Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2017:3479 ECLI:NL:RBROT:2017:3479 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:3479 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2017:3479
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel zaaknummer / rolnummer: C/10/513255 / HA ZA 16-1066 Vonnis van 3 mei 2017 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats], eiseres, advocaat mr. J.M. Bossers te Rotterdam, tegen de stichting STICHTING WOONSTAD ROTTERDAM, gevestigd te Rotterdam, gedaagde, advocaat mr. T. Havekes te Voorburg. Partijen zullen hierna [eiseres] en Woonstad genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 17 oktober 2016, met producties; de conclusie van antwoord van 28 december 2016, met producties; de brief van 25 januari 2017 waarbij de zitting is bepaald; het proces-verbaal van de op 21 maart 2017 gehouden comparitie en de daarin genoemde door partijen overgelegde nadere stukken. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:174 BW; ECLI:NL:RBROT:2017:3479 · Rechtbank Rotterdam: Dat de opstap een (onderdeel van een) opstal is in de zin van artikel 6:174 BW, is evenmin in geschil. 4.2. Het feit dat [eiseres] ten val is gekomen op de opstap rechtvaardigt op zich nog niet de conclusie dat de opstap gebrekkig is. Een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW is een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar oplevert voor personen of zaken. De invulling van het begrip “gebrek” in de zin van artikel 6:174 BW geschiedt deels op basis van de kelderluikfactoren (ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik)).

Keywords

AI generated
unlawful entry abusive claim by landlord damage to electrical installations building height violation construction defects zoning violation

