Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2017:2607 ECLI:NL:RBROT:2017:2607 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:2607 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2017:2607
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team Handel zaaknummer / rolnummer: C/10/521302 / KG ZA 17-177 Vonnis in kort geding van 6 april 2017 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ECOLOSS PROJECT B.V., gevestigd te Rotterdam, eiseres, advocaat mr. F.L. van der Eerden te Rotterdam, tegen 2. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE ROTTERDAM, zetelend te Rotterdam, gedaagde, advocaten mr. J.E. Palm en mr. S.B. Groenwold te Den Haag, en met als interveniërende partijen 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid STRUKTON MILIEUTECHNIEK B.V., gevestigd te Utrecht, advocaat mr.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:2607 · Rechtbank Rotterdam: Volgens het mededingingsrecht is het niet toegestaan om kartelafspraken te maken of om een economische machtspositie te misbruiken. De voorzieningenrechter begrijpt dat EcoLoss zich in dit verband niet beroept op kartelafspraken. Daarover wordt althans niets relevants gesteld, laat staan onderbouwd, zodat de stellingen van EcoLoss zo begrepen dienen te worden dat EcoLoss zich beroept op misbruik van een economische machtspositie. EcoLoss stelt echter niets, en dus ook niets relevants, dat erop zou kunnen wijzen dat de Combinatie op de relevante markt een economische machtspositie inneemt (ex artikel 24 lid 1 Mededingingswet).

Keywords

AI generated
municipal contract award local pollution environmental liability organizational fault european ombudsman unsuccessful bidder

