Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2017:3048 ECLI:NL:RBROT:2017:3048 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:3048 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2017:3048
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 16/3071 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2017 in de zaak tussen [Naam], te [Plaats], eiser, gemachtigde: mr. P.W.J.C. van Peer, en het Drechtstedenbestuur, verweerder, gemachtigde: C.A.M. Nusteling en E.J. van Zwieten. Procesverloop Bij besluiten van 23 december 2015 (de primaire besluiten I, II en III) heeft verweerder de aanvragen van eiser om bijzondere bijstand afgewezen. Bij besluit van 24 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:3048 · Rechtbank Rotterdam: Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de nota griffierecht heeft betaald, voordat hij voor deze kosten bijzondere bijstand heeft aangevraagd. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waaronder de uitspraak van 26 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2374), vloeit uit artikel 35, eerste lid, van de Pw gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de Pw voort dat in beginsel geen plaats is voor verlening van bijzondere bijstand voor kosten waarin ten tijde van de aanvraag reeds is voorzien. Dat eiser de nota van het griffierecht binnen twee weken na dagtekening van de nota moet voldoen, is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan een uitzondering moet worden gemaakt op deze rechtsregel.

Keywords

AI generated
procedural costs party costs of attorney legal representation costs territorial jurisdiction liability for costs legal aid costs

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2374
11/2555 WWB, 11/2556 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 maart 2011, 10/1930 en 10/3820 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A.
ECLI:NL:CRVB:2007:AZ5967
05/6778 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 oktober 2005, 05/1412 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College) Datum uitspraak: 2 januari 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. I. Nelemans, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 21 november 2006, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.
ECLI:NL:CRVB:2015:363
13/2331 WWB Datum uitspraak: 10 februari 2015 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 maart 2013, 12/1680 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante]te [woonplaats](appellante) het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. C.H.C. Hocks, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. Voor appellante is mr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 16/3071 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2017 in de zaak tussen [Naam], te [Plaats], eiser, gemachtigde: mr. P.W.J.C. van Peer, en het Drechtstedenbestuur, verweerder, gemachtigde: C.A.M. Nusteling en E.J. van Zwieten. Procesverloop Bij besluiten van 23 december 2015 (de primaire besluiten I, II en III) heeft verweerder de aanvragen van eiser om bijzondere bijstand afgewezen. Bij besluit van 24 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met zaaknummers ROT 16/3134, ROT 16/2495 en ROT 16/304. Overwegingen Primair besluit I 1. Eiser heeft op 29 november 2015 bijzondere bijstand aangevraagd voor een bedrag van € 167,- aan griffierecht. Bij het primaire besluit I heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen, omdat de kosten waarvoor bijstand is aangevraagd niet als algemeen noodzakelijke kosten kunnen worden aangemerkt.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de grondslag van de afwijzing gewijzigd. Verweerder stelt zich thans op het standpunt dat op grond van de Participatiewet (Pw) geen bijstand kan worden verleend voor kosten waarin op het moment van aanvraag reeds is voorzien. Verweerder heeft geconstateerd dat eiser de nota griffierecht al op 27 november 2015 heeft betaald, zodat deze kosten zich ten tijde van de aanvraag niet meer voordeden. Van bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen, is volgens verweerder geen sprake.

3. Eiser heeft aangevoerd dat hem niet kan worden verweten dat hij tijdig de nota griffierecht heeft betaald, terwijl verweerder bij het behandelen van de aanvraag geen rekening heeft gehouden met de betalingstermijn. Hij is van mening dat wanneer hij de mogelijkheid heeft de nota tijdig te betalen, dit niet betekent dat hij zijn recht op rechtsbijstand verspeelt.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de nota griffierecht heeft betaald, voordat hij voor deze kosten bijzondere bijstand heeft aangevraagd. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waaronder de uitspraak van 26 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2374), vloeit uit artikel 35, eerste lid, van de Pw gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de Pw voort dat in beginsel geen plaats is voor verlening van bijzondere bijstand voor kosten waarin ten tijde van de aanvraag reeds is voorzien. Dat eiser de nota van het griffierecht binnen twee weken na dagtekening van de nota moet voldoen, is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan een uitzondering moet worden gemaakt op deze rechtsregel.

5. Voor zover eiser heeft willen betogen dat de afwijzing van zijn aanvraag om bijzondere bijstand zijn toegang tot de rechter beperkt, overweegt de rechtbank dat eiser het griffierecht, waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd, al had betaald, De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat eisers recht op toegang tot de rechter is beperkt. Primaire besluiten II en III 6. Op 4 december 2015 heeft eiser bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van rechtsbijstand door een Belgische advocaat. Daarnaast heeft eiser op 8 december 2015 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een betekening van een dagvaarding door een Belgische deurwaarder.

7. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van deze aanvragen gehandhaafd onder de overweging dat het op grond van het territorialiteitsbeginsel niet mogelijk is om bijzondere bijstand te verlenen voor kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of voor kosten die niet aan Nederland zijn verbonden. De kosten van de Belgische deurwaarder en de Belgische advocaat dienen te worden aangemerkt als kosten die buiten Nederland zijn opgekomen. De kosten van het uittreksel van de gemeente Zwijndrecht heeft verweerder aangemerkt als kosten die niet aan Nederland zijn verbonden, omdat die kosten zijn gemaakt ten behoeve van een rechtszaak in België.

8. Eiser heeft aangevoerd dat de kosten wel degelijk zijn verbonden aan het Nederlandse grondgebied. Hij heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de CRvB van 2 januari 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:AZ5967). De deurwaarderskosten hebben betrekking op de uitvoering van een Nederlands vonnis. Daarnaast heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat, hoewel hij wordt bijgestaan door een Belgische advocaat, de zaak betrekking heeft op de uitvoering van een Nederlandse omgangsregeling.

9. In artikel 11, eerste lid, van de Pw is bepaald dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

10. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, waaronder de uitspraak van 10 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:363) en de door eiser genoemde uitspraak, sluit het aan de Pw ten grondslag liggende territorialiteitsbeginsel de mogelijkheid tot bijstandsverlening uit ten aanzien van kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of die betrekking hebben op kosten die niet aan Nederland zijn verbonden. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de in geding zijnde kosten buiten Nederland zijn opgekomen. Weliswaar vloeien de kosten voort uit een rechterlijk geschil dat in Nederland is ontstaan, maar de kosten hebben betrekking op het betekenen van een dagvaarding in België en het voeren van een rechterlijke procedure in België.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2017. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.