëntenonderzoek zo inrichten dat hij in staat is om de cliënt te identificeren en zijn identiteit te verifiëren.

In artikel 11 van de Wwft en artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Wwft is vastgelegd aan de hand van welke documenten de identiteit van cliënten moet worden geverifieerd. Hieruit volgt dat bijvoorbeeld een paspoort, een rijbewijs of een identiteitsbewijs wel kunnen worden gebruikt voor de verificatie, maar niet gegevens van de Belastingdienst, de Kamer van Koophandel of de loonadministratie. De gegevens van de documenten aan de hand waarvan [A] de identiteit van zijn cliënten heeft geverifieerd moeten op opvraagbare wijze worden vastgelegd, bijvoorbeeld door het maken van een kopie van het document of door de gegevens - aard, nummer, plaats en datum van uitgifte - te noteren en te bewaren.

Uit het onderzoek is gebleken dat [A] geen kopie heeft gemaakt van de documenten aan de hand waarvan hij de identiteit van zijn cliënten heeft geverifieerd en dat hij ook niet de hiervoor genoemde gegevens van deze documenten heeft genoteerd en bewaard. 3.2. Aan de stelling van [A] ter zitting dat een van de toezichthouders hem zou hebben gezegd dat zijn manier van registreren voldoende is, gaat de rechtbank voorbij nu het BFT er terecht op heeft gewezen dat [A] dit niet eerder in de procedure heeft aangevoerd en hij dit ook op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd. 3.3.

Het BFT heeft dan ook terecht geconstateerd dat [A] artikel 3 van de Wwft heeft overtreden. De beroepsgrond faalt. Meldingsplicht 4. [A] voert aan dat geen sprake is van een ongebruikelijke transacties in de cliëntdossiers van [bedrijf A] en [bedrijf S]. [A] betoogt dat in het dossier [bedrijf A] een van de vennoten, [K], van zijn familie een kortlopende kleine lening van maximaal € 3.000,- heeft ontvangen, die administratief is vastgelegd en op korte termijn zou worden terugbetaald. De Belastingdienst is akkoord gegaan met het achterwege blijven van rentekosten.

Voorts betoogt [A] dat hij afscheid heeft genomen van zijn cliënt [bedrijf S], aangezien hij twijfelde aan een juiste administratieve vastlegging doordat [A] met medeweten van de Belastingdienst tot de conclusie kwam dat buitenlandse inkopen niet waren vastgelegd. 4.1. Artikel 16, eerste lid en vierde lid, van de Wwft luidt:

1. Een instelling meldt een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden, aan de Financiële inlichtingen eenheid.

4. De meldingsplicht, bedoeld in het eerste lid, is van overeenkomstige toepassing indien: a. een cliëntenonderzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, niet leidt tot het in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, bedoelde resultaat of tot de uitvoering van de in artikel 3, dertiende lid, onderdeel a, bedoelde maatregelen, en er tevens indicaties zijn dat de desbetreffende cliënt betrokken is bij witwassen of financieren van terrorisme; b. een zakelijke relatie wordt beëindigd ingevolge artikel 5, tweede lid, en er tevens indicaties zijn dat de desbetreffende cliënt betrokken is bij witwassen of financieren van terrorisme. 4.2.

Ten behoeve van de beoordeling of een transactie als ongebruikelijk moet worden aangemerkt zijn op grond van artikel 15 van de Wwft indicatoren vastgesteld. Deze (subjectieve en objectieve) indicatoren zijn opgenomen in de Bijlage bij het Uitvoeringsbesluit Wwft. Voorts heeft het BFT specifieke richtsnoeren voor onder meer accountants en belastingadviseurs opgesteld. De omschrijving van de subjectieve indicatoren luidde ten tijde van het geding als volgt: “leningsovereenkomsten zonder zekerheden of tegen afwijkende marktvoorwaarden zonder aanwijsbare reden”;

“het ontbreken van schriftelijk vastgelegde leningsovereenkomsten”; “Er is sprake van een laag of negatief netto privé.” 4.3. Zoals het College voor het Beroeps en bedrijfsleven in de uitspraak van 5 november 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:363) heeft overwogen, bestaat de verplichting tot het doen van een melding als bedoeld in artikel 16 van de Wwft niet slechts wanneer er concrete aanwijzingen bestaan dat sprake is van witwassen of het financieren van terrorisme. Artikel 16 van de Wwft heeft een (veel) ruimere strekking: iedere ongebruikelijke transactie behoort te worden gemeld. 4.4.

