Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2016:4748 ECLI:NL:RBROT:2016:4748 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2016:4748 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2016:4748
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team jeugd Parketnummers: 10/690013-15, 10/682055-15 en 692023-16 Datum uitspraak: 23 juni 2016 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet, raadsman: mr. M.E. Pennings, advocaat te Rotterdam.

Legislator headnote

AI generated

artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, art 310 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBROT:2016:4748 · Rechtbank Rotterdam: Die vraag beantwoordt de rechtbank op grond van het hierna volgende bevestigend. De van de telefoons van de verdachte afkomstige gegevens die door de politie zijn veilig gesteld en opgeslagen, zijn aan te merken als politiegegevens in de zin van artikel 1 van de Wet politiegegevens. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet politiegegevens kunnen deze gegevens worden verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak gedurende een periode van één jaar na de datum van de eerste verwerking. Op grond van artikel 1, sub c, van de Wet politiegegevens wordt onder het verwerken van politiegegevens ook het raadplegen, gebruiken en vergelijken van politiegegevens verstaan.

Keywords

AI generated
numbered account schedule of charges revocation of allocated number additional charges obligation to quantify claims extensive criminal record

Cited Legislation

AI generated
artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering
artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.
art 310 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHARL:2015:2954
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-006079-14 Uitspraak d.d.: 22 april 2015 Tegenspraak Promis Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland te Lelystad van 9 oktober 2014 met het parketnummer 16-660201-13 in de strafzaak van [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats]. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 april 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
ECLI:NL:GHAMS:2015:5007
parketnummer: 23-002630-15 datum uitspraak: 13 november 2015 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 juni 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-820201-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Goudkust) op [geboortedag] 1956, thans gedetineerd in PI Flevoland – Huis van Bewaring Almere Binnen te Almere. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 oktober 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de gronden aanvult. Aanvulling van de gronden De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het onderzoek aan de smartphone van de verdachte op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) onrechtmatig is geweest omdat niet alleen toegang tot verkeersgegevens maar ook tot de inhoud van communicatie en privé-informatie van de gebruiker van de smartphone is verkregen. In dat verband voert hij aan dat het ophalen van de gegevens die op die smartphone zijn opgeslagen een inbreuk vormt op het bij artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op privacy, terwijl artikel 94 Sv daarvoor een onvoldoende wettelijke grondslag biedt. Hij heeft zich hierbij beroepen op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015 (gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2015:2954). De raadsman stelt dat dit een zodanig ernstig vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert, dat het gevolg daarvan moet zijn dat al het bewijs dat door het uitlezen van de gegevens van de smartphone van de verdachte is verkregen – in het bijzonder de Whatsapp-berichten – van het bewijs moet worden uitgesloten. Het hof overweegt als volgt. Artikel 94 Sv bepaalt dat alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen vatbaar zijn voor inbeslagneming. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076). Er is geen reden om ten aanzien van de gegevens opgeslagen in een smartphone anders te oordelen. De smartphone van de verdachte is dan ook – met het oog op de waarheidsvinding – rechtmatig in beslag genomen. Artikel 94 Sv vormt een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag voor de inbeslagname en het daaropvolgende onderzoek in de smartphone van de verdachte. Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim, zodat – nu overigens geen omstandigheden aannemelijk geworden zijn op grond waarvan tot een ander oordeel moeten worden gekomen – de Whatsapp – berichten kunnen dienen tot het bewijs. Het hof verwerpt het verweer. BESLISSING Het hof: Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. N.A. Schimmel en mr. E.N. van der Spoel, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 november 2015. De voorzitter en de griffier zijn buiten staat het arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= [....]
ECLI:NL:GHAMS:2016:579
Parketnummer: 23-004102-15 Datum uitspraak: 24 februari 2016 Tegenspraak Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 oktober 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-701490-14 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 februari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat: 1. primair: hij op of omstreeks 8 maart 2014 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - als bestuurder van een personenauto (plotseling) vol gas heeft gegeven en/of met hoge snelheid is weggereden toen die [slachtoffer 1] hem, verdachte, (een) handboei(en) had omgedaan, althans probeerde om te doen, waardoor die [slachtoffer 1] over een afstand van ongeveer 20 meter (rakelings langs paaltjes en/of geparkeerde auto's) is meegesleurd en/of (vervolgens) hard ten val is gekomen; subsidiair:hij op of omstreeks 8 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend als bestuurder van een personenauto (plotseling) vol gas heeft gegeven en/of met hoge snelheid is weggereden toen [slachtoffer 1] hem, verdachte, (een) handboei(en) had omgedaan, althans probeerde om te doen, waardoor die [slachtoffer 1] over een afstand van ongeveer 20 meter is meegesleurd en/of (vervolgens) hard ten val is gekomen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen (te weten een of meer schaafwond(en) op zijn knieën) en /of pijn heeft ondervonden; 2:hij op of omstreeks 8 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - als bestuurder van een personenauto (plotseling) vol gas heeft gegeven en/of met hoge snelheid is weggereden toen die [slachtoffer 2] hem, verdachte, (een) handboei(en) had omgedaan, althans probeerde om te doen, waardoor die [slachtoffer 2] hard ten val is gekomen; 3:hij op of omstreeks 8 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] (als bestuurder van een fiets) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - als bestuurder van een personenauto, met hoge snelheid, althans met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, (frontaal) tegen die [slachtoffer 3], is aangereden, waardoor die [slachtoffer 3] door de lucht is gevlogen en/of hard ten val is gekomen; 4:hij op of omstreeks 8 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de Spiegelgracht, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan [slachtoffer 3], althans een ander of anderen dan hem, verdachte, letsel was toegebracht en/of aan een fiets toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem verdachte, schade was toegebracht; 5 primair: hij op of omstreeks 8 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 4] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een personenauto met hoge snelheid, althans met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, in de richting van die [slachtoffer 4] is gereden en/of gas bij heeft gegeven toen die [slachtoffer 4] (die op de weg stond) trachtte hem, verdachte, tot stoppen te dwingen, waardoor die [slachtoffer 4] ternauwernood opzij kon springen om een aanrijding te voorkomen; 5 subsidiair: hij op of omstreeks 8 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte als bestuurder van een personenauto met hoge snelheid, althans met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, in de richting van die [slachtoffer 4] gereden en/of heeft verdachte gas bij gegeven toen die [slachtoffer 4] (die op de weg stond) trachtte hem, verdachte, tot stoppen te dwingen; 6 primair: hij op of omstreeks 8 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een personenauto, met hoge snelheid, althans met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, (vol) tegen de linker zijkant van de personenauto is aangereden waarin die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] zich op dat moment bevonden; 6 subsidiair: hij op of omstreeks 8 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Aston Martin Vanquish), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk als bestuurder van een personenauto, met hoge snelheid, althans met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, (vol) tegen de linker zijkant van de personenauto van die [slachtoffer 5] aan te rijden; 7:hij op of omstreeks 8 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de Nieuwe Spiegelstraat en/of de Keizergracht, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan [slachtoffer 5], althans een ander of andere n dan hem, verdachte, letsel was toegebracht en/of aan een auto toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem verdachte, schade was toegebracht; 8:hij op of omstreeks 8 