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:174 BW
Dat de opstap een (onderdeel van een) opstal is in de zin van artikel 6:174 BW, is evenmin in geschil.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1965:AB7079
dat hij, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, tegelijkertijd met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; dat het voor hem niet mogelijk was door de zich ter plaatse bevindende coca-colakistjes aan de rechterzijde te passeren, omdat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, en dat de kistjes en de zich aldaar bevindende personen bovendien het zicht op het keldergat hebben ontnomen; (3a) ‘’dat – wat het probandum sub 1 betreft – het Hof bewezen acht, dat Duchateau, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, (3b) dat immers uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom blijkt, dat het voor Duchateau niet mogelijk is geweest, om rechts achter de coca-colakistjes om te lopen, daar reeds de van het luik af naar voren geschoven stoelen en de daaronder geschoven opgerolde mat dit beletten; (4) ‘’dat – wat dit deel van het probandum betreft – het Hof niet bewezen acht, dat Duchateau daarop met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; (5) ‘’dat het Hof echter niet van overwegend belang acht, wat Duchateau in de laatste ogenblikken vóór zijn val na het passeren van de kistjes heeft gedaan, nu door de wederpartij niet is bestreden, dat hij per ongeluk in het kelderruim is gevallen en niet als gevolg van een gewaagde poging, om over het kelderruim heen toch in het herentoilet te komen; (6) ‘’wat het tweede deel van het probandum betreft: (6a) dat niet is bewezen, dat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, (6b) dat integendeel dit volgens de verklaring van getuige Sjouwerman niet het geval was, terwijl getuige Boom deze verklaring heeft bevestigd met zijn verklaring, dat volgens zijn herinnering aan dit tafeltje geen mensen zaten, (6c) dat daarmede allereerst een der redenen is komen te vervallen, waarom Duchateau volgens zijn posita niet rechts van de kistjes kon passeren, doch dat dit niet meer van belang is, nu is gebleken, dat hij dit uit anderen hoofde niet kon doen, (6d) dat verder echter door dit niet-bewezen zijn niet is gebleken, dat voormeld aanwezig zijn van mensen voor Duchateau het zicht op het keldergat heeft ontnomen, (6e) dat hiermede van de door Duchateau gestelde en in het probandum overgenomen redenen, waarom hij het keldergat niet heeft kunnen waarnemen, alleen de aanwezigheid der op elkaar gestapelde coca-colakistjes overblijft, (6f) dat echter, zoals de door de politie na het ongeval gemaakte en in het geding gebrachte foto’s duidelijk uitwijzen, de omvang van deze coca-colakistjes niet zodanig was, dat daarmede het gat geheel onzichtbaar werd gemaakt, terwijl voorts – naar uit die foto’s blijkt – het openstaande luik duidelijk boven de kistjes zichtbaar moet zijn geweest; (7) ‘’dat hieruit volgt, dat Duchateau niet op de omgeving van het herentoilet heeft gelet, toen hij daarbij was gekomen, en het nu de vraag is, of er reden voor hem bestond, om dit te doen; (8a) ‘’dat – al neemt men aan, dat Duchateau vóór het ongeval het openstaande luik niet heeft opgemerkt, gelijk hij beweert, doch de wederpartij betwist – toch voor Duchateau reden bestond bij het naderen van het toilet om zich heen te zien, alvorens verder te gaan, (8b) dat de deur van het herentoilet, naar Coca-Cola heeft gesteld, getuige Sjouwerman heeft verklaard en op de overgelegde situatiefoto’s is te zien, ingevolge de stand van de meergenoemde kistjes slechts gedeeltelijk open kon, (8c) dat dit feit, hetwelk Duchateau niet kan zijn ontgaan, hem zeker tot een opnemen van de omgeving had moeten brengen, zo hem de vreemde plaats van de kistjes daar – gedeeltelijk op het pad – al niet een waarschuwing had moeten zijn, om op die omgeving te letten; (9) ‘’dat, indien hij dit had gedaan, hem het zich daar ter plaatse bevindende keldergat niet had kunnen ontgaan, hetwelk naar uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom moet worden afgeleid, voldoende verlicht was; (10) ‘’dat hieruit volgt, dat hij schuld aan het ongeval heeft, en het thans nog slechts de vraag is, of hier van alle schuld, gelijk de Rechtbank heeft aangenomen, dan wel slechts van medeschuld aan zijn zijde sprake is; (11a) ‘’dat volgens de verklaring van de toenmalige eigenaar van de zaak, getuige Boom, deze in geval hij het luik moest openen, het keldergat barricadeerde met stoelen, (11b) dat getuige Sjouwerman ook gemakkelijk dit gat op deze wijze had kunnen barricaderen, (11c) dat hij dit niet heeft gedaan, maar zich volgens zijn eigen verklaring en die van getuige Boom bepaald heeft tot een opstapelen van de kistjes met lege flessen naast het keldergat, zonder de toegang tot de toiletten geheel af te sluiten; (11d) dat Sjouwerman er rekening mede had behoren te houden, dat bezoekers aan de toegang tot het toilet wellicht niet hun volledige aandacht zouden besteden, (11e) dat, gelet op de eenvoudige middelen, waarmede Sjouwerman – als voormeld – de toegang tot het keldergat afdoende had kunnen barricaderen, zo hij meende zich vandaar te moeten verwijderen, ook hem schuld aan het ongeval treft; (12) ‘’dat het Hof, de schuld van Duchateau en die van Sjouwerman tegen elkaar afwegende, van oordeel is, dat ieder van hen voor de helft aansprakelijk is voor het ongeval; (13) ‘’dat derhalve de door Duchateau aangevoerde grief gedeeltelijk is gegrond en Coca-Cola voor de helft van de door het ongeval geleden schade aansprakelijk is te stellen;’’ Overwegende dat Coca-Cola ’s Hofs arrest bestrijdt met het volgende middel van cassatie:
ECLI:NL:HR:2010:BN6236
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel zaaknummer / rolnummer: C/10/513255 / HA ZA 16-1066 Vonnis van 3 mei 2017 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats], eiseres, advocaat mr. J.M. Bossers te Rotterdam, tegen de stichting STICHTING WOONSTAD ROTTERDAM, gevestigd te Rotterdam, gedaagde, advocaat mr. T. Havekes te Voorburg. Partijen zullen hierna [eiseres] en Woonstad genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 17 oktober 2016, met producties; de conclusie van antwoord van 28 december 2016, met producties; de brief van 25 januari 2017 waarbij de zitting is bepaald; het proces-verbaal van de op 21 maart 2017 gehouden comparitie en de daarin genoemde door partijen overgelegde nadere stukken. 1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Woonstad is eigenaar van een (portiek)woning gelegen aan het [eiseres]. Deze wordt door haar verhuurd. De ingang van de woning is iets hoger gelegen dan het trottoir. Dit hoogteverschil wordt overbrugd door middel van een betonnen afstap c.q. opstap (hierna: de opstap). 2.2. [eiseres] was op 21 januari 2011 op bezoek bij de bewoner van voornoemde woning. Bij haar vertrek uit die woning is zij gevallen. Daarbij heeft zij haar linkerbeen gebroken. 2.3. Naar aanleiding van de val is [eiseres] naar het Ikazia ziekenhuis overgebracht, waar zij is geopereerd.