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ1986
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/533001 / KG ZA 12-1788 Pee/CGvB Vonnis in kort geding van 21 februari 2013 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ATTERO ZUID B.V., gevestigd te Haelen, gemeente Leudal, eiseres bij dagvaarding van 27 december 2012, advocaten mr. J.F. van Nouhuys en mr. C.R.V. Lagendijk te Rotterdam, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon VUILAFVOERBEDRIJF DUIN- EN BOLLENSTREEK, zetelend te Voorhout, gemeente Teylingen, gedaagde, advocaat mr. E.E. Zeelenberg te Nijmegen, met als tussenkomende partij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SITA REENERGY ROOSENDAAL B.V., gevestigd te Roosendaal, tussenkomende partij, advocaten mr. P.F.C. Heemskerk en mr. I.A. van Riel te Utrecht. Partijen zullen hierna respectievelijk Attero, VAB en Sita worden genoemd. 1. De procedure 1.1. Voorafgaand aan de behandeling ter terechtzitting van 12 februari 2013 heeft Sita op 8 februari 2013 een incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging aan de zijde van VAB aan de voorzieningenrechter doen toekomen. Dit verzoek is ter zitting behandeld. Attero en VAB hebben geen bezwaar gemaakt tegen tussenkomst van Sita in deze procedure. De voorzieningenrechter heeft vervolgens besloten de tussenkomst van Sita toe te staan. 1.2. Ter terechtzitting van 12 februari 2013 heeft Attero gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met dien verstande dat de vordering ter zitting is aangevuld op de wijze zoals hierna onder 3. is opgenomen. VAB en Sita hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Sita heeft voorts haar (voorwaardelijke) vorderingen in tussenkomst nader toegelicht. Attero heeft de vorderingen van Sita in tussenkomst bestreden. 1.3. Alle partijen hebben producties en pleitnotities in het geding gebracht. Sita heeft één productie (productie 10) aan de voorzieningenrechter doen toekomen die zij niet naar Attero heeft gestuurd, omdat productie 10 bedrijfsgevoelige informatie van Sita bevat en daarom vertrouwelijk dient te blijven. De griffier heeft zoals ter zitting is toegelicht – voorafgaand aan de (voorbereiding van) de zitting op eerste verzoek van de voorzieningenrechter – de betreffende productie uit het procesdossier gehaald, zodat de voorzieningenrechter hiervan vóór de zitting geen kennis heeft kunnen nemen. Attero heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen een eventuele kennisname van de door Sita als vertrouwelijke aangemerkte productie. Vervolgens zijn alle betrokken partijen op dit punt door de voorzieningenrechter gehoord. Besloten is om de door Sita als vertrouwelijke aangemerkte productie niet toe te staan. Deze beslissing zal hierna onder 4.2 verder worden toegelicht. Sita heeft daarop te kennen gegeven dat zij het van groot belang acht dat de voorzieningenrechter kennis neemt van productie 10 en deze productie alsnog aan Attero ter beschikking gesteld. Na een korte leespauze is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Na verder debat hebben alle partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter zitting waren, voor zover hier van belang, aanwezig: Aan de zijde van Attero: dhr. [A], [functie], met mr. Van Nouhuys. Aan de zijde van de VAB: dhr. [B], [functie], met mr. Zeelenberg. Aan de zijde van Sita: dhr. [C], [functie], met mr. Heemskerk en mr. Van Riel. 2. De feiten 2.1. VAB is een aanbestedende dienst in de zin van het Besluit Aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (hierna: Bao). Op grond van het Bao is VAB verplicht opdrachten voor werken, leveringen en diensten boven de drempelwaarde Europees aan te besteden. 2.2. Op 11 oktober 2012 heeft VAB de aankondiging voor een Europese openbare aanbestedingsprocedure genaamd “Aanbesteding voor Transport en verwerking restafval VuilAfvoerBedrijf Duin- en Bollenstreek” gepubliceerd. De opdracht betreft het aftransporteren vanaf het overslagstation en het verwerken van (grof) huishoudelijk afval vanaf 1 juli 2016 tot en met 31 december 2021. Het gunningscriterium is de economisch meest voordelige inschrijving. 2.3. VAB heeft ten behoeve van de onder 2.2. bedoelde aanbestedingsprocedure een aanbestedingsdocument (hierna: het aanbestedingsdocument) opgesteld. Het aanbestedingsdocument luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “ 3.3 Gunning (…) 3.3.2 Beoordeling EMVI De aanbiedingen worden beoordeeld op een drietal (deel)aspecten, namelijk: Gunningcriterium Weging 1. Prijs 75 2. Duurzaamheid: 2.1 Energetische efficiëntie 2.2 Transport 20 5 Totaal 100 De beoordeling vindt plaats op basis van de opgaaf conform het inschrijfformulier. Er zal worden gegund aan de inschrijver met de vanuit de opdrachtgever economisch meest voordelige inschrijving hetgeen betekent de inschrijver met de hoogste puntenscore. In totaal zijn er 100 punten te vergeven, verdeeld over de hierboven genoemde drie (sub)criteria. Per criterium volgt hieronder een toelichting op de puntentoerekening. Ad 1. Prijs De puntentoekenning voor prijs maakt voor 75 punten deel uit van de totaalbeoordeling. De inschrijver met de laagste inschrijfprijs in euro per ton voor transport en verwerking krijgt de maximale punten toegekend. De andere inschrijvers krijgen naar rato van het prijsverschil met de laagste inschrijfprijs puntenaftrek: (PrijsI–laagste inschrijfprijs) Punten prijsI = 75 punten - ----------------------------------- x 75 punten Laagste inschrijfprijs De inschrijver dient een tarief in euro (prijspeil 1 januari 2013) op te geven. De prijsopgave dient te gebeuren conform het inschrijfformulier zoals dat in bijlage 3b is weergegeven. Daarbij dient onderscheid gemaakt te worden tussen een tarief voor de verwerking van het restafval en een tarief voor transport van overslaglocatie naar verwerkingslocatie. Ad 2.1 Duurzaamheid: Energetische efficiëntie (…) Ad 2.2 Duurzaamheid: Transport Transport wordt meegenomen als het tweede duurzaamheidsaspect waarop inschrijvingen worden beoordeeld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in drie transportmodaliteiten: wegtransport, transport per spoor en transport per water. Transport leidt tot het gebruik van wegennetten, spoorwegen en/of waterwegen. Elke modaliteit kent daarbij een verschillende milieubelasting en druk op de infrastructuur. Het VAB heeft een overslagstation waar het afval kan worden overgeslagen voor wegtransport en transport per spoor (zie ook bijlage 1). Inschrijver dient op het inschrijfformulier aan te geven welke afstand (enkele reis) per transport-modaliteit zal worden afgelegd vanaf de VAB overslaglocatie tot en met de eindverwerkings-locatie. Inschrijver dient in haar plan van aanpak nader in te gaan op de logistiek van het transport (conform bijlage 2). De puntentoekenning vindt plaats op basis van afstand per transportmodaliteit en een toegekende wegingsfactor per modaliteit. De volgende wegings-factoren worden gehanteerd: Wegvervoer: 1 Spoor: 3 Water: 4 De koppeling van afstand met de wegingsfactor leidt tot een (rekenkundig) gewogen transportafstand ” 2.4. Potentiële inschrijvers hebben (onder meer) bij Nota van Inlichtingen van 13 november 2012 de gelegenheid gekregen om vragen over het aanbestedingsdocument aan VAB te stellen. In deze Nota van Inlichtingen zijn, voor zover hier van belang, de navolgende passages opgenomen: “ Nr. (…) Vraag Antwoord 41 (…) Wilt u aangeven hoe u omgaat met de opgegeven breuk, daar indien de winnende inschrijving een laagste inschrijfprijs van € 0 (nul Euro) oplevert, er geen wiskundig juist getal uit de opgegeven breuk kan komen? Een inschrijfprijs van € 0 (nul Euro) zal bij de aanbestedende dienst vragen oproepen. Indien de aanbestedende dienst van mening is dat sprake is van een onredelijke aanbieding – bijvoorbeeld door een onevenredig lage tariefsaanbieding – zal de betreffende partij hierover benaderd worden om deze te laten bevestigen of deze tarieven correct zijn. Mochten tarieven onacceptabel laag zijn dan zal aanbestedende dienst conform jurisprudentie handelen. (…) 45 (…) Hoe gaat de aanbestedende dienst om met onevenredig lage aanbiedingen, op basis waarvan kan worden verwacht dat er geen marktconforme kostprijs aan ten grondslag ligt? Zie ook antwoord bij vraag 41. ” 2.5. Een aantal marktpartijen, waaronder Attero en Sita, hebben tijdig op de onderhavige aanbesteding ingeschreven. 2.6. Bij brief van 12 december 2012 heeft VAB, voor zover hier van belang, het navolgende aan Attero geschreven: “ Met betrekking tot de Europese aanbesteding overslag en Verwerking van (grof) huishoudelijk restafval in de Duin- en Bollenstreek (…) deel ik u mede dat het VAB voornemens is de opdracht te gunnen aan SITA ReEngergy Roosendaal B.V. De afgelopen periode zijn de ontvangen aanbiedingen grondig bestudeerd. Daarbij is uitgegaan van wat de inschrijvers schriftelijk hebben aangereikt. (…) Op basis van een uitgevoerde schaduwbeoordeling zou uw inschrijving op de tweede plaats zijn geëindigd. Zie onderstaande tabel voor de puntenverdeling uit de schaduwbeoordeling. Inschrijver Punten: Energetische efficiëntie Transport prijs Totaal SITA ReEnergy Roosendaal B.V 17,3 5,0 75,0 97,3 Attero Zuid B.V. 20,0 4,3 71,4 95,7 ” 2.7. Bij brief van 14 december 2012 heeft Attero VAB verzocht om een nadere motivering van het door haar op 12 december 2012 bekend gemaakte gunningsvoornemen en daarbij de kenmerken en voordelen van de inschrijving van Sita te vermelden ten opzichte van de inschrijving van Attero. Meer in het bijzonder heeft Attero verzocht een uitspraak te doen over de verwerkingsinstallatie waarmee Sita heeft ingeschreven om de energetische efficiëntie te kunnen controleren en de wijze van transport waarvoor Sita heeft gekozen. 2.8. Bij brief van 16 december 2012 heeft VAB (onder meer) aan Attero bericht dat zij – gelet op de bedrijfsgevoeligheid daarvan – geen informatie kan verstrekken over de verwerkingsinstallatie waarmee Sita heeft ingeschreven en de wijze van transport die Sita heeft aangeboden. Voorts heeft VAB zich op het standpunt gesteld dat het gunningsvoornemen van 12 december 2012 voldoende is gemotiveerd. 2.9. Bij dagvaarding voor dit kort geding van 27 december 2012 heeft Attero het vermoeden geuit dat Sita met de verwerkingsinstallatie van het Afval Energie Bedrijf van Amsterdam (hierna: AEB) heeft ingeschreven, alsmede gesteld dat de door Sita ingediende inschrijving abnormaal laag is. 2.10. Bij brief van 7 februari 2013 heeft VAB, voor zover hier van belang, het volgende aan de advocaat van Attero geschreven: “ Met instemming van Sita kan ik u (…) thans bevestigen dat – zoals u op de in de dagvaarding beschreven wijze al had gereconstrueerd – Sita inderdaad op deze aanbesteding heeft ingeschreven met het Afval Energie Bedrijf (AEB) als verwerkingsinstallatie. Tevens kan ik u bevestigen dat Sita qua wijze van transport heeft ingeschreven met vervoer over de weg. ” 3. Het geschil 3.1. Attero vordert – samengevat en na wijziging van eis –: primair VAB te gebieden de opdracht aan Attero te gunnen, althans VAB te verbieden de opdracht aan een ander dan Attero te gunnen, op straffe van verbeurte van een dwangsom; subsidiair VAB te verbieden de opdracht aan een ander dan Attero te gunnen en VAB te gebieden de opdracht opnieuw aan te besteden, – voor zover zij deze opdracht nog in de markt wenst te zetten, op straffe van verbeurte van een dwangsom; meer subsidiair VAB te verbieden de opdracht aan een ander dan Attero te gunnen en VAB te gebieden de inschrijvingen opnieuw te beoordelen met inachtneming van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom; primair, subsidiair en meer subsidiair VAB te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten. 3.2. Ter toelichting op de vordering is het volgende door Attero gesteld. VAB is bij de onderhavige aanbesteding gehouden te controleren of er een gelijk speelveld aanwezig is geweest, nu Sita voor de uitvoering van de overeenkomst een beroep heeft gedaan op een publieke onderaannemer die aan de gemeente Amsterdam is gelieerd, te weten het Afval Energie Bedrijf van Amsterdam (hierna: AEB). De door Sita geboden prijs roept de vraag op of de aanbieding van Sita met behulp van (verboden) staatssteun tot stand is gekomen. Attero heeft daarbij gewezen op het door haar als productie 8 in het geding gebrachte document Afvalstoffenheffing 2012 van Agentschap NL waaruit volgt dat de kostprijs voor verwerking van afval op gemiddeld € 80,00 per ton ligt. Het door Sita op de onderhavige aanbesteding per ton aangeboden bedrag voor de verwerking van afval ligt daar evenwel fors onder. Dit is niet toegestaan gelet op het bepaalde in de Wet Markt en Overheid, waarin AEB – als publieke ondernemer – wordt verplicht om minimaal de integrale kosten in de prijs van haar dienstverlening aan Sita door te bereken. VAB dient de aanbieding van Sita dan ook kritisch te onderzoeken en zo nodig ter zijde te leggen. Dit heeft zij niet gedaan, waardoor de aanbestedingsrechtelijke beginselen van gelijkheid en transparantie zijn geschonden. 