Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2016:9967 ECLI:NL:RBROT:2016:9967 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2016:9967 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2016:9967
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummers: ROT 16/7956, ROT 16/7957, ROT 16/8015, ROT 16/8016 , ROT 16/8017, ROT 16/8018, ROT 16/8019, ROT 16/8020, ROT 16/8021, ROT 16/8022, ROT 16/8023, ROT 16/8024, ROT 16/8025, ROT 16/8026, ROT 16/4691 en ROT 16/5361 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2016 in de zaken tussen [Naam], wonende te Schiedam, eiser, en het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (het college), en de heffingsambtenaar van de gemeente Schiedam (de heffingsambtenaar). Procesverloop Eiser heeft op 24 juni 2016 twee dozen met een grote hoeveelheid stukken ingediend.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:15 van de Awb, Artikel 6:21 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:21 van de Awb; ECLI:NL:RBROT:2016:9967 · Rechtbank Rotterdam: Uit de stukken komt naar voren dat eiser voorts opnieuw een rechtsmiddel wenst in te stellen ter zake van de schade die is ontstaan wegens het op een te laat tijdstip aan hem toekennen van een bijstandsuitkering (door de rechtbank is dit gerubriceerd onder de set A43 in dossier ROT 16/5361). Tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 juni 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:4313) die mede betrekking heeft op de ingangsdatum van eisers bijstandsuitkering loopt thans een hogerberoepszaak bij de Centrale Raad van Beroep, om welke reden de griffier het eerder door eiser gedane verzoek om schadevergoeding op de voet van de artikelen 8:91 en 8:94, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:15 van de Awb heeft doorgezonden naar de Centrale Raad van Beroep.

Keywords

AI generated
statute of limitations bar risk of reoffending capacity of discernment consequences of withdrawal commitment to a psychiatric hospital plea of illegality

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:15 van de Awb
Artikel 6:21 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:21 van de Algemene wet bestuursrecht luidt: “1 Het bezwaar of beroep kan schriftelijk worden ingetrokken.
artikel 6:21 van de Awb
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een rechtsgeldige intrekking als bedoeld in artikel 6:21 van de Awb ter zitting van de vele beroepen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBROT:2016:4530
Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummers: ROT 15/5653, ROT 15/6705, ROT 16/2350 en ROT 16/2353 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2016 in de zaken tussen [Naam] , wonende te Schiedam, eiser, en het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, verweerder. Procesverloop Bij brief van 7 september 2015 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen een e-mailbericht van S. Peters van 17 april 2015. Bij brieven van 11 september 2015 heeft eiser tachtig genummerde beroepschriften ingediend wegens niet tijdig beslissen door “de Gemeente Schiedam”.
ECLI:NL:RBROT:2016:4313
Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummers: ROT 15/3232, ROT 15/3982 en ROT 15/3673 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2016 in de zaken tussen [naam] , te Schiedam, eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam, verweerder, gemachtigden: mr. A. Mersel en mr. F.H. van Heerwaarden. Procesverloop Zaaknummer ROT 15/3232 Bij besluit van 3 februari 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder eisers aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) voor reiskosten, telefoonkosten, bibliotheekkosten en BKR kosten afgewezen.
ECLI:NL:RBROT:2016:6938
Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 15/7601 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2016 in de zaak tussen [Naam], te Schiedam, eiser, en het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 20 april 2015 heeft verweerder eisers aanvraag om schuldhulpverlening op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening afgewezen. Na op 20 mei 2015 bezwaar te hebben gemaakt heeft eisers toenmalige gemachtigde mr. J. Berkouwer verweerder bij brief van 24 augustus 2015, op diezelfde dag ontvangen, in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.
ECLI:NL:RBROT:2016:4990
RECHTBANK ROTTERDAM Team Bestuursrecht 2 zaaknummer: ROT 16/2370 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2016 in de zaak tussen [Naam], te Schiedam, eiser, en de heffingsambtenaar van de gemeente Schiedam, verweerder, gemachtigde: E. Heyes. Procesverloop Voor de belastingjaren 2013 en 2014 zijn aan eiser aanslagen gemeentelijke belastingen met aanslagnummers 976181 en 1138875 opgelegd. Met dagtekening 10 december 2014 heeft eiser een verzoek om kwijtschelding van de aanslagen ingediend bij verweerder. Eiser heeft verweerder op 21 maart 2015 in gebreke gesteld.
ECLI:NL:GHDA:2016:3233
ECLI:NL:CRVB:2015:1014
Datum uitspraak: 18 maart 2015 14/6514 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 oktober 2014, 14/695 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft A.M.C. van Dalen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op 22 januari 2015 een nieuw besluit genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummers: ROT 16/7956, ROT 16/7957, ROT 16/8015, ROT 16/8016 , ROT 16/8017, ROT 16/8018, ROT 16/8019, ROT 16/8020, ROT 16/8021, ROT 16/8022, ROT 16/8023, ROT 16/8024, ROT 16/8025, ROT 16/8026, ROT 16/4691 en ROT 16/5361 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2016 in de zaken tussen [Naam], wonende te Schiedam, eiser, en het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (het college), en de heffingsambtenaar van de gemeente Schiedam (de heffingsambtenaar). Procesverloop Eiser heeft op 24 juni 2016 twee dozen met een grote hoeveelheid stukken ingediend.

In een aantal stukken is vermeld dat eiser beroep wenst in te stellen wegens niet tijdig beslissen door het college. Eiser heeft in augustus 2016 en oktober 2016 nog een grote hoeveelheid stukken ingediend waarin hij wederom aangeeft beroep in te stellen wegens niet tijdig beslissen door het college. De griffier heeft met betrekking tot deze stukken twee dossiers aangelegd met de zaaknummers ROT 16/4691 en ROT 16/5361. Eiser heeft op 31 oktober 2016 opnieuw stukken ingediend. De griffier heeft met betrekking tot deze stukken dossiers aangelegd met de zaaknummers ROT 16/7956, ROT 16/7957, ROT 16/8015, ROT 16/8016 , ROT 16/8017, ROT 16/8018, ROT 16/8019, ROT 16/8020, ROT 16/8021, ROT 16/8022, ROT 16/8023, ROT 16/8024, ROT 16/8025, ROT 16/8026 Het college heeft verweerschriften ingediend in de dossiers met de zaaknummers ROT 16/4691 en ROT 16/5361.

Het onderzoek ter zitting in de dossiers met de zaaknummers ROT 16/4691 en ROT 16/5361 heeft plaatsgevonden op 21 december 2016. Eiser is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. ir. F.H. van Heerwaarden en N. Fels, beiden werkzaam bij Stroomopwaarts MVS. Ter zitting heeft eiser alle lopende beroepszaken ingetrokken. Diezelfde dag heeft eiser de rechtbank bericht dat hij ontoerekeningsvatbaar was toen hij de beroepen introk. Voorts heeft eiser diezelfde dag opnieuw een grote hoeveelheid stukken ingediend. Overwegingen 1.

De rechtbank stelt vast dat eiser met zijn bericht dat hij ontoerekeningsvatbaar was toen hij de beroepen introk, dit onder herhaalde indiening van stukken, beoogt terug te komen van de intrekking van de beroepen. Omdat eiser – zoals hierna zal blijken – herhaaldelijk beroepen instelt in zaken die reeds zijn afgedaan, ziet de rechtbank aanleiding eerst in grote lijnen vast te stellen welke zaken hier voorafgaande aan de intrekking voorlagen in deze dossiers. Hoewel het ondoenlijk is alle stukken die eiser heeft ingeleverd te lezen, blijkt uit een blik op de vele stukken dat eiser wederom beroep heeft willen instellen in de zaken die zijn afgedaan met de uitspraak van de rechtbank van 16 juni 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:4530).

Eiser heeft dit ter zitting ook bevestigd. Tegen die uitspraak zijn een of meer hoger beroepen aanhangig.

2. Uit de stukken komt naar voren dat eiser voorts opnieuw een rechtsmiddel wenst in te stellen ter zake van de schade die is ontstaan wegens het op een te laat tijdstip aan hem toekennen van een bijstandsuitkering (door de rechtbank is dit gerubriceerd onder de set A43 in dossier ROT 16/5361). Tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 juni 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:4313) die mede betrekking heeft op de ingangsdatum van eisers bijstandsuitkering loopt thans een hogerberoepszaak bij de Centrale Raad van Beroep, om welke reden de griffier het eerder door eiser gedane verzoek om schadevergoeding op de voet van de artikelen 8:91 en 8:94, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:15 van de Awb heeft doorgezonden naar de Centrale Raad van Beroep.

3. Eiser heeft opnieuw stukken ingediend inzake (het niet tijdig beslissen op) zijn verzoek om deelname aan schuldhulpverlening. Gelet op de datum van die stukken, waaronder een beroepschrift van 25 juli 2015, moet dit eveneens een herhaald beroep zijn. De rechtbank voegt hier aan toe dat zij op 8 september 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:6938) uitspraak heeft gedaan inzake een beroep tegen de beslissing eiser geen dwangsom toe te kennen, omdat eiser het college prematuur in gebrek heeft gesteld inzake het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar over de afgewezen aanvraag om schuldhulpverlening.

4. Ook heeft eiser wederom stukken overgelegd die zien op en afkomstig zijn van ROGplus Nieuwe Waterweg Noord. Voorts bevinden zich tussen de stukken brieven en besluiten van het college. Uit de stukken valt niet op te maken dat eiser daar beroep tegen heeft ingesteld. Uit eisers brieven komt immers slechts in algemene zin naar voren dat hij beroep wenst in te stellen wegen het niet tijdig beslissen door het college in een grote hoeveelheid zaken. Gelet hierop houdt de rechtbank het ervoor dat tegen die brieven en besluiten geen rechtsmiddelen voorliggen.

5. Verder komt uit de stukken naar voren dat eiser beroep wegens niet tijdig beslissen wenst in te stellen wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoeken om gemeentelijke belastingen over de jaren 2013, 2014 en 2015 kwijt te schelden (verzoeken om kwijtschelding zijn onder meer genoemd in de set A35 in dossier ROT 16/4691). In die zaken is de heffingsambtenaar het bevoegde bestuursorgaan. Om die reden heeft de rechtbank ook de heffingsambtenaar als partij vermeld in het hoofd van deze uitspraak. Daargelaten dat de heffingsambtenaar eiser reeds kwijtschelding heeft verleend over de jaren 2013 en 2014, stelt de rechtbank vast zij zich met betrekking tot de beroepen wegens niet tijdig beslissen over deze (herhaalde) kwijtscheldingsverzoeken over de jaren 2013 en 2014 bij uitspraak van 1 juli 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:4990) onbevoegd heeft verklaard, welke uitspraak is bevestigd bij uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 oktober 2016, ECLI:NL:GHDA:2016:3233).

Gelet hierop en op wat de rechtbank verderop overweegt ten aanzien van de intrekking van deze beroepen, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen teneinde de heffingsambtenaar uit te nodigen voor een nadere zitting. 6.1. Ten aanzien van de intrekking van de beroepen en de omvang van de intrekking oordeelt de rechtbank ten slotte als volgt. 6.2. Artikel 6:21 van de Algemene wet bestuursrecht luidt: “1 Het bezwaar of beroep kan schriftelijk worden ingetrokken. 2 Tijdens het horen kan de intrekking ook mondeling geschieden.” 6.3.

Op de zitting waar de beroepen in de dossiers met zaaknummers ROT 16/4691 en ROT 16/5361 voorlagen is eiser voorgehouden dat naast deze twee zaken nieuwe beroepen van eiser zijn binnengekomen over verondersteld niet tijdig beslissen door het college. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat in die nieuwe zaken doublures zitten en dat hij het griffierecht in deze zaken niet kan betalen. Tijdens de zitting heeft eiser te kennen gegeven het niet meer te zien zitten en de beroepen in te willen trekken. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting voor korte duur geschorst teneinde eiser bedenktijd te geven.