Daarbij zijn pinnen in haar linkerbeen geplaatst. Bij een latere operatie is een pin uit haar been verwijderd. 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat Woonstad, primair op grond van artikel 6:174 BW, dan wel subsidiair op grond van 6:162 BW, onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] en veroordeling van Woonstad tot vergoeding van de als gevolg daarvan door [eiseres] geleden schade, op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2011, met veroordeling van Woonstad in de proceskosten. 3.2.

Aan haar vordering legt [eiseres] het volgende ten grondslag. De opstap voor de voordeur van de woning waar [eiseres] vanaf is gegleden voldeed niet aan de veiligheidseisen. Deze was te smal om een voet op te zetten, scheef gezakt en door slijtage glad geworden. Woonstad is als eigenaar van de gebrekkige opstal aansprakelijk voor de schade die [eiseres] als gevolg van haar val heeft geleden. Woonstad heeft – ondanks meldingen van de gevaarlijke situatie door [persoon] – nagelaten om onderhoud aan de opstap te verrichten. Aldus is onzorgvuldig gehandeld jegens [eiseres].

Woonstad heeft de opstap kort na de val van [eiseres] verbreed. 3.3. Woonstad concludeert tot afwijzing van de vordering. Ter betwisting van de gestelde gebrekkigheid, dan wel gevaarzetting, heeft zij het volgende aangevoerd. Aangezien er na de fusie met de vorige eigenaar (de Nieuwe Unie) in 2009 geen werkzaamheden meer aan de opstap zijn verricht, moet de verbreding van de opstap hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de val in 2011. De oude opstap was weliswaar smaller, maar van een gebrekkige opstal was toen evenmin sprake. Het betrof een gebruikelijke, veel voorkomende opstap waarop [eiseres] bedacht had moeten zijn omdat zij deze reeds bij het betreden van de woning moet hebben gezien.

Van gevaarzetting is evenmin sprake. Woonstad mag van haar bezoekers verwachten dat zij de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid betrachten, terwijl de kans op een valpartij niet groot is en doorgaans geen ernstige gevolgen zal hebben. Woonstad stelt voldoende veiligheidsmaatregelen te hebben getroffen en doet voorts een beroep op eigen schuld van [eiseres] omdat de valpartij het gevolg is van onvoldoende oplettendheid van [eiseres] zelf. 4De beoordeling 4.1. De door [eiseres] geschetste feitelijke toedracht dat zij bij het verlaten van de woning van de opstap is afgegleden en dat zij daardoor schade heeft geleden, is door Woonstad niet (langer) betwist.

Dat de opstap een (onderdeel van een) opstal is in de zin van artikel 6:174 BW, is evenmin in geschil. 4.2. Het feit dat [eiseres] ten val is gekomen op de opstap rechtvaardigt op zich nog niet de conclusie dat de opstap gebrekkig is. Een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW is een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar oplevert voor personen of zaken. De invulling van het begrip “gebrek” in de zin van artikel 6:174 BW geschiedt deels op basis van de kelderluikfactoren (ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik)).

Bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het derhalve aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te verlangen zijn. (zie ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012, 155 (Wilnis)).

Daarbij is behalve de aard en de functie van de opstal, tevens de fysieke toestand van de opstal ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar van belang. 4.3. Tussen partijen is in geschil wat de fysieke toestand van de opstap was ten tijde van de val in 2011. [eiseres] stelt dat de door haar overgelegde foto’s waarop een smalle opstap is te zien, kort na haar val door haar zoon zijn gemaakt. (Ook) [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de opstap na de verbreding daarvan aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Alvorens aan eventuele bewijslevering ten aanzien van de fysieke toestand van de opstap ten tijde van de val wordt toegekomen, zal dus beoordeeld moeten worden of de opstap in de oude toestand – voorafgaand aan de verbreding – gebrekkig was. 4.4.

De (portiek)woning is bestemd voor particulier gebruik. De opstap diende als traptrede zodat bewoners en hun bezoekers daarop een tussenstap kunnen maken bij het betreden en het verlaten van de woning. Op de overgelegde foto’s van de opstal in de oude situatie is een betonnen opstap met een gebruikelijk formaat te zien, waarvan er – zoals Woonstad onweersproken heeft aangevoerd – vele vergelijkbare te zien zijn in het (Rotterdamse) straatbeeld. Dat de opstap (minstens) even groot is als een reguliere traptrede, zoals Woonstad heeft aangevoerd, is evenmin betwist.

