Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2017:417 ECLI:NL:RBROT:2017:417 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:417 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2017:417
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/507272 / HA ZA 16-772 Vonnis van 11 januari 2017 in de zaak van de rechtspersoon naar het recht van Nigeria ACE PETROSOURCE & LOGISTICS LIMITED, gevestigd te Lagos, Nigeria eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat mr. M. Goedhart te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VAN VLIET TRUCKS HOLLAND B.V., gevestigd te Nieuwerkerk aan den IJssel, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat mr. M.A.D. Bol te Rotterdam.

Legislator headnote

AI generated

artikel 224 Rv, artikel 6:51 lid 2 BW, artikel 616 lid 4 Rv; ECLI:NL:RBROT:2017:417 · Rechtbank Rotterdam: Ter toelichting wijst de rechtbank op het volgende. 2.4. Denkbaar is dat, hoewel niet volledig conform de veroordeling tot het stellen van zekerheid is gehandeld, de geboden zekerheid toch als voldoende moet worden beschouwd. Te denken valt bijvoorbeeld aan een situatie zoals door Ace Petrosource geschetst, waarin het stellen van een bankgarantie door een eersteklas Nederlandse bank op praktische problemen stuit. Om in een dergelijk geval toch te kunnen oordelen dat de geboden zekerheid volstaat, zal ten minste duidelijk moeten zijn dat de partij in wier belang de verplichting tot zekerheidsstelling is opgelegd op het desbetreffende bedrag zonder moeite verhaal zal kunnen nemen (zie artikel 6:51 lid 2 BW).

Keywords

AI generated
bank guarantee claim event minimum procedural guarantee under treaty european Agricultural Guarantee Fund investment risk guarantee security for costs credit insurance

Cited Legislation

AI generated
artikel 224 Rv
In het tussenvonnis heeft de rechtbank beslist dat Ace Petrosource zekerheid in de zin van artikel 224 Rv dient te stellen ten behoeve van Van Vliet ter zake van de proceskosten tot betaling waarvan Ace Petrosource veroordeeld kan worden.
artikel 6:51 lid 2 BW
Om in een dergelijk geval toch te kunnen oordelen dat de geboden zekerheid volstaat, zal ten minste duidelijk moeten zijn dat de partij in wier belang de verplichting tot zekerheidsstelling is opgelegd op het desbetreffende bedrag zonder moeite verhaal zal kunnen nemen (zie artikel 6:51 lid 2 BW).
artikel 616 lid 4 Rv
Als dat zo is, dan had van haar verwacht mogen worden zulks tijdig aan de rechtbank kenbaar te maken met het verzoek de termijn te verlengen (artikel 616 lid 4 Rv).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/507272 / HA ZA 16-772 Vonnis van 11 januari 2017 in de zaak van de rechtspersoon naar het recht van Nigeria ACE PETROSOURCE & LOGISTICS LIMITED, gevestigd te Lagos, Nigeria eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat mr. M. Goedhart te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VAN VLIET TRUCKS HOLLAND B.V., gevestigd te Nieuwerkerk aan den IJssel, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat mr. M.A.D. Bol te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Ace Petrosource en Van Vliet genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis in het incident van 2 november 2016; de akte van Van Vliet; de antwoordakte van Ace Petrosource, met producties; de antwoordakte van Van Vliet. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling in het incident 2.1. In het tussenvonnis heeft de rechtbank beslist dat Ace Petrosource zekerheid in de zin van artikel 224 Rv dient te stellen ten behoeve van Van Vliet ter zake van de proceskosten tot betaling waarvan Ace Petrosource veroordeeld kan worden.

Deze zekerheid dient blijkens de beslissing in het tussenvonnis gesteld te worden door middel van een bankgarantie van een eersteklas Nederlandse bank. 2.2. Bij antwoordakte heeft Ace Petrosource gesteld dat zij de desbetreffende bankgarantie heeft gesteld. Zij heeft aangevoerd dat haar bank in Nigeria (Ecobank Nigeria Ltd) een garantie aan Deutsche Bank AG heeft gegeven, die op haar beurt een garantie heeft gegeven aan Van Vliet. Ace Petrosource heeft aangevoerd dat het haar niet mogelijk is zekerheid te stellen door middel van een bankgarantie van een Nederlandse bank, omdat zij zelf niet bij een Nederlandse bank bankiert.

