Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2017:3058 ECLI:NL:RBROT:2017:3058 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:3058 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2017:3058
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 16/4532 uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2017 in de zaak tussen [eiser] , te Rotterdam, eiser, gemachtigde: mr. D. Matadien, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder, gemachtigde: mr. I. Amghar. Procesverloop Bij besluit van 15 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 3 augustus 2015 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend, berekend met een dagloon van € 49,16. De uitkering is over de eerste twee maanden met 10% verlaagd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:3058 · Rechtbank Rotterdam: Gemachtigde van eiser heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat in beroep alleen nog in geschil is dat verweerder het dagloon te laag heeft vastgesteld en dat dit in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens eiser dienen bij de bepaling van zijn dagloon mede betrokken te worden de betalingen die hij na afloop van de referteperiode nog van zijn werkgever heeft ontvangen.

Keywords

AI generated
unemployment benefits overpayment waiver of wage claims continuation of wage payment unpaid remuneration deferred daily allowance overpaid insurance benefits
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 16/4532 uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2017 in de zaak tussen [eiser] , te Rotterdam, eiser, gemachtigde: mr. D. Matadien, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder, gemachtigde: mr. I. Amghar. Procesverloop Bij besluit van 15 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 3 augustus 2015 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend, berekend met een dagloon van € 49,16. De uitkering is over de eerste twee maanden met 10% verlaagd.

Bij besluit van 26 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser was voorafgaand aan de WW-uitkering laatstelijk werkzaam bij [bedrijf] . Het contract voor onbepaalde tijd is beëindigd door ontslag met wederzijds goedvinden.

2. Bij het bestreden besluit is het dagloon vastgesteld op basis van het loon dat eiser in het refertejaar - dat loopt van 15 juni 2014 tot en met 14 juni 2015 - ontving.

3. Gemachtigde van eiser heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat in beroep alleen nog in geschil is dat verweerder het dagloon te laag heeft vastgesteld en dat dit in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens eiser dienen bij de bepaling van zijn dagloon mede betrokken te worden de betalingen die hij na afloop van de referteperiode nog van zijn werkgever heeft ontvangen.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen (begin van) bewijs heeft overgelegd van de door hem gestelde contante betalingen die eiser na de referteperiode van zijn werkgever zou hebben ontvangen. Nu eiser dat niet aannemelijk heeft gemaakt, kan reeds daarom eiser niet worden gevolgd dat sprake moet zijn van een uitkering die gebaseerd wordt op een hoger dagloon. Nu eiser geen recht heeft op een hogere uitkering, wordt het eigendomsrecht van eiser niet beperkt en kan van strijd met artikel 1 van het EP bij het EVRM geen sprake zijn.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Eiser heeft verzocht om een schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Omdat het beroep ongegrond is, doet zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen omstandigheden voor op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken. Reeds hierom zal het verzoek van eiser worden afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. H.M. Braam, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en mr. A. Hello, leden, in aanwezigheid van mr. J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2017. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.