3.3. VAB en Sita voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3.4. Sita vordert in tussenkomst: 1. afwijzing van de vorderingen van Attero; 2. veroordeling van Attero in de (na)kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente; en voorts; onder de voorwaarde dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het instellen van vorderingen tegen beide partijen noodzakelijk is voor tussenkomst: 3. VAB te verbieden de opdracht aan een ander dan Sita te gunnen; 4. Attero te gebieden te gehengen en te gedogen dat de opdracht aan Sita wordt gegund; 3.5. Attero voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) – waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden – buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor als bedoeld in artikel 19 Rv meebrengt dat, behoudens toestemming van de partij die het aangaat, in beginsel slechts mag worden beslist op basis van gegevens tot kennisneming waarvan en uitlating waarover alle partijen voldoende gelegenheid is gegeven. Niet kan evenwel worden uitgesloten dat een partij – in dit geval Sita – vanwege de bedrijfsvertrouwelijkheid van bepaalde informatie niet bereid is om een bepaalde gegevens vrij te geven aan een concurrent – in dit geval Attero – , terwijl deze gegevens wel van groot belang kunnen zijn voor de beslissing op het geschil. De voorzieningenrechter is van oordeel dat vertrouwelijk kennisnemen door een rechter van gegevens die niet kenbaar worden gemaakt aan één of meer partijen in een geding, hoezeer ook het belang van degene die deze gegevens ter beschikking wil stellen met die kennisneming gebaat kan zijn, zich niet verstaat met het karakter van het civiele proces. Reeds omdat de echtheid van het stuk en de betrouwbaarheid van de vertrouwelijk verstrekte gegevens geen onderdeel van het debat tussen partijen kunnen zijn, één of meer partijen niet in de gelegenheid zijn gesteld vragen te stellen of opmerkingen te maken naar aanleiding van die gegevens, en ook niet valt in te zien hoe de beslissing met gebruikmaking van die gegevens tot stand kan komen indien die gegevens niet kunnen terugkomen in de motivering van die beslissing, is het niet aanvaardbaar dat de rechter vertrouwelijk kennis neemt van een stuk dat niet aan de wederpartij ter beschikking wordt gesteld. 4.3. De advocaat van VAB heeft bij brief van 7 februari 2013 aan de advocaat van Attero bericht dat Sita met de verwerkinginstallatie van het Afval Energie Bedrijf in Amsterdam heeft ingeschreven en voorts gemeld dat Sita qua wijze van transport met vervoer over de weg heeft ingeschreven. Attero heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat haar motiveringsklachten aangaande de gunningsbeslissing van 12 december 2012 – vanwege de inhoud van de brief van 7 februari 2013 – zijn komen te vervallen. De aanvankelijk door Attero geuite klachten op dit punt behoeven dan ook geen verdere bespreking meer. Attero heeft de voorzieningenrechter evenwel verzocht om op het punt van de proceskosten rekening te houden met de omstandigheid dat VAB pas enkele dagen voor de zitting met haar aanvullende toelichting is gekomen. De voorzieningenrechter komt daar later in dit vonnis – in het kader van de proceskostenveroordeling – nog op terug. 4.4. Partijen verschillen van mening over de vraag of VAB had moeten controleren of Sita een abnormaal lage aanbieding heeft gedaan. De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt. 4.5. Uitgangspunt is dat artikel 56 Bao is geschreven ter bescherming van de belangen van de aanbestedende dienst en de inschrijver die (vermoedelijk) een abnormaal lage aanbieding heeft gedaan. Op het moment dat een aanbestedende dienst van mening is dat van een abnormaal lage aanbieding sprake is, kan zij niet direct tot uitsluiting van die inschrijver overgaan, maar dient zij om een verantwoording van de prijsopgave bij de betreffende inschrijver te verzoeken. De inschrijver die (vermoedelijk) een abnormaal lage aanbieding heeft gedaan, wordt daarmee beschermd tegen een lichtzinnige uitsluiting door de aanbestedende dienst. Uit het vorenstaande volgt dat VAB een discretionaire bevoegdheid heeft om toepassing te geven aan de in artikel 56 Bao bedoelde regeling, indien zij van mening is dat een inschrijving in verhouding tot de te verrichten diensten abnormaal laag lijkt. Nu sprake is van een discretionaire bevoegdheid zijdens VAB, kan Attero aan de regeling van de abnormaal lage inschrijving in beginsel geen rechten ontlenen. 4.6. Het vorenstaande is – naar het oordeel van de voorzieningenrechter – evenwel anders indien het aanbestedingsdocument van VAB vermeldt onder welke omstandigheden VAB zonder meer van haar bevoegdheid tot het doen van onderzoek naar de samenstelling van de inschrijving gebruik zal maken. Hier zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn als in de aanbestedingsdocumentatie is opgenomen dat een onderzoek zal plaatsvinden, zodra blijkt dat de winnende inschrijving meer dan 10% afwijkt van de bij de aanbesteding gemiddeld geboden prijzen. In dat geval is een aanbestedende dienst ook gebonden dienovereenkomstig deze nadere invulling van haar discretionaire bevoegdheid te handelen en kunnen derden de aanbestedende dienst daar op aanspreken. Attero heeft – in het kader van de invulling van de bevoegdheid door VAB in haar aanbestedingsdocumentatie – gewezen op de onder 2.4 weergeven vragen en antwoorden in de Nota van Inlichtingen. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat VAB van haar onderzoeksbevoegdheid als bedoeld in artikel 56 Bao gebruik zou maken ingeval van een onevenredig lage tariefsaanbieding op basis waarvan niet kan worden verwacht dat daaraan een marktconforme prijs ten grondslag ligt. 4.7. In aanvulling op het vorengaande kan voorts niet worden uitgesloten dat een aanbestedende dienst vanwege haar gebondenheid aan publiekrechtelijke normen (het zorgvuldigheidsbeginsel en verbod op willekeur) die op grond van artikel 3:14 van het Burgerlijk Wetboek in het civiele recht doorwerken, onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld bij een voldoende concreet vermoeden van overheidssteun, eveneens gehouden is een onderzoek als bedoeld in artikel 56 Bao uit te voeren. 4.8. In dit kort geding staat de vraag centraal of VAB in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat geen sprake is van een onevenredig lage tariefsaanbieding zijdens Sita (en haar onderaannemer AEB) en dus kon afzien van nader onderzoek naar de totstandkoming van die prijs. 4.9. Vooropgesteld dient te worden dat het verschil tussen de aanbieding van Sita en de aanbieding van VAB op het eerste gezicht niet groot is. Niet in geschil is immers dat de door Attero en de door Sita behaalde puntentotalen dicht bij elkaar liggen. Ook het prijsverschil tussen de aanbiedingen van Attero en Sita bedraagt minder dan 5%. Dat VAB tot de conclusie is gekomen dat van een onevenredig lage tariefsaanbieding geen sprake is, kan de voorzieningenrechter dan ook niet als evident onjuist aanmerken. Dit geldt te meer, nu Attero zelf het standpunt inneemt dat haar aanbieding scherp – maar niet abnormaal laag – is. 4.10. Attero heeft voorts gewezen op het document Afvalstoffenheffing 2012 van Agentschap NL (productie 8 zijdens Attero) waaruit volgt dat de kostprijs voor verwerking van afval door AEB op gemiddeld € 80,00 per ton ligt. De verwijzing naar dit document kan Attero niet baten, nu het in dit document opgenomen verwerkingstarief slechts informatie verschaft over het gemiddelde tarief dat AEB de laatste jaren voor de verwerking van afval aan de diverse (aandeelhoudende) gemeenten in rekening heeft gebracht. Winstuitkeringen, superdividenden en kortingen zijn daarbij niet meegenomen. Vorenbedoeld tarief valt derhalve – zoals Sita ook terecht heeft betoogd – niet gelijk te stellen met de integrale kostprijs die AEB voor de verwerking van afval aan private partijen in rekening dient te brengen. Het document Afvalstoffenheffing 2012 van Agentschap NL levert – gelet op het vorenstaande – dan ook geen aanknopingspunt op voor de stelling van Attero dat sprake is van onrechtmatige overheidssteun. 4.11. Attero heeft verder betoogd dat de door Sita aangeboden integrale kostprijs voor de verwerking van afval van circa € 50,00 per ton – zonder overheidssteun – niet haalbaar is. VAB en Sita hebben met een verwijzing naar een overzichtstabel van aanbestedingen restafval in 2009-2011 (productie 4 zijdens Sita) en de poorttarieven die Attero recentelijk zelf aan diverse gemeenten heeft aangeboden (en die via publieke bronnen bekend zijn geworden; producties 5 en 6 zijdens Sita), het betoog van Attero voldoende gemotiveerd betwist. Dit geldt te meer, nu Sita onbetwist heeft gesteld dat poorttarieven – behoudens kortlopende overeenkomsten – over het algemeen hoger liggen dan de integrale kostprijs. In dit kort geding is dan ook niet aannemelijk geworden dat de door Attero aangeboden integrale kostprijs voor de verwerking van afval – zonder het verkrijgen van overheidssteun – niet haalbaar is. 4.12. Ook de zijdens Sita als productie 10 in het geding gebracht verklaring levert – anders dan Attero heeft betoogd – voorshands geen aanknopingspunten op voor de stelling dat sprake is van overheidssteun. De [functie] van AEB, de heer [D], verklaart namelijk niets over de prijzen die AEB voor de verwerking van afval in het kader van de onderhavige opdracht aan Sita in rekening brengt en of deze prijzen boven de integrale kostprijs liggen. 4.13. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat Attero er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een onevenredig lage tariefsaanbieding. Evenmin heeft Attero voorshands kunnen aantonen dat sprake is van overheidssteun. VAB behoefde in de gegeven omstandigheden dan ook geen onderzoek te doen en mocht derhalve tot (voorlopige) gunning aan Sita overgaan. De vorderingen van Attero zullen dientengevolge worden afgewezen. 4.14. De door Sita in tussenkomst voorwaardelijk ingestelde vorderingen onder 3. en 4. behoeven geen bespreking, nu de voorzieningenrechter van oordeel is dat het instellen van deze vorderingen jegens Attero en VAB niet noodzakelijk is teneinde in dit kort geding te worden toegelaten als tussenkomende partij. Sita kan in dit geval volstaan met de vorderingen onder 1. en 2., nu zonder meer gebleken is dat zij een belang heeft bij tussenkomst teneinde benadeling of verlies van een aan haar toekomend recht te voorkomen. 4.15. Aangaande de proceskosten overweegt de voorzieningenrechter het navolgende. Ofschoon Attero na de ontvangst van de brief van 7 februari 2013 tot intrekking van deze procedure had kunnen besluiten, kan haar naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden verweten dat zij daartoe niet is overgegaan. VAB en Sita hebben slechts enkele dagen voor de zitting die informatie aan Attero verschaft die zij nodig had om te kunnen beoordelen of het voeren van deze procedure zinvol was, terwijl VAB en Sita geen goede verklaring hebben kunnen geven waarom zij daar zolang mee hebben gewacht. De stelling van VAB en Sita dat de door Attero verzochte informatie aangaande de inschrijving van Sita vertrouwelijk diende te blijven, kan hen ook niet vrijpleiten, nu deze informatie op de eerste dag van de uitvoering bij iedereen bekend zou zijn geweest. De handelwijze van VAB en Sita heeft bovendien tot gevolg dat Attero is beperkt in haar mogelijkheden om – voorafgaand aan deze zitting – nog andere (juridische) wegen te onderzoeken en te bewandelen, zoals het indienen van een klacht bij de Nederlandse Mededingingsautoriteit. De voorzieningenrechter ziet in bovengenoemde omstandigheden aanleiding om de proceskosten aldus te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5. De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. weigert de gevraagde voorzieningen, 5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen alle partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.J. Peeters, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. C.G. van Blaaderen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2013.
ECLI:NL:RBNNE:2014:365
PRIMIAR: Attero zal toestaan tussen te komen in het rechtsgeding tussen SITA en de Drentse gemeenten; SUBSIDIAIR: Attero zal toestaan zich te voegen aan de zijde van de Drentse gemeenten in het rechtsgeding tussen SITA en de Drentse gemeenten; de vorderingen van SITA niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze af te wijzen;
ECLI:NL:RBOVE:2014:3245
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [betrokkene 1].
ECLI:NL:RBROT:2017:1182
vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team Handel zaaknummer / rolnummer: C/10/516899 / KG ZA 16-1456 Vonnis in kort geding van 13 februari 2017 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid STAFFING MANAGEMENT SERVICES B.V., gevestigd te Rotterdam, eiseres, advocaten mr. W.J.W. Engelhart en mr. J.C. Langeveld te Utrecht, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE SCHIEDAM, zetelend te Schiedam, gedaagde, advocaat mr. A.J. van de Watering te Rotterdam, en met als tussengekomen partij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MANPOWERGROUP SOLUTIONS B.V., gevestigd te Diemen, advocaat mr.
ECLI:NL:RBDHA:2015:15921
de publiekrechtelijke rechtspersoon (zelfstandig bestuursorgaan) POLITIEACADEMIE (LANDELIJK SELECTIE- EN OPLEIDINGSINSTITUUT POLITIE (LSOP)), gevestigd en kantoorhoudende te Apeldoorn, 2.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team Handel zaaknummer / rolnummer: C/10/521302 / KG ZA 17-177 Vonnis in kort geding van 6 april 2017 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ECOLOSS PROJECT B.V., gevestigd te Rotterdam, eiseres, advocaat mr. F.L. van der Eerden te Rotterdam, tegen 2. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE ROTTERDAM, zetelend te Rotterdam, gedaagde, advocaten mr. J.E. Palm en mr. S.B. Groenwold te Den Haag, en met als interveniërende partijen 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid STRUKTON MILIEUTECHNIEK B.V., gevestigd te Utrecht, advocaat mr.

C.G. van Blaaderen te Rotterdam, en 4+5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] gevestigd te Den Hoorn, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf2] gevestigd te Hazerswoude-Dorp, advocaten mr. N.A. Keus en mr. T.A. Terlien te Den Haag. Partijen zullen hierna EcoLoss, de gemeente Rotterdam, Strukton en de Combinatie genoemd worden. De twee vennootschappen die onderdeel uitmaken van de Combinatie zullen separaat [bedrijf 1] en [bedrijf2] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de overgelegde producties de incidentele conclusie van Strukton tot tussenkomst de akte houdende aanvulling van eis, van Strukton de incidentele conclusie van de Combinatie tot tussenkomst, subsidiair voeging de mondelinge behandeling (gelijktijdig met de procedure C/10/520509 KG ZA 17-125, waarin Strukton eiseres is, de gemeente Rotterdam gedaagde en EcoLoss en de Combinatie interveniërende partijen zijn) de pleitnota van EcoLoss de pleitnota van de gemeente Rotterdam de pleitnota van Strukton de pleitnota van de Combinatie. 1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. De gemeente Rotterdam heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd met betrekking tot het op afroep en naar behoefte treffen van maatregelen ter voorkoming of vermindering van milieuschade in de openbare ruimte. De aanbestedingsprocedure is geregeld in een document genaamd “Raamovereenkomst: Beredderen van Milieu-incidenten 1-271-16” van 10 augustus 2016 (hierna te noemen: het Beschrijvend Document). 2.2. In het Beschrijvend Document staat onder meer dat als gunningscriterium wordt gehanteerd “de economisch meest voordelige inschrijving” (meer specifiek: laagste acceptabele bod), dat het werk een geraamde waarde vertegenwoordigt van circa € 350.000,- omzet per jaar, dat de raamovereenkomst zal worden gesloten voor twee jaar (met als oorspronkelijk beoogde ingangsdatum 1 november 2016) en met tweemaal een verlengingsmogelijkheid van telkens één jaar. 2.3.

