Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2017:4308 ECLI:NL:RBROT:2017:4308 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:4308 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2017:4308
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team insolventie definitief verlenen surseance van betaling insolventienummer: [nummer] uitspraakdatum: 16 maart 2017 Beschikking in de surseance van betaling van: [naam 1] , [postadres] [plaats] , schuldenares, hierna [sursiet] , bewindvoerder: mr. P.J.A. Nieuwland.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:4308 · Rechtbank Rotterdam: De rechtbank stelt vast dat op de crediteurenvergadering is gebleken dat op grond van artikel 218, tweede lid, Faillissementswet aan [sursiet] definitief surseance van betaling kan worden verleend. De rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van het positieve advies van de bewindvoerder van 1 maart 2017 en het negatieve advies van de rechter-commissaris van 7 maart 2017. Beide adviezen zullen aan deze beschikking worden gehecht. De uitspraak is bepaald op heden.

Keywords

AI generated
satisfaction of claim future claim debt payment capacity to pursue debt enforcement continued payment of benefits deferral of payment
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team insolventie definitief verlenen surseance van betaling insolventienummer: [nummer] uitspraakdatum: 16 maart 2017 Beschikking in de surseance van betaling van: [naam 1] , [postadres] [plaats] , schuldenares, hierna [sursiet] , bewindvoerder: mr. P.J.A. Nieuwland.

1De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de beschikking van 14 december 2016, waarbij aan schuldenares voorlopig surseance van betaling is verleend. Ter schuldeisersvergadering van 9 maart 2017 zijn verschenen: [naam 2] en [naam 3] , middellijk bestuurders van [sursiet] ; mr. V.J. Groot, advocaat van [sursiet] ; mr. P.J.A. Nieuwland, bewindvoerder, mr. A.J. van der Duin Schouten, kantoorgenoot van de bewindvoerder. De bewindvoerder heeft verklaard dat alle schuldeisers in kennis zijn gesteld van de schuldeisersvergadering. [naam 2] en [naam 3] hebben namens de schuldeisers, door wie zij zijn gevolmachtigd, gestemd voor het definitief verlenen van surseance van betaling aan [sursiet] .

De rechtbank stelt vast dat op de crediteurenvergadering is gebleken dat op grond van artikel 218, tweede lid, Faillissementswet aan [sursiet] definitief surseance van betaling kan worden verleend. De rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van het positieve advies van de bewindvoerder van 1 maart 2017 en het negatieve advies van de rechter-commissaris van 7 maart 2017. Beide adviezen zullen aan deze beschikking worden gehecht. De uitspraak is bepaald op heden.

2De beoordeling

De vraag of de surseance van betaling definitief kan worden verleend, hangt ervan af of het vooruitzicht bestaat dat [sursiet] na verloop van tijd haar schuldeisers zal kunnen bevredigen. Definitieve verlening is mogelijk wanneer niet (op voorhand) is uitgesloten dat [sursiet] haar schuldeisers op de één of andere manier tevreden kan stellen, bijvoorbeeld door middel van een aan hen aan te bieden akkoord. In dit verband is het volgende van belang. Door de bewindvoerder is geconstateerd dat de vordering op Nationale Nederlanden hoger is dan het totaal aan bij de bewindvoerder bekende vorderingen (totaal € 413.901,16, waaronder vorderingen van gerelateerde vennootschappen; de externe schuldeisers belopen een bedrag van ongeveer € 145.000).

De bewindvoerder verwacht dat de verzekeraar gehouden zal zijn tot uitkering over te gaan, nu er een extern deskundigenrapport voorligt, waaruit volgt dat de oorzaak van de brand niet vaststaat, hetgeen in lijn ligt met de resultaten van het politieonderzoek. [sursiet] zal, gelet op de voorwaarden van de verzekeraar, een hogere uitkering tegemoet kunnen zien zolang zij in surseance van betaling verkeert. Indien de verzekeraar tot uitkering overgaat, zullen alle externe schuldeisers volledig kunnen worden voldaan. Nu de risico’s van voortzetting van [sursiet] beperkt zijn, en de kosten van [sursiet] , de kosten van de bewindvoerder en de kosten van de advocaat worden voldaan door een gerelateerde vennootschap, [naam 4] B.V., acht de bewindvoerder het in het belang van de schuldeisers om de surseance definitief te verlenen.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat op dit moment niet op voorhand kan worden uitgesloten dat [sursiet] haar schuldeisers zal kunnen voldoen. De surseance van betaling zal daarom definitief worden verleend. De rechtbank ziet aanleiding de termijn, gerekend vanaf de dag waarop zij voorlopig werd verleend (14 december 2016), te bepalen op één jaar, zodat de definitieve surseance wordt verleend tot en met 14 december 2017. Indien verlenging van de definitieve surseance gewenst is, zal alsdan aannemelijk gemaakt moeten worden dat er concreet en binnen een redelijke termijn zicht is op een uitkomst van onderhandelingen met, of een procedure tegen de verzekeraar, waarbij de schuldeisers worden bevredigd.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

3De beslissing

De rechtbank: - verleent aan schuldenares definitief surseance van betaling voor de duur van 1 jaar, derhalve tot 14 december 2017. Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. van Spengen, rechter, en in aanwezigheid van mr. A.M. Pieters-Boelhouwer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2017. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.