Deze was wellicht niet breed genoeg om een volledige voet op te plaatsen, maar dat dit in de gegeven omstandigheden mocht worden vereist is onvoldoende gemotiveerd gesteld en ook overigens niet gebleken. Een abnormale scheefstand is op de overgelegde foto’s niet waarneembaar. Enige slijtage van het beton is weliswaar zichtbaar. Maar dat deze dusdanig was dat dit tot gladheid heeft geleid met een relevant risico tot uitglijden kan op de foto’s niet worden waargenomen en is ook overigens onvoldoende toegelicht. 4.5. Het vorenstaande neemt niet weg dat afhankelijk van de omstandigheden een opstap bij een voordeur gevaarlijk kan zijn.

De vraag of Woonstad door gevaarzetting onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld dient beantwoord te worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Het antwoord op die vraag hangt af van een aantal factoren, zoals de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen (zie het hierboven reeds genoemde Kelderluikarrest). 4.6.

De uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 april 2009 (LJN: BI0731) waarnaar [eiseres] heeft verwezen is niet vergelijkbaar. In die zaak lagen verhoogde drempels, daar waar men dat niet verwacht. Dat het niet ongebruikelijk is om een opstap aan te brengen voor een ingang die hoger is gelegen dan het trottoir, is in de onderhavige zaak niet in geschil. De opstap op zich leverde dan ook in het algemeen geen gevaarzettende situatie op. Omstandigheden op grond waarvan Woonstad ermee rekening had moeten houden dat bezoekers van de portiekwoning niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht zouden nemen zijn niet gesteld. 4.7.

Voor de vraag of Woonstad in dit specifieke geval toch veiligheidsmaatregelen had moeten treffen is het volgende van belang. Uitgangspunt is dat niet iedere kans op schade verplicht tot het treffen van voorzorgsmaatregelen. [eiseres] heeft erkend dat in de buurt van de woning vele vergelijkbare opstapjes zijn te zien. Daarmee zijn volgens Woonstad, die tevens verhuurder van andere woningen in die buurt is, geen problemen bekend. Uit het door Woonstad overgelegde onderhoudsmeldingenrapport met betrekking tot de periode vanaf januari 2010 tot en met 6 februari 2017 blijkt niet van meldingen over opstapjes bij voordeuren.

Dat [persoon] al eerder over de fysieke toestand van de onderhavige opstal zou hebben geklaagd strookt niet met diens schriftelijke verklaring die door [eiseres] is overgelegd. Daarin heeft hij verklaard dat er reeds eerder mensen van de opstap waren gevallen, maar niet dat daarvan (door hem) melding was gedaan. Indien al juist is dat er vaker mensen van die opstap zouden zijn gevallen, is – tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door Woonstad – niet (voldoende gemotiveerd) gesteld dat Woonstad daarmee bekend was en desondanks geen maatregelen heeft getroffen.

De omstandigheid dat Woonstad op enig moment de opstap heeft laten verbreden maakt dit niet anders. Afgezien van de vraag of Woonstad hiertoe over is gegaan nadat kennis was genomen van de val van [eiseres], is immers (ook overigens) niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan van Woonstad eerder mocht worden verlangd dat zij veiligheidsmaatregelen zou treffen, dan wel onderhoud zou verrichten. 4.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook indien ervan uit wordt gegaan dat de opstap ten tijde van de val verkeerde in de oude fysieke toestand, er geen sprake is van een opstal die op een voor de val van [eiseres] relevant aspect niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, dan wel dat de toestand dusdanig was dat deze, er van uitgaande dat de bij een dergelijke opstap passende voorzichtigheid werd betracht, een wezenlijk gevaar opleverde dat uit het oogpunt van veiligheid door Woonstad voorkomen had moeten worden.

Bewijslevering over de fysieke toestand van de opstap ten tijde van de val kan daarom achterwege blijven. 4.9. De slotsom is dat de vorderingen van [eiseres] dienen te worden afgewezen. 4.10. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Woonstad worden begroot op: - griffierecht € 619,00 - salaris advocaat € 904,00 (2 punten × tarief € 452,00) Totaal € 1.523,00 5De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen af, 5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Woonstad tot op heden begroot op € 1.523,00, 5.3. veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.V.L.M. Giebels-Wannyn en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2017. 2457/2294/2935