Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2017:1492 ECLI:NL:RBROT:2017:1492 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2017:1492 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2017:1492
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 16/6488 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2017 in de zaak tussen [Naam], te Rotterdam, eiser, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit tot terugvordering van verweerder met betrekking tot aan eiser verstrekte bijstand. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.M.

Legislator headnote

AI generated

artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:2 van de Awb; ECLI:NL:RBROT:2017:1492 · Rechtbank Rotterdam: Dat in artikel 60a, tweede lid, van de WWB de woorden “degene van wie de kosten van bijstand worden teruggevorderd” voorkomen doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Het eerst uitbetalen en vervolgens alsnog terugvorderen op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, onder 1°, van de WWB zou immers teveel afbreuk doen aan de door de wetgever beoogde verrekeningsbevoegdheid. 3.4. Eiser had bezwaar kunnen maken tegen de brief van het Uwv waarbij eiser op de hoogte is gesteld van de verrekening (vergelijk CRvB 10 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ5999).

Keywords

AI generated
maintenance arrears public levies dispute unemployment benefits overpayment unpaid cost advance repayment of public subsidies overpaid insurance benefits

Cited Legislation

AI generated
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht
Bij besluit van 24 augustus 2016 heeft verweerder het blijkbaar tegen de brief van 18 juli 2016 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat die brief volgens verweerder een informatieve strekking heeft en geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behelst.
artikel 6:2 van de Awb
In artikel 6:2 van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit worden gelijkgesteld: (a.) de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en (b.) het niet tijdig nemen van een besluit.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2009:BI6829
07/4364 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 6 juni 2007, 06/2830 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Stede Broec (hierna: College). Datum uitspraak: 19 mei 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.F.M. Deijkers, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2009.
ECLI:NL:CRVB:2007:AZ5999
04/5338 ZW, 04/5339 ZW, 04/5340 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 24 augustus 2004, 04/349, 04/202 en 04/350 (hierna respectievelijk: aangevallen uitspraak 1, 2 en 3), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 10 januari 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld tegen de drie aangevallen uitspraken.
ECLI:NL:RVS:2014:1199
201211041/1/A3. Datum uitspraak: 9 april 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], wonend te Den Haag, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 17 oktober 2012 in zaak nr. 12/2893 in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B] en de minister van Buitenlandse Zaken (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie). Procesverloop Bij uitspraak van 17 oktober 2012 heeft de rechtbank een door [appellant A] en [appellant B] ingesteld beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:CRVB:2013:1861
13/127 WWB, 13/441 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 december 2012, 11/1547 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) Het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college) PROCESVERLOOP Namens betrokkene heeft[H.] hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft eveneens hoger beroep ingesteld. Betrokkene en het college hebben verweerschriften ingediend. Appellant heeft een nader besluit van 16 augustus 2011 aan de Raad gezonden.
ECLI:NL:CRVB:2004:AO2505
02/1524 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Korpsbeheerder van de politieregio Brabant Zuid-Oost, gedaagde.
ECLI:NL:CBB:2016:276
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 14/109 24300 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 augustus 2016 in de zaak tussen Neral Beheer B.V., te Rotterdam, Neral, (gemachtigde: mr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 16/6488 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2017 in de zaak tussen [Naam], te Rotterdam, eiser, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit tot terugvordering van verweerder met betrekking tot aan eiser verstrekte bijstand. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.M.

Codrington. Overwegingen 1. Uit de stukken komt naar voren dat eiser met terugwerkende kracht vanaf 21 juni 2006 een uitkering en toeslag uit hoofde van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) is toegekend. Eiser heeft voorts over de periode van 1 februari 2012 tot 1 januari 2014 algemene bijstand van verweerder ontvangen. Verweerder heeft de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) 17 december 2013 een specificatie toegezonden van de aan eiser verstrekte bijstandsuitkering ter verrekening.

In dit verband is Uwv verzocht 31.613,82 aan verweerder over te maken. Bij de door eiser in deze procedure overgelegde brief van 7 januari 2014 heeft Uwv eiser bericht dat de bijstandsuitkering hoger was dan de Wajong-uitkering en toeslag en dat het Uwv daarom de volledige Wajong-uitkering en toeslag uitbetaalt aan verweerder. Bij brief van diezelfde datum heeft het Uwv verweerder bericht dat € 28.631,82 aan verweerder is overgemaakt.

2. Eisers toenmalige gemachtigde heeft verweerder bij brief van 22 april 2016 verzocht om alsnog ten aanzien van eiser een terugvorderingsbesluit te nemen met betrekking tot de verrekening die met het Uwv heeft plaatsgevonden. Daarbij is verzocht toe te lichten waarom tot bruto terugvordering is besloten in plaats van tot een netto bedrag, omdat geen sprake is van inlichtingenverzuim door eiser. Bij brief van 18 juli 2016 heeft verweerder eisers toenmalige gemachtigde bericht dat de verrekening heeft plaatsgevonden in 2013, dat het besluit tot verrekening inmiddels onherroepelijk is geworden, dat bij een verrekening als de onderhavige geen terugvorderingsbesluit wordt genomen en dat verrekening dient plaatst te vinden aan de hand van de bruto uitkering.

Bij besluit van 24 augustus 2016 heeft verweerder het blijkbaar tegen de brief van 18 juli 2016 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat die brief volgens verweerder een informatieve strekking heeft en geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behelst. Tussentijds heeft eiser een op 28 juli 2016 gedagtekend formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen in verband met een op 22 april 2016 ingediende aanvraag bij verweerder ingediend. Vervolgens heeft eiser op 3 oktober 2016 beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen. 3.1.

Voorafgaand aan de bespreking van de vraag welke rechtsmiddelen voorliggen en tot welke uitkomst die moeten leiden komt de rechtbank tot de volgende overwegingen. 3.2. Op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, onder 1°, van de Wet werk en bijstand (WWB), zoals die destijds luidde, kan verweerder kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken. In artikel 60a, tweede lid, van de WWB was destijds – voor zover hier van belang – bepaald dat indien degene van wie de kosten van bijstand worden teruggevorderd een uitkering ontvangt op grond van de Wajong het Uwv, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van belanghebbende, het bedrag van de terugvordering uit de uitkering of de inkomensondersteuning betaalt op verzoek aan het college dat de kosten van bijstand terugvordert. 3.3.

Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 19 mei 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI6829) kan artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, onder 1°, van de WWB geen grondslag vormen voor terugvordering indien het Uwv uitkering en toeslag – bij wijze van verrekening – aan verweerder betaalt in plaats aan de betrokkene, omdat de betrokkene met betrekking tot die periode ook na de toekenning van de Wajong-uitkering met toeslag feitelijk niet de beschikking heeft gekregen over middelen met betrekking tot de periode. De rechtbank is van oordeel dat dit onverlet laat dat verweerder bevoegd is om bij cumulatie van uitkeringen toepassing te geven aan de verrekeningsbevoegdheid van artikel 60a, tweede lid, van de WWB, omdat een andere uitleg in strijd zou komen met het in artikel 19, tweede lid, van de WWB neergelegde uitgangspunt dat middelen in mindering moeten worden gebracht op de bijstandsuitkering, terwijl de wetgever met artikel 60a van de WWB bij samenloop van uitkeringen – die tot de middelen worden gerekend – een eenvoudige verrekeningsmogelijkheid heeft willen creëren.

Dat in artikel 60a, tweede lid, van de WWB de woorden “degene van wie de kosten van bijstand worden teruggevorderd” voorkomen doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Het eerst uitbetalen en vervolgens alsnog terugvorderen op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, onder 1°, van de WWB zou immers teveel afbreuk doen aan de door de wetgever beoogde verrekeningsbevoegdheid. 3.4. Eiser had bezwaar kunnen maken tegen de brief van het Uwv waarbij eiser op de hoogte is gesteld van de verrekening (vergelijk CRvB 10 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ5999).

