Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2017:1669 ECLI:NL:RBROT:2017:1669 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:1669 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2017:1669
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 17/598 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2017 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] eiseres, gemachtigde: mr. P.M. Iwema, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft op 23 januari 2017 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek haar een dwangsom toe te kennen in verband met de overschrijding van de beslistermijn op haar bijstandsaanvraag van 8 augustus 2016.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBROT:2017:1669 · Rechtbank Rotterdam: Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep mede betrekking op het dwangsombesluit, tenzij met dat besluit geheel aan het beroep is tegemoetgekomen. Omdat verweerder de maximale dwangsom heeft toegekend doet zich een dergelijke situatie voor. De omstandigheid dat eiseres zich niet kan vinden in de verrekening en in de afwijzing van haar bijstandsaanvraag maakt dit niet anders, omdat dit andere besluiten behelzen dan waarop het beroep wegens het niet tijdig beslissen is gericht.

Keywords

AI generated
suspension of benefit entitlement unemployment benefits overpayment waiver of wage claims reduction of salary dismissal of civil servant termination of pension

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 17/598 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2017 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] eiseres, gemachtigde: mr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 17/598 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2017 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] eiseres, gemachtigde: mr. P.M. Iwema, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft op 23 januari 2017 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek haar een dwangsom toe te kennen in verband met de overschrijding van de beslistermijn op haar bijstandsaanvraag van 8 augustus 2016.

Bij drie onderscheiden besluiten van 9 februari 2017 heeft verweerder de bijstandsaanvraag afgewezen (afwijzingsbesluit), een bedrag van € 1.670,92 aan voorschotten teruggevorderd (terugvorderingsbesluit) en aan eiseres een dwangsom toegekend van € 1.260,00, die verweerder heeft verrekend met de openstaande vorderingen (dwangsombesluit). Overwegingen 1. Nu verweerder aan eiseres een dwangsom heeft toegekend, stelt de rechtbank vast dat verweerder geheel aan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit is tegemoetgekomen. Om deze reden is het belang van eiseres bij een beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit komen te ontvallen.

In zoverre dient het beroep wegens het ontbreken van procesbelang kennelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep mede betrekking op het dwangsombesluit, tenzij met dat besluit geheel aan het beroep is tegemoetgekomen. Omdat verweerder de maximale dwangsom heeft toegekend doet zich een dergelijke situatie voor. De omstandigheid dat eiseres zich niet kan vinden in de verrekening en in de afwijzing van haar bijstandsaanvraag maakt dit niet anders, omdat dit andere besluiten behelzen dan waarop het beroep wegens het niet tijdig beslissen is gericht.

3. Op grond van artikel 4:125, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van eiseres tegen het dwangsombesluit mede betrekking op de daarin vervatte bijkomende beschikking tot verrekening van de dwangsom met de aan eiseres uitbetaalde voorschotten.

4. Nu eiseres het niet eens is met de afwijzing van haar bijstandsaanvraag en zij daartegen mogelijkerwijs bezwaar zal maken, ziet de rechtbank aanleiding toepassing te geven aan artikel 4:125, derde lid, van de Awb door de beslissing op het beroep met betrekking tot het dwangsombesluit door te verwijzen naar verweerder ter behandeling als bezwaar.

5. Verweerder heeft pas een dwangsom toegekend, nadat eiseres beroep had ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank ziet hierin aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 123,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 495,00 en wegingsfactor 0,25). De rechtbank is van oordeel dat het ingestelde beroep van zeer licht gewicht is, nu dit geding slechts ziet op het niet tijdig beslissen van verweerder op het verzoek om toekenning van een dwangsom.

6. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Beslissing De rechtbank:  verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit niet-ontvankelijk,  verwijst het beroep tegen het dwangsombesluit naar verweerder ter behandeling als bezwaar,  bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 46,00 vergoedt,  veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 123,75. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.P. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2017. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.