De gunningsmethodiek in het Beschrijvend Document komt op het volgende neer: inschrijvers moeten op drie verschillende casus aangeven hoe zij het desbetreffende (dreigende) milieuprobleem zouden oplossen. Voor elke casus kunnen maximaal 10 punten behaald worden. Er geldt een drempel van minimaal 24 punten in totaal (de vastgestelde kwaliteitsdrempel). Een inschrijving met minder dan 24 punten wordt uitgesloten. De inschrijver die de kwaliteitsdrempel haalt en de laagste fictieve inschrijvingssom heeft (het laagste acceptabele bod) komt voor gunning in aanmerking, 2.4.

In het Beschrijvend Document staat voorts onder meer: “2.1.2 Maatschappelijke waarde De Aanbestedende Dienst streeft bij het gunnen van opdrachten naar het realiseren van zo veel mogelijk maatschappelijke waarde door het hanteren van het criterium Economisch Meest Voordelige Inschrijving (EMVI) en daarmee het nastreven van een zo goed mogelijke prijs-kwaliteitverhouding.” […] “5.5.1 Social Return De Aanbestedende Dienst hecht waarde aan maatschappelijk verantwoord ondernemen. In dat kader is Social Return onderdeel van het duurzame inkoopbeleid en wordt door de Aanbestedende Dienst een social return verplichting aan de opdrachtnemer opgelegd met als doel een economisch en sociaal gezondere regio te krijgen.