Eiser heeft nagelaten dit te doen. 4.1. Met betrekking tot de thans ingestelde rechtsmiddelen komt de rechtbank tot de volgende beoordeling. 4.2. In artikel 1:3, derde lid, van de Awb is bepaald dat onder aanvraag wordt verstaan een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. In artikel 6:2 van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit worden gelijkgesteld: (a.) de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en (b.) het niet tijdig nemen van een besluit. Gelet op de artikelen 8:1 en 7:1, eerste lid, van de Awb staat tegen een schriftelijke weigering te beslissen bezwaar open en kan bij niet tijdig beslissen uitsluitend beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter.

In artikel 6:12, eerste en vierde lid, van de Awb is bepaald dat indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, het niet aan een termijn is gebonden en dat het beroep niet-ontvankelijk is indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. 4.3. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 22 april 2016 geen aanvraag behelst in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, omdat een terugvorderingsbesluit als door eiser verzocht niet op aanvraag, maar ambtshalve wordt genomen.

Gelet op wat hiervoor is overwogen is verweerder niet in verzuim ambtshalve een terugvorderingsbesluit te nemen. Daarom is geen sprake van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. Gelet op artikel 8:1, gelezen in verbinding met artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is het dan ook niet mogelijk beroep bij de rechtbank in te stellen, zodat de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep wegens niet tijdig beslissen (vergelijk ABRvS 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1199 en CRvB 24 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1861). 4.4.

Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat wanneer wel sprake zou zijn geweest van een aanvraag of van een verzuim van verweerder om ambtshalve te beslissen, het beroep wegens niet tijdig beslissen in dat geval niet-ontvankelijk zou zijn verklaard. Indien een reële beslissing voorligt is het namelijk niet mogelijk een beroep wegens niet tijdig beslissen in te stellen. Die situatie doet zich hier voor, omdat een beslissing op bezwaar van 24 augustus 2016 voorligt die betrekking heeft op hetzelfde geschil (vergelijk CRvB 22 januari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO2505 en CBb 22 augustus 2016, ECLI:NL:CBB:2016:276).

Daar komt bij dat artikel 6:12, vierde lid, van de Awb in de weg staat aan een ontvankelijk beroep wegens niet tijdig beslissen, omdat eiser meer dan twee jaar heeft gewacht met de brief van 22 april 2016, de daarop volgende ingebrekestelling en het instellen van beroep (vergelijk ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1509 en CRvB 28 juli 2015, ECLI:NL:CRvB:2015:2642). 4.5. Omdat inzet van het geschil tussen partijen is of verweerder gehouden is een terugvorderingsbesluit te nemen en het besluit op bezwaar van 24 augustus 2016 betrekking heeft op de vraag of dienaangaande een schriftelijke weigering van verweerder voorlag een terugvorderingsbesluit te nemen en eiser het beroep binnen zes weken nadien heeft ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding het beroep mede aan te merken als een reëel beroep tegen het besluit op bezwaar van 24 augustus 2016.

Omdat verweerder niet in verzuim is een terugvorderingsbesluit te nemen, is de brief van verweerder van 18 juli 2016 geen schriftelijke weigering een besluit te nemen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb, maar een louter informatieve brief, zodat daartegen geen bezwaar open stond (vergelijk HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3989 en CRvB 8 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3032). Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het besluit van 24 augustus 2016 is daarom ongegrond.

5. Het voorgaande betekent dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder niet in verzuim is een terugvorderingsbesluit te nemen en dat, wanneer dit wel het geval zou zijn geweest, eiser te lang heeft stilgezeten om verweerder te kunnen dwingen alsnog zo’n besluit te nemen. Omdat eiser een beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit heeft ingesteld, terwijl er ook een besluit op bezwaar inzake deze kwestie voorlag, heeft de rechtbank het beroep tevens opgevat als te zijn gericht tegen het besluit op bezwaar. Hieronder komt de rechtbank tot een beslissing in beide beroepen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank:  verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep wegens niet tijdig beslissen;  verklaart het reële beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, rechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.