Ook haar eigen (Nigeriaanse) bank kan geen garantie aan een Nederlandse bank geven, omdat die bank geen relatie met enige Nederlandse bank onderhoudt. Om die reden heeft Ace Petrosource gekozen voor de constructie van een garantie via haar bank en Deutsche Bank. 2.3. Uit het betoog van Ace Petrosource en de door haar overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat zij genoegzaam zekerheid heeft gesteld op de wijze van of in lijn met hetgeen in het tussenvonnis is bepaald. Dat betekent dat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering.

Ter toelichting wijst de rechtbank op het volgende. 2.4. Denkbaar is dat, hoewel niet volledig conform de veroordeling tot het stellen van zekerheid is gehandeld, de geboden zekerheid toch als voldoende moet worden beschouwd. Te denken valt bijvoorbeeld aan een situatie zoals door Ace Petrosource geschetst, waarin het stellen van een bankgarantie door een eersteklas Nederlandse bank op praktische problemen stuit. Om in een dergelijk geval toch te kunnen oordelen dat de geboden zekerheid volstaat, zal ten minste duidelijk moeten zijn dat de partij in wier belang de verplichting tot zekerheidsstelling is opgelegd op het desbetreffende bedrag zonder moeite verhaal zal kunnen nemen (zie artikel 6:51 lid 2 BW).

Daarvan is in dit geval niet gebleken. Uit geen van de door Ace Petrosource overgelegde stukken blijkt dat Deutsche Bank zich jegens Van Vliet daadwerkelijk garant heeft gesteld voor de proceskosten. De overgelegde stukken behelzen: een “bank guarantee” van Ecobank aan Ace Petrosource ter zake van kosten die Van Vliet mogelijk jegens Ace Petrosource verschuldigd zal worden; een brief van Ecobank aan Ace Petrosource inzake een “counter bank guarantee – facility letter”, waarin als “purpose” van een en ander wordt genoemd “to enable Deutsche Bank Amsterdam issue a Bank Guarantee in favour of Rotterdam District Court” uit hoofde van het tussenvonnis; een mail van 6 december 2016 waarin is opgenomen de tekst van een bericht van Ecobank aan Deutsche Bank AG met betrekking tot een door Ecobank aan Deutsche Bank AG verstrekte tegengarantie.

De stukken zien aldus op de relatie tussen Ace Petrosource en Ecobank respectievelijk Ecobank en Deutsche Bank AG. Zij bevatten geen verklaring van Deutsche Bank (al dan niet in Amsterdam) dat deze zich jegens Van Vliet voor de proceskosten garant stelt. Reeds om deze reden is van genoegzame zekerheidsstelling niet gebleken. 2.5. Uit de antwoordakte van Ace Petrosource moet mogelijk worden afgeleid dat zij in tijdnood was om binnen vier weken na het tussenvonnis een (aan Van Vliet gerichte) bankgarantie te verkrijgen. Als dat zo is, dan had van haar verwacht mogen worden zulks tijdig aan de rechtbank kenbaar te maken met het verzoek de termijn te verlengen (artikel 616 lid 4 Rv).

In dat geval zou de rechtbank het verzoek, met inachtneming van de visie daaromtrent van Van Vliet, hebben kunnen beoordelen. Dat Ace Petrosource niet voor die in de wet voorziene route heeft gekozen, komt voor haar risico. 2.6. De slotsom hiervan moet zijn dat Ace Petrosource niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Zij zal worden veroordeeld in de proceskosten.

3De beslissing

De rechtbank 3.1. verklaart Ace Petrosource niet-ontvankelijk; 3.2. veroordeelt Ace Petrosource in de proceskosten van Van Vliet, tot op heden begroot op € 3.903,-- aan griffierecht; 3.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2017. 1980/2221