Voor de Raamovereenkomst, zoals omschreven in het Beschrijvend Document, dient iedere 6 maanden van de contractperiode ten minste 5% van de omzet exclusief btw ingezet te worden ten behoeve van Sociale Return […]” 2.5. EcoLoss heeft ingeschreven op deze aanbesteding. 2.6. Volgens een proces-verbaal van opening van de inschrijvingen, waarin staat dat het slechts de ingekomen inschrijvingen registreert, gedateerd 26 september 2016, zijn er vier inschrijvingen gedaan en is met de volgende prijzen ingeschreven (exclusief BTW): - EcoLoss € 169.100,- - Strukton € 123.000,- - [bedrijf2] € 73.400,- - [bedrijf3] € 352.500,-. 2.7.

De gemeente Rotterdam heeft bij brief van 21 december 2016 aan EcoLoss bericht dat de inschrijving van EcoLoss als tweede uit de bus was gekomen en dat zij voornemens was de opdracht te gunnen aan Strukton. EcoLoss kon zich in dit voornemen niet vinden en heeft aangekondigd hierover een kort geding procedure te zullen aanspannen. Die kort gedingprocedure is ingetrokken vanwege de na te melden brief van de gemeente Rotterdam van 20 januari 2017. 2.8. De gemeente Rotterdam heeft bij brief van 20 januari 2017 aan EcoLoss medegedeeld, samengevat: - één van de andere inschrijvers heeft een klacht ingediend; - de klacht is onderzocht en daaruit is gebleken dat de inschrijving van de klager niet is beoordeeld op de wijze zoals dat volgens het Beschrijvend Document had moeten plaatsvinden; - het voornemen tot gunning aan Strukton wordt ingetrokken; - alle inschrijvingen zullen opnieuw beoordeeld worden. 2.9.

De gemeente Rotterdam heeft bij brief van 9 februari 2017 aan EcoLoss medegedeeld dat EcoLoss, op basis van de weging van de inschrijfsom en de beschrijving van de drie casus (met 30 punten voor EcoLoss), als derde was geëindigd en dat het voornemen bestond om de opdracht te gunnen aan [bedrijf2] . 3Het geschil 3.1. EcoLoss vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente Rotterdam te veroordelen zich te onthouden van de gunning van het werk aan [bedrijf2] totdat een nader onderzoek is ingesteld en positief is afgerond met betrekking tot vraag of, mede gezien de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemen, [bedrijf2] inderdaad het laagst acceptabele bod heeft ingediend, dit alles met veroordeling van de gemeente Rotterdam in de kosten van de procedure.

EcoLoss stelt daartoe het volgende. 3.2. [bedrijf2] heeft, net als Strukton, een abnormaal lage inschrijving ingediend. [bedrijf2] is 100% goedkoper dan EcoLoss en Strukton is 37% goedkoper dan EcoLoss. Voor deze tarieven kan het werk niet (deugdelijk) worden uitgevoerd, zeker niet nu het om 24/7 uurdiensten gaat en EcoLoss zelf al scherp geoffreerd had. Op de bestrijding van milieu-incidenten dient goed gekwalificeerd personeel te worden ingezet en dat kost wat. [bedrijf2] is kennelijk voornemens het werk door onvoldoende gekwalificeerd personeel te laten verrichten, dan wel schrijft [bedrijf2] bewust in op verliesbasis, wat, naar EcoLoss erkent, uiteraard aan [bedrijf2] zelf is, zodat EcoLoss in die kwestie niet zal treden.

Van de gemeente Rotterdam mag echter verwacht worden dat zij een andere invulling geeft aan de maatschappelijke waarde en het duurzame inkoopbeleid dat zij volgens het Beschrijvend Document zegt na te streven. De gemeente Rotterdam had nader onderzoek moeten verrichten naar de (on)mogelijkheid of het werk kan worden uitgevoerd tegen de door [bedrijf2] en Strukton geoffreerde prijzen. Mogelijk wordt gepoogd om EcoLoss, dat zich volledig heeft gespecialiseerd in uitvoering van werkzaamheden als de onderhavige, uit de markt te stoten. Dit verhoudt zich niet met de mission statements van de gemeente Rotterdam met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Volgens EcoLoss kan de Combinatie geen vordering instellen omdat niet de Combinatie maar [bedrijf2] de inschrijver op de aanbesteding is. 3.3. De gemeente Rotterdam voert verweer. 3.4. Strukton concludeert tot afwijzing van de vordering van EcoLoss en van de Combinatie. Strukton vordert, samengevat, de gemeente Rotterdam te verbieden om de opdracht aan een ander dan Strukton te gunnen en om de gemeente Rotterdam te verbieden om de inschrijving van [bedrijf2] ongeldig te verklaren. Volgens Strukton kan de Combinatie geen vordering instellen omdat niet de Combinatie maar [bedrijf2] de inschrijver op de aanbesteding is. 3.5.

De Combinatie concludeert tot afwijzing van de vorderingen van EcoLoss en van Strukton. De Combinatie stelt dat de gemeente Rotterdam terecht voornemens is de opdracht aan haar te gunnen. De Combinatie vordert om de gemeente Rotterdam te verbieden om de opdracht aan een ander dan de Combinatie te gunnen. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Over de twee interventies wordt als volgt geoordeeld. 4.2. Ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen. 4.3.

Het belang van Strukton, als inschrijver op de aanbesteding en oorspronkelijk winnaar daarvan, is gegeven. Om die reden heeft de voorzieningenrechter, partijen gehoord hebbend ter zitting, de tussenkomst door Strukton toegestaan. 4.4. Het belang van de Combinatie, als inschrijver op de aanbesteding en - volgens de gemeente Rotterdam - ook de uiteindelijke winnaar daarvan, is eveneens gegeven. Om die reden heeft de voorzieningenrechter, partijen gehoord hebbend ter zitting, de tussenkomst/voeging door de Combinatie eveneens toegestaan. De vraag of sprake is van tussenkomst dan wel voeging zal, zo nodig, nog aan de orde komen. 4.5.

Aan de beslissing om de Combinatie toe te staan tot interventie doen niet af de bezwaren van Strukton en van EcoLoss als zou niet de Combinatie maar alleen [bedrijf2] hebben ingeschreven op de aanbesteding. Ter zitting heeft de gemeente Rotterdam desgevraagd verklaard dat niet [bedrijf2] , maar de Combinatie heeft ingeschreven op de aanbesteding en dat, voor zover in het proces-verbaal van opening van de inschrijvingen of in correspondentie van de gemeente Rotterdam wordt gesproken van (alleen) [bedrijf2] , dit berust op niet meer dan een administratieve onzorgvuldigheid van de gemeente Rotterdam.

De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring, en dit des te minder nu de Combinatie ter zitting haar Uniforme Eigen Verklaring heeft getoond. Deze verklaring bleek eveneens ingevuld te zijn op naam van de twee bedrijven die samen de Combinatie vormen. 4.6. Dan wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling. 4.7. Het spoedeisend belang volgt uit de aard der zaak. 4.8. De stelling van EcoLoss dat zij uit de markt wordt gedrukt door de lage inschrijfprijs van de Combinatie is een kwestie die veeleer betrekking heeft op het mededingingsrecht dan op het aanbestedingsrecht (behoudens dan de nog te beoordelen kwestie van de abnormaal lage inschrijving).

Volgens het mededingingsrecht is het niet toegestaan om kartelafspraken te maken of om een economische machtspositie te misbruiken. De voorzieningenrechter begrijpt dat EcoLoss zich in dit verband niet beroept op kartelafspraken. Daarover wordt althans niets relevants gesteld, laat staan onderbouwd, zodat de stellingen van EcoLoss zo begrepen dienen te worden dat EcoLoss zich beroept op misbruik van een economische machtspositie. EcoLoss stelt echter niets, en dus ook niets relevants, dat erop zou kunnen wijzen dat de Combinatie op de relevante markt een economische machtspositie inneemt (ex artikel 24 lid 1 Mededingingswet).

EcoLoss stelt overigens ook niet wat de relevante markt in dit geval is. Dan kan ook niet tot het oordeel worden gekomen dat misbruik wordt gemaakt van een (eventuele) economische machtspositie. Voorzover EcoLoss desondanks meent dat de handelwijze van de Combinatie mededingingsrechtelijk gezien niet door de beugel kan, ondanks het uitgangspunt dat concurrentie op zich geoorloofd en zelfs wenselijk is, zal zij overigens haar pijlen moeten richten op de Combinatie en niet op de gemeente Rotterdam. 4.9. De beroepen van EcoLoss op de bepalingen in het Beschrijvend Document omtrent maatschappelijk verantwoord ondernemen en social return kunnen haar niet baten, nu niet valt in te zien welke op de gemeente Rotterdam rustende verbintenis in dit verband zou worden geschonden, respectievelijk dat de gemeente Rotterdam niet zou hebben getoetst overeenkomstig het bepaalde in het Beschrijvend Document.

In wezen is hier niet zozeer sprake van een (afzonderlijk) te toetsen subgunningscriterium als wel van een beschrijving van de uitgangspunten die de gemeente Rotterdam wil hanteren bij het opstellen van de aanbestedingsstukken en de eisen die zullen worden gesteld aan de inschrijver aan wie de opdracht uiteindelijk gegund wordt. 4.10. Volgens het Beschrijvend Document (blz. 6 onder 2.1.2) is EMVI (economisch meest voordelige inschrijving) het gunningscriterium. Sinds de wijziging van de Aanbestedingswet 2012 per 1 juli 2016 heeft het begrip EMVI een andere, overkoepelende betekenis gekregen voor de drie verschillende manieren om te gunnen.

Blijkens het bepaalde in het Beschrijvend Document is in dit geval feitelijk gekozen voor de beste prijs-kwaliteitverhouding (in de vorm van het laagste acceptabele bod, blz. 17 onder 5.6.2. van het Beschrijvend Document) als gunningscriterium (wat voor 1 juli 2016 werd aangeduid als EMVI). 4.11. Het ten deze toepasselijke artikel 2.116 van de Aanbestedingswet 2012 (onder paragraaf 2.3.8.5: “Abnormaal lage inschrijvingen”) luidt: “1. Indien een inschrijving voor een overheidsopdracht wordt gedaan die in verhouding tot de te verrichten werken, leveringen of diensten abnormaal laag lijkt, verzoekt de aanbestedende dienst om een toelichting op de voorgestelde prijs of kosten van de desbetreffende inschrijving.

2. Een toelichting als bedoeld in het eerste lid kan onder meer verband houden met: a. de doelmatigheid van het bouwproces, van het productieproces van de producten of van de dienstverlening; b. de gekozen technische oplossingen of uitzonderlijk gunstige omstandigheden waarvan de inschrijver bij de uitvoering van de werken, de levering van de producten of het verlenen van de diensten kan profiteren; c. de originaliteit van de door de inschrijver voorgestelde werken, leveringen of diensten; d. het vervullen van de verplichtingen op het gebied van het milieu-, sociaal en arbeidsrecht uit hoofde van het recht van de Europese Unie, nationale recht of collectieve arbeidsovereenkomsten of uit hoofde van de in bijlage X van richtlijn 2014/24/EU vermelde bepalingen van internationaal milieu-, sociaal en arbeidsrecht; e. de ontvangst van staatssteun door de inschrijver; f. het vervullen van de verplichtingen, bedoeld in artikel 2.79.

3. De aanbestedende dienst onderzoekt in overleg met de inschrijver de verstrekte informatie.

4. Een aanbestedende dienst kan een inschrijving uitsluitend afwijzen indien het lage niveau van de voorgestelde prijzen of kosten niet genoegzaam wordt gestaafd door het verstrekte bewijsmateriaal, rekening houdend met de in het tweede lid bedoelde elementen.

5. Een aanbestedende dienst wijst een inschrijving af indien hij heeft vastgesteld dat de inschrijving abnormaal laag is omdat zij niet voldoet aan de verplichtingen op het gebied van het milieu- sociaal en arbeidsrecht uit hoofde van het recht van de Europese Unie, nationale recht of collectieve arbeidsovereenkomsten of uit hoofde van de in bijlage X van richtlijn 2014/24/EU vermelde bepalingen van internationaal milieu-, sociaal en arbeidsrecht.

6. Een aanbestedende dienst die constateert dat een inschrijving abnormaal laag is omdat de inschrijver staatssteun heeft gekregen, kan de inschrijving uitsluitend op enkel die grond na overleg met de inschrijver afwijzen, indien de inschrijver desgevraagd niet binnen een door de aanbestedende dienst bepaalde voldoende lange termijn kan aantonen dat de betrokken steun niet in strijd met artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is toegekend.

7. Indien de aanbestedende dienst in een geval als bedoeld in het zesde lid een inschrijving afwijst, stelt hij de Europese Commissie daarvan in kennis.” 4.12. Indien sprake zou zijn van een abnormaal lage inschrijving, wat, gelet op het gemotiveerde verweer van de Combinatie op dit onderdeel, niet zonder meer kan worden aangenomen, heeft het volgende te gelden. 4.13. Een aanbesteder heeft in beginsel niet de verplichting, maar slechts een bevoegdheid om een inschrijving met een abnormaal lage prijs uit te sluiten. Dit volgt uit voormelde wetstekst en uit bestendige jurisprudentie (zie bijvoorbeeld Vzngr.

Rb. Amsterdam 21 februari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ1986; Rb. Noord Nederland 23 januari 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:365; Vzngr. Rb. Overijssel, zittingsplaats Almelo, 6 juni 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:3245; Vzngr. Rb. Rotterdam, 13 februari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:1182). 4.14. Afgezien hiervan is de regeling over abnormaal lage inschrijvingen geschreven ten gunste van de aanbesteder en kunnen (andere) inschrijvers, als EcoLoss, hieraan geen rechten ontlenen (zie onder meer Vzngr. Rb. Overijssel 6 juni 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:3245 en Vzngr. Rb. Den Haag 23 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:15921). 4.15.

De vorderingen van EcoLoss dienen dan ook afgewezen te worden. Niet valt in te zien waarom de gemeente Rotterdam zou kunnen worden gedwongen een -gesteld- abnormaal lage inschrijving ongeldig te verklaren en evenmin valt in te zien waarom EcoLoss zich zou mogen beroepen op de regeling van de abnormaal lage inschrijving. 4.16. De vorderingen van Strukton zullen eveneens worden afgewezen. Strukton vordert in deze procedure, waarin EcoLoss eiseres is, hoewel (deels) anders en uitgebreider, en afgezien van de vorderingen die betrekking hebben op de intrekking van het voornemen tot gunning, materieel in grote lijnen hetzelfde als in de procedure met kenmerk C/10/520509 KG ZA 17-125, waarin Strukton zelf eiseres is.

De voorzieningenrechter zal in deze laatstgenoemde procedure komen te oordelen over de vorderingen van Strukton. Strukton heeft er geen belang bij dat in twee verschillende, maar gelijktijdig behandelde, procedures op haar vorderingen wordt beslist. Een proceskostenveroordeling kan hier achterwege blijven, nu ook daarover in de andere procedure zal worden beslist. Alle partijen in deze procedure zijn in die procedure eveneens partij. 4.17. De vorderingen van de Combinatie zullen eveneens aan de orde komen in de andere kort gedingprocedure, en zullen mitsdien hier afgewezen worden.

De voorzieningenrechter herhaalt haar onder 4.16 gegeven oordeel. 4.18. EcoLoss zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de gemeente Rotterdam, van Strukton en van de Combinatie. De proceskostenveroordeling zal, zo nodig ambtshalve, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Wettelijke rente zal niet worden toegewezen over de nakosten, nu ten aanzien van de nakosten niet nu al bekend is wanneer deze kosten gemaakt zullen worden en dus ook niet wanneer het verzuim met betrekking tot betaling van deze kosten zal intreden.

De voorzieningenrechter stelt nog vast dat ten aanzien van de nakosten geen explootkosten gevorderd worden, zodat die niet voor vergoeding in aanmerking komen. De proceskosten worden begroot op: - zijdens de gemeente Rotterdam: € 1.434,-, zijnde 816,- aan salaris advocaat (standaard tarief kort geding volgens de Liquidatietarieven) en € 618,- aan griffierecht, nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na de datum van het onderhavige vonnis, zij het slechts tot aan de dag der algehele voldoening, en voorts vermeerderd met de gevorderde nakosten, - zijdens Strukton:

€ 1.434,-, zijnde 816,- aan salaris advocaat (standaard tarief kort geding volgens de Liquidatietarieven) en € 618,- aan griffierecht, nog te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf de 15e dag na de datum van het onderhavige vonnis, zij het slechts tot aan de dag der algehele voldoening van deze kosten, en met de gevorderde nakosten, - zijdens de Combinatie: € 1.434,-, zijnde 816,- aan salaris advocaat (standaard tarief kort geding volgens de Liquidatietarieven) en € 618,- aan griffierecht, nog te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van het onderhavige vonnis, zij het slechts tot aan de dag der algehele voldoening van deze kosten, en met de gevorderde nakosten.

5De beslissing

De voorzieningenrechter 5.1. wijst de vorderingen van EcoLoss af, 5.2. veroordeelt EcoLoss in de proceskosten van de gemeente Rotterdam, tot op heden begroot op € 1.434,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na de datum van het onderhavige vonnis tot aan de dag der algehele voldoening en voorts vermeerderd met nakosten ad € 131,- voor nasalaris zonder betekening, en, in geval betekening van het vonnis plaatsvindt, met € 68,-, 5.3. veroordeelt EcoLoss in de proceskosten van Strukton, tot op heden begroot op € 1.434,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na de datum van het onderhavige vonnis tot aan de dag der algehele voldoening en voorts vermeerderd met nakosten ad € 131,- voor nasalaris zonder betekening, en, in geval betekening van het vonnis plaatsvindt, met € 68,-, 5.4. veroordeelt EcoLoss in de proceskosten van de Combinatie, tot op heden begroot op € 1.434,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van het onderhavige vonnis tot aan de dag der algehele voldoening en voorts vermeerderd met nakosten ad € 131,- voor nasalaris zonder betekening, en, in geval betekening van het vonnis plaatsvindt, met € 68,-, 5.5. verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2017. 2517/2009