Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2016:7423 ECLI:NL:RBROT:2016:7423 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2016:7423 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2016:7423
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 16/1094 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2016 als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van [Naam], wonende te [plaats] opposant, tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 mei 2016 in het geding tussen opposant en de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, verweerder, over het niet tijdig nemen van een besluit. Procesverloop Opposant heeft bij brief van 16 november 2015 verweerder verzocht om aan hem het dossier met betrekking tot zijn (biologische) dochter [Naam] aan hem ter inzage beschikbaar te stellen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:54 van de Awb, artikel 1:3 van de Awb; ECLI:NL:RBROT:2016:7423 · Rechtbank Rotterdam: Op grond van artikel 7.3.11, eerste lid, van de Jeugdwet draagt de jeugdhulpverlener zorg dat aan anderen dan de betrokkene geen inlichtingen over betrokkene dan wel inzage in of afschrift van het dossier worden verstrekt dan met toestemming van de betrokkene. Artikel 7.3.17 van de Jeugdwet bepaalt dat een beslissing van een jeugdhulpverlener genomen op grond van deze paragraaf, een beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 of 38, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, ook voor zover de jeugdhulpverlener de beslissing heeft genomen als of namens een bestuursorgaan, voor de toepassing van hoofdstuk 8 van die wet, geldt als een beslissing genomen door een ander dan een bestuursorgaan.

Keywords

AI generated
inadequate administrative records effective access to justice new application personal file application to an administrative authority initial application for access

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank heeft zich op 9 mei 2016 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen..
artikel 8:54 van de Awb
In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 23 maart 2016 het beroep van opposant terecht met toepassing van artikel 8:54 van de Awb vereenvoudigd heeft behandeld, omdat zij tot het oordeel kwam dat zij kennelijk onbevoegd was van het beroep kennis te nemen.
artikel 1:3 van de Awb
Dit oordeel was gebaseerd op de overweging dat het verzoek van opposant van 16 november 2015 niet kan worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, zodat hiertegen geen beroep op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb openstaat.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBROT:2015:6049
Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 15/1839 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2015 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [Naam] , te [plaats] , eiseres, gemachtigde: mr. drs. M. Erkens, en Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig door verweerder nemen van een beslissing als bedoeld in artikel 1:263a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en tegen het niet tijdig nemen van een beslissing als bedoeld in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Overwegingen 1. De rechtbank als bestuursrechter ziet aanleiding uitspraak te doen zonder voortzetting van het onderzoek. Zij overweegt daartoe het volgende.
ECLI:NL:RVS:2008:7603
Een dossierinzageverzoek bij een bestuursorgaan valt onder de werking van de Awb, aldus opposant onder verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2008:7603.
ECLI:NL:RVS:2016:1140
201503891/1/A3. Datum uitspraak: 26 april 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 april 2015 in zaak nr. 14/10132 in het geding tussen: [appellant] en de stichting Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland (thans: Stichting Jeugdbescherming west, hierna: Bureau Jeugdzorg). Procesverloop Bij besluit van 28 mei 2014 heeft Bureau Jeugdzorg een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) om openbaarmaking van documenten afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 16/1094 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2016 als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van [Naam], wonende te [plaats] opposant, tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 mei 2016 in het geding tussen opposant en de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, verweerder, over het niet tijdig nemen van een besluit. Procesverloop Opposant heeft bij brief van 16 november 2015 verweerder verzocht om aan hem het dossier met betrekking tot zijn (biologische) dochter [Naam] aan hem ter inzage beschikbaar te stellen.

Daarbij heeft hij tevens verzocht om informatie over de huidige gezags-/ voogdijsituatie. Bij brief van 24 december 2015 heeft opposant verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek van 16 augustus 2015. Opposant heeft bij brief van 13 februari 2016 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek van 16 augustus 2015. Verweerder heeft bij brief van 2 maart 2016 aan opposant medegedeeld dat hij geen recht heeft op dossierinzage. Op 21 maart 2016 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft zich op 9 mei 2016 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen.. Opposant heeft tegen deze uitspraak bij brief van 14 mei 2016 verzet gedaan. Het verzet is behandeld ter zitting van 19 augustus 2016. Opposant was aanwezig. Overwegingen 1. In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 23 maart 2016 het beroep van opposant terecht met toepassing van artikel 8:54 van de Awb vereenvoudigd heeft behandeld, omdat zij tot het oordeel kwam dat zij kennelijk onbevoegd was van het beroep kennis te nemen.

Dit oordeel was gebaseerd op de overweging dat het verzoek van opposant van 16 november 2015 niet kan worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, zodat hiertegen geen beroep op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb openstaat.

2. Opposant heeft in verzet aangevoerd dat de rechtbank zijn verzoek ten onrechte heeft opgevat als zijnde een beslissing tot ondertoezichtstelling met verwijzing naar ECLI:NL:RBROT:2015:6049. Volgens opposant betreft het verzoek een dossierinzage, dat zijn grondslag niet in het Burgerlijk Wetboek vindt, maar elders. Een dossierinzageverzoek bij een bestuursorgaan valt onder de werking van de Awb, aldus opposant onder verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2008:7603. Verweerder dient als bestuursorgaan te worden aangemerkt. Ten slotte verwijst opposant naar het privacyreglement van Jeugdzorg Nederland en acht dit reglement van toepassing in de onderhavige situatie.

3. Opposant heeft zijn verzoek om dossierinzage uitdrukkelijk niet gebaseerd op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De Wob is ook niet van toepassing omdat de Jeugdwet (wet van 1 maart 2014 inzake regels over de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen) een eigen regime van verstrekken van gegevens kent dat derogeert aan de Wob, zie hiervoor onder meer ECLI:NL:RVS:2016:1140 over de toepassing van de Wet op de jeugdzorg, welke wet door de Jeugdwet is vervangen.

Op grond van artikel 7.3.11, eerste lid, van de Jeugdwet draagt de jeugdhulpverlener zorg dat aan anderen dan de betrokkene geen inlichtingen over betrokkene dan wel inzage in of afschrift van het dossier worden verstrekt dan met toestemming van de betrokkene. Artikel 7.3.17 van de Jeugdwet bepaalt dat een beslissing van een jeugdhulpverlener genomen op grond van deze paragraaf, een beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 of 38, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, ook voor zover de jeugdhulpverlener de beslissing heeft genomen als of namens een bestuursorgaan, voor de toepassing van hoofdstuk 8 van die wet, geldt als een beslissing genomen door een ander dan een bestuursorgaan.

Artikel 46 van de Wet bescherming persoonsgegevens maakt onderdeel van Hoofdstuk 8 van deze wet en draagt de titel rechtsbescherming. Deze bepaling luidt – voor zover thans van belang – als volgt. “Artikel 46 1. Indien een beslissing als bedoeld in artikel 45 is genomen door een ander dan een bestuursorgaan, kan de belanghebbende zich tot de rechtbank wenden met het schriftelijk verzoek, de verantwoordelijke te bevelen alsnog een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 of 38, tweede lid, toe of af te wijzen dan wel een verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 al dan niet te honoreren. (…).” 7.

De rechtbank komt op basis van het samenstel van de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen tot het oordeel dat met inwerkingtreding van de Jeugdwet ten opzichte van de daarvoor geldende Wet op de jeugdzorg een ander wettelijk regime is ontstaan. Dit wettelijk regime leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat verweerder ten aanzien van het verzoek van opposant van 16 november 2015 en het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een beslissing op dat verzoek niet als bestuursorgaan kan worden aangemerkt. De bestuursrechter is daarom niet bevoegd kennis te nemen van het beroep.

Opposant dient zich door middel van een verzoekschriftprocedure te wenden tot de civiele rechter.

8. Hoewel de rechtbank in haar uitspraak van 29 mei 2016 eveneens tot dit oordeel is gekomen, heeft zij in haar overwegingen niet expliciet verwezen naar bovenstaande wettelijke bepalingen. Gelet hierop en op hetgeen hiervoor onder 7 is overwogen, ziet de verzetrechter hierin aanleiding het verzet gegrond te verklaren. Daarbij ziet zij tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb ook uitspraak te doen op het beroep, inhoudende dat de bestuursrechter onbevoegd is van het geschil kennis te nemen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet gegrond, verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Schoneveld, rechter, in aanwezigheid van C.W. Steenkist, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2016. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.