Na hervatting van het onderzoek ter zitting heeft eiser zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat hij toch een uitspraak wenst, maar aan het einde van de zitting heeft eiser wederom meermaals gesteld de beroepen in te willen trekken. Hoewel de rechtbank eiser er op heeft gewezen dat hij beroepen schriftelijk kon intrekken na de zitting en heeft gevraagd of hij nog bedenktijd wilde, heeft eiser ter zitting volhard in zijn wens de beroepen in te trekken en heeft hij de griffier verzocht om pen en papier, zodat hij de beroepen kan intrekken. Op de vraag van de griffier aan eiser ter zitting of de intrekking voor alle zaken gold, waarbij werd gewezen op de andere dossiers dan die met de zaaknummers ROT 16/4691 en ROT 16/5361, gaf eiser aan dit het geval was.

Op zijn herhaald verzoek om pen en papier heeft de griffier eiser pen en papier overhandigd. Eiser heeft op het verstrekte vel de volgende tekst geschreven: “Ik zeg per direct mijn uitkering op en trek de beroepen in”. Daaronder heeft eiser zijn handtekening gezet en de datum 21 december 2016 vermeld. Nadat partijen een kopie hiervan hebben ontvangen heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Diezelfde middag heeft eiser de griffie gebeld en heeft hij een verklaring en nadere stukken ingediend bij het informatiecentrum van de rechtbank. 6.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld CRvB 18 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1014) kan een eenmaal ingetrokken hoger beroep niet meer ongedaan worden gemaakt, tenzij er sprake zou zijn van een wilsgebrek. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat sprake is van een wilsgebrek. In dat kader acht de rechtbank van belang dat eiser ter zitting meermaals en met tussenpozen met de keuzemogelijkheid is geconfronteerd om zijn mondelinge verklaring tot intrekking van de beroepen al dan niet te handhaven. Evenmin is gebleken dat eiser op het betreffende moment niet heeft begrepen wat de gevolgen van zijn verzoek tot intrekking van de beroepen waren dan wel dat hij die gevolgen niet heeft kunnen overzien.

Dat eiser aan het einde van de zitting een verklaring opstelde en aangaf alle beroepszaken in te trekken en geen gebruik heeft gemaakt van de door de rechtbank aan hem voorgehouden mogelijkheid zich te bezinnen en eerst na de zitting over de intrekking te beslissen, komt voor zijn rekening en risico. 6.5. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een rechtsgeldige intrekking als bedoeld in artikel 6:21 van de Awb ter zitting van de vele beroepen. Dat de in algemene zin opgemaakte schriftelijke intrekking niet alleen zag op de dossiers met de zaaknummers ROT 16/4691 en ROT 16/5361 blijkt uit eisers bevestiging ter zitting dat die intrekking zag op alle lopende beroepszaken.

Daarbij merkt de rechtbank op dat de beroepen in de dossiers met zaaksnummers ROT 16/7956, ROT 16/7957, ROT 16/8015, ROT 16/8016 , ROT 16/8017, ROT 16/8018, ROT 16/8019, ROT 16/8020, ROT 16/8021, ROT 16/8022, ROT 16/8023, ROT 16/8024, ROT 16/8025, ROT 16/8026, ROT 16/4691 en ROT 16/5361, zien op dezelfde onderwerpen als de beroepen in de dossiers met de zaaknummers ROT 16/4691 en ROT 16/5361.

7. De beroepen zijn rechtsgeldig ingetrokken. Deze intrekking kan niet meer ongedaan worden gemaakt. Gelet op hetgeen door de Hoge Raad onder 3.3 is overwogen in zijn arrest van 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2013:BT2297, betekent dit dat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (voor zover de onderliggende kwestie ziet op uitkeringen), de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (voor zover de onderliggende kwestie ziet op openbaarmaking van stukken, gesprekaanvragen, klachten en civiele kwijtscheldingsverzoeken) en het gerechtshof Den Haag (voor zover de onderliggende kwestie ziet op heffingen).