Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2016:8585 ECLI:NL:RBROT:2016:8585 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2016:8585 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2016:8585
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 16/1946 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2016 in de zaak tussen [Naam], te Rotterdam, eiser, gemachtigde: mr. J.J. van Vliet, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder, gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij. Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 22 oktober 2015 (het primaire besluit), dat strekt tot de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBROT:2016:8585 · Rechtbank Rotterdam: In beroep is niet in geschil dat het inkomen van de vrouw hoger ligt dan de uitkeringsnorm voor gehuwden. De vraag die partijen verdeeld houdt is of verweerder terecht tot de conclusie is gekomen dat eiser en de vrouw niet duurzaam gescheiden leven.

Keywords

AI generated
living separate and apart splitting of pensions for spouses surviving spouse spousal joint tax liability spouse marital standard of living

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2010:BO6538
08/5782 WWB 08/5793 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante] en [appellant], beiden wonende te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 augustus 2008, 07/3776 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellanten en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 30 november 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. P. Hanenberg, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2016:2980
14/6919 WWB Datum uitspraak: 9 augustus 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 november 2014, 14/2233 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het dagelijks bestuur van Optimisd Intergemeentelijke Sociale Dienst (dagelijks bestuur) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. Metin, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2016.
ECLI:NL:CRVB:2012:BW8122
10/6807 AOW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 oktober 2010, 09/629 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 25 mei 2012 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2012. Namens appellant is daarbij verschenen [naam echtgenote]. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.
ECLI:NL:CRVB:2011:BR0750
09/1164 AOW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 13 januari 2009, 08/743 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) Datum uitspraak: 28 juni 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De SVB heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2011.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 16/1946 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2016 in de zaak tussen [Naam], te Rotterdam, eiser, gemachtigde: mr. J.J. van Vliet, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder, gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij. Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 22 oktober 2015 (het primaire besluit), dat strekt tot de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2016. Eiser is verschenen met zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Verweerder heeft de aanvraag van 17 september 2015 van eiser om een IOAW-uitkering afgewezen, omdat eiser niet duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote [Naam] (de vrouw), zodat haar inkomen, dat hoger is dan de norm voor gehuwden, meetelt bij het gezinsinkomen van eiser. Volgens verweerder is geen sprake van gescheiden leven, omdat eiser heeft aangegeven niet te willen scheiden, eiser en de vrouw vier gezamenlijke bankrekeningen hebben en eiser en de vrouw in het bezit zijn van een koopwoning (waarin eiser woont).

2. Eiser betoogt dat wel sprake is van duurzaam gescheiden leven. In dit verband heeft eiser aangevoerd dat hij en de vrouw weliswaar gehuwd zijn, maar dat zij al sinds 2007 gescheiden van elkaar leven. De vrouw woont op het adres [Adres 2] te Rotterdam, terwijl eiser aan de [Adres 1] te Rotterdam woont. Verder zijn de huishoudens strikt gescheiden, doen eiser en de vrouw geen boodschappen voor elkaar, koken zij niet voor elkaar en verlenen zij elkaar evenmin op andere wijze zorg. Alhoewel sprake is van meerdere gezamenlijke bankrekeningen, worden die slechts door eiser gebruikt. In dit verband benadrukt eiser dat de vrouw van die bankrekeningen geen passen heeft en dat zij een eigen bankrekeningnummer heeft. Verder worden de hypotheeklasten van de woning aan de [Adres 1], die op naam van beide echtelieden staat, uitsluitend door eiser gedragen. Volgens eiser is sprake van een situatie dat hij en de vrouw ieder de kosten van hun eigen huishouden dragen.

3. In artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de IOAW is bepaald dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen als echtgenoot wordt aangemerkt degene die niet duurzaam gescheiden leeft van de werkloze werknemer met wie hij gehuwd is. In artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOAW is bepaald dat de werkloze werknemer en de echtgenoot recht op uitkering hebben, indien het inkomen per maand minder bedraagt dan de overeenkomstig het derde tot en met zesde lid vastgestelde grondslag.

4. In beroep is niet in geschil dat het inkomen van de vrouw hoger ligt dan de uitkeringsnorm voor gehuwden. De vraag die partijen verdeeld houdt is of verweerder terecht tot de conclusie is gekomen dat eiser en de vrouw niet duurzaam gescheiden leven.

5. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 30 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6538, en 9 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2980) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden van het geval.

6. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat eiser en de vrouw niet duurzaam gescheiden leven. Hoewel het gezamenlijk bezit van een woning en meerdere bankrekeningen duidt op een financiële verstrengeling die kan bijdragen aan het oordeel dat betrokkenen ten tijde in geding niet ieder afzonderlijk hun eigen leven leidden als waren zij niet met de ander gehuwd (vergelijk de uitspraak van de Raad van 25 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8122), is in het onderhavige geval sprake van bijkomende omstandigheden die tot een ander oordeel leiden.

De rechtbank neemt in dit verband in aanmerking dat eiser onweersproken heeft gesteld dat hij en de vrouw sinds 2007 ieder op een eigen adres wonen, dat alleen hij de gezamenlijke bankrekeningen gebruikt, alleen hij zorgdraagt voor de (hypothecaire) maandlasten die aan de echtelijke woning, waarin hij woont, zijn verbonden en dat hij en de vrouw op geen enkele wijze voor elkaar zorg dragen. De door verweerder aangevoerde omstandigheid dat eiser en de vrouw juridisch gezien wel ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden die de ander maakt, doet daar onvoldoende aan af.

Dit is immers veeleer een kenmerkende omstandigheid bij een situatie van duurzaam gescheiden leven, omdat men nog steeds is gehuwd. Ook de omstandigheden dat – zoals eiser ter zitting heeft verklaard – eiser en de vrouw gehuwd blijven met het oog op erfrechtelijke motieven, zonder daarbij nog een echtelijke samenleving te beogen, en zij elkaar gemiddeld eenmaal in de maand zien in verband met hun dochter, vormen onvoldoende redenen om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank wijst in dit verband ook op de uitspraak van de Raad van 28 juni 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR0750).

7. Gelet hierop is het beroep gegrond en kan het bestreden besluit geen stand houden. De rechtbank ziet thans geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal een nieuwe beslissing op het bezwaar dienen te nemen. Uitgangspunt bij die te nemen beslissing zal, gelet op het voorgaande, dienen te zijn dat ten eiser ten tijde van de aanvraag duurzaam gescheiden leefde van de vrouw.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op een nieuwe beslissing op eisers bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2016. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.