Uit het rapport blijkt dat in het dossier [bedrijf A] twee leningen zijn aangetroffen. Er was een handgeschreven leningsovereenkomst van 26 februari 2010 aanwezig van een lening van € 7.000,- bij een natuurlijk persoon. Volgens de leningsovereenkomst zou de lening gedurende twaalf maanden in gedeelten, zonder rente, terugbetaald worden. In de overeenkomst zijn geen zekerheden opgenomen. Verder zou er, volgens een aantekening op deze overeenkomst, ook een bedrag van € 3.000,- zijn geleend; deze lening is verder niet gedocumenteerd. De rechtbank is met het BFT van oordeel dat [A] deze leningen had moeten melden toen bij het opstellen van de jaarrekening in 2011 bleek dat beide leningen niet waren afgelost en de bedragen gewoon weer in de boeken waren teruggezet.

Dat het ontbreken van een rentevergoeding bij een lening van familie niet ongebruikelijk is in Marokko volgens [A], laat onverlet dat in Nederland bij een onderhandse lening nooit een te lage rente of geen rente kan worden afgesproken en de rente marktconform moet zijn. 4.5. Uit het rapport blijkt voorts dat [A] in het dossier Star Sports Shops in 2010 de eigenaar van de winkel heeft bijgestaan bij een boekenonderzoek door de Belastingdienst naar aanleiding van het vermoeden van fiscale fraude, namelijk dat er buitenlandse inkopen waren verricht, die niet in de boeken waren verwerkt.

Dit onderzoek heeft geleid tot een winstbijtelling door de Belastingdienst over de jaren 2007 en 2008 van in totaal ruim € 100.000,-. De rechtbank is met het BFT van oordeel dat [A] het vermoeden van fiscale fraude had moeten melden. De BFT heeft er in dit verband terecht op gewezen dat fiscale fraude gelet op het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2774) als grondslag kan dienen voor het strafrechtelijk begrip ‘witwassen’ overeenkomstig artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht. Dat [A] na dit boekenonderzoek medio 2011 afscheid heeft genomen van deze cliënt doet aan deze verplichting niet af.

5. Het BFT heeft dan ook terecht geconstateerd dat [A] artikel 16 van de Wwft heeft overtreden. De beroepsgrond faalt.

6. Het BFT was op grond van het voorgaande bevoegd om aan [A] een bestuurlijke boete op te leggen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan het BFT redelijkerwijs niet tot oplegging van de boete heeft kunnen overgaan. 7. [A] betoogt dat de boete onevenredig is. 7.1. Op grond van artikel 13 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector vallen overtredingen van artikel 3, eerste en tweede lid, van de Wwft en van artikel 16, eerste en vierde lid, van de Wwft alle in boetecategorie 2. Dit betekent dat op grond van artikel 28, derde lid, van de Wwft het basisbedrag van de boete € 500.000,- is.

Deze boete kan worden gematigd op basis van de ernst of duur van de overtreding of de mate van verwijtbaarheid. Daarnaast houdt het BFT bij het vaststellen van de bestuurlijke boete rekening met de draagkracht van de overtreder. 7.2. Het BFT heeft in de ernst, duur en de verwijtbaarheid aanleiding gezien de opgelegde boete te matigen tot € 7.000,-. Ter zitting heeft het BFT toegelicht dat hij sinds ongeveer anderhalf jaar een intern boetebeleid hanteert, dat invulling geeft aan de bevoegdheid tot matiging van de basisbedragen. Er wordt gewerkt met aan de omzet van het betreffende bedrijf gerelateerde boetes, die variëren van 1% tot en met 5% van de omzet.

In het onderhavige geval is de hoogte van de opgelegde boete bij het primaire besluit gematigd van 4% naar 3% omdat er één overtreding van artikel 16 van de Wwft is weggevallen. De rechtbank acht dit beleid op zichzelf niet onredelijk. 7.4. De rechtbank ziet, mede gelet op het aantal overtredingen, geen aanleiding voor het oordeel dat het boetebedrag onevenredig is aan de aard en de ernst van de overtredingen of de mate van verwijtbaarheid. Voorts is gesteld noch gebleken dat [A] de opgelegde boete niet kan dragen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Woudstra, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2017. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.