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (een personenauto), rijdende en/of zich bevindende op de weg, de Zieseniskade en/of de Spiegelgracht en/of Nieuwe Spiegelstraat en/of de Keizersgracht, in ieder geval (telkens) op een openbare weg, - op de Zieseniskade vanuit stilstand (plotseling) vol gas heeft gegeven en/of met hoge snelheid is weggereden toen verbalisant(en) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] hem, verdachte, door het bestuurdersraam van de auto trachtte(n) (een) handboei(en) om te doen, waardoor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] hard ten val is/zijn gekomen en/of - op de Spiegelgracht ter hoogte van de Lijnbaansgracht heeft gereden met een hoge snelheid, in ieder geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur, in ieder geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, waarbij en/of waardoor hij frontaal tegen [slachtoffer 3] (bestuurder van een fiets) is aangereden, en/of - op de Nieuwe Spiegelstraat heeft gereden met een hoge snelheid, in ieder geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur, in ieder geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, waarbij en/of waardoor overige weggebruikers moesten uitwijken en/of moesten wegspringen om een aanrijding te voorkomen en/of - op de Nieuwe Spiegelstraat ter hoogte van de Keizergracht heeft gereden met een hoge snelheid, in ieder geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur, in ieder geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, waarbij en/of waardoor een botsing en/of aanrijding heeft plaatsgevonden tussen de door hem, verdachte, bestuurde personenauto en de door [slachtoffer 5] bestuurde personenauto, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg(en) werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg(en) werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; 9 primair: hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 januari 2014 tot en met 8 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valse of vervalste creditcard(s) en/of betaalpas(sen), bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, als ware(n) die creditcard(s) en/of betaalpas(sen) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), die valse of vervalste creditcard(s) en/of betaalpas(sen) (telkens) ter betaling heeft/hebben aangeboden bij een of meer (winkel)bedrij(f)(ven), te weten: - op 25 januari 2014 en/of op 28 januari 2014: bij [bedrijf 1]) en/of - op 26 februari 2014 en/of op 6 maart 2014 en/of op 8 maart 2014 bij [bedrijf 2]) en/of - op 26 februari 2014 en/of op 6 maart 2014 en/of op 8 maart 2014 bij [bedrijf 3] en/of - op 26 februari 2014 en/of op 8 maart 2014 bij [bedrijf 4] en/of - op 26 februari 2014 bij [bedrijf 5]) en/of - op 6 maart 2014 bij [bedrijf 6]), en bestaande die valsheid of vervalsing (mede) hierin dat de magneetstrip(pen) van de originele creditcard(s) en/of betaalpas(sen) (uitgegeven door Visacard en/of Mastercard en/of [bedrijf 7]) zijn geskimd en/of die creditcard(s) en/of betaalpas(sen) zijn vervalst, terwijl hij en/of zijn mededader(s) we(e)t(en) of redelijkerwijs moet(en) vermoeden dat de creditcard(s) en/of betaalpas(sen) bestemd is/zijn voor zodanig gebruik; 9 subsidiair: hij op of omstreeks de periode van 6 maart 2014 tot en met 8 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meer tassen (merk Celine) en/of een riem (merk Salvatore Ferragamo), in elk geval enig goed heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en) en/of had(den) kunnen vermoeden, dat het (een) door oplichting en/of fraude en/of diefstal (met valse sleutel), in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Omvang van het hoger beroep De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 en 5 primair en subsidiair is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Er staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissingen komt dan de rechtbank. Vrijspraken - ten aanzien van het onder 3 en 6 primair en subsidiair ten laste gelegde De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het onder 3 en 6 primair ten laste gelegde respectievelijk bestaand in: poging tot doodslag van [slachtoffer 3] en poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6]. Hij heeft daartoe verwezen naar de door de rechtbank in haar vonnis opgenomen bewijsmiddelen en overwegingen. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van deze feiten. Het hof overweegt het volgende. Het hof gaat ervan uit dat het doel van de verdachte was aan de politie te ontkomen. Het is van oordeel dat noch uit de verklaring van de verdachte, noch anderszins, blijkt dat de verdachte het oogmerk had iemand om het leven te brengen of zwaar te verwonden. Bij deze stand van zaken dient het hof te beoordelen of de verdachte daarop het voorwaardelijk opzet had. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, – zoals in casu op de dood of zwaar lichamelijk letsel, – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Dat kan zich voordoen wanneer een verdachte dusdanig gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond, dat niet meer kan worden aangenomen dat hij erop rekende dat een en ander wel goed zou aflopen. Op grond van de inhoud van de door de advocaat-generaal gepresenteerde bewijsmiddelen en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting overweegt het hof het volgende. De verdachte werd op zaterdagmiddag 8 maart 2014, in het centrum van Amsterdam, door verbalisanten in burger aangehouden terwijl hij zijn auto bestuurde. Toen zij hem trachtten te boeien sloeg hij op de vlucht. De verdachte is vervolgens met zijn auto de Spiegelgracht, een drukke winkelstraat, ingereden. Daar reed de verdachte frontaal tegen een hem tegemoetkomende fietser, te weten [slachtoffer 3], die daardoor ten val kwam, maar niet ernstig gewond raakte. De verdachte is verder over de Spiegelgracht en door de Nieuwe Spiegelstraat gereden en, nadat zijn auto bij het rijden over een brug over de Keizersgracht door de snelheid met vier wielen van de grond was gekomen, tegen de auto van [slachtoffer 5] aangebotst en tot stilstand gekomen. De precieze snelheid waarmee de verdachte heeft gereden is niet vastgesteld, maar wel kan, gelet op diverse verklaringen, als vaststaand worden aangenomen dat hij harder heeft gereden dan de daar geldende maximumsnelheid van 30 km per uur. Uit de computersimulatie van de aanrijding met het voertuig van [slachtoffer 5], die is vervaardigd met het programma Pc-crash, komt naar voren dat de verdachte vlak voor die botsing zeer waarschijnlijk 51 km per uur heeft gereden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in paniek raakte toen – naar hij later pas begreep – twee agenten hem in zijn auto probeerden aan te houden. Hij heeft vol gas gegeven en is met piepende banden weggereden. Hij is linksaf de Spiegelgracht opgereden, waar het op dat moment behoorlijk druk was. Hij lette goed op de weg en zag fietsers en voetgangers. Hij heeft echter betwist daar een fietser frontaal te hebben aangereden. Daarna is hij de Nieuwe Spiegelstraat ingereden. Vanwege zijn snelheid zag hij te laat dat ter hoogte van de Keizersgracht ook een andere auto deze straat inreed en kon hij niet meer tijdig remmen, hoewel hij dat nog wel heeft geprobeerd. De verdachte is met zijn auto met een harde klap vol tegen de zijkant van die auto aangereden en tot stilstand gekomen. Door de botsing zijn de airbags in zijn auto geactiveerd. Dat de verdachte nog heeft geremd wordt bevestigd in het proces-verbaal Verkeersongeval Analyse van 29 april 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in dat, gelet op de aangetroffen sporen op het wegdek, de verdachte zeer kort voor de botsing nog een remming heeft ingezet of dat de verdachte reeds eerder een remming heeft gepoogd in te zetten die niet leidde tot een aftekening op het wegdek omdat er geen contact was tussen de banden en het wegdek. Het hof is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat de verdachte met zijn rijgedrag onaanvaardbare risico’s op aanrijdingen heeft genomen, waarbij dat risico zich ook heeft verwezenlijkt in het aanrijden van [slachtoffer 3] en het voertuig van [slachtoffer 5]. Dat leidt echter niet zonder meer tot het oordeel dat hij die risico’s ook bewust heeft aanvaard. Omtrent de precieze toedracht van de aanrijding met [slachtoffer 3] geen kunnen weinig feitelijke vaststellingen worden gedaan. De ongevalsanalyse die zich in het dossier bevindt heeft slechts betrekking op de aanrijding met het voertuig van [slachtoffer 5]. Omtrent de snelheid waarmee de verdachte reed op het moment dat hij [slachtoffer 3] raakte, noch over de snelheid waarmee [slachtoffer 3] hem tegemoet fietste en waar precies hij zich op de weg bevond bevat het dossier gegevens. Evenmin bevat het dossier informatie over de vraag of het zicht van de verdachte op de plaats waar [slachtoffer 3] zich direct voor de aanrijding bevond werd belemmerd. Daardoor kan het risico dat de verdachte heeft genomen om een dodelijke aanrijding te veroorzaken niet worden geobjectiveerd. Het voorgaande brengt met zich dat geen betrouwbare uitspraak kan worden gedaan over de aanvaarding van het risico op een aanrijding door de verdachte op het moment dat hij de Spiegelgracht opreed. Ditzelfde geldt voor de omstandigheden waaronder de aanrijding met de auto van [slachtoffer 5] plaatsvond. Het hof acht het daarbij van belang dat aan de hand van het sporenbeeld is vastgesteld dat de verdachte vlak voor de aanrijding heeft geremd, kennelijk in een poging de aanrijding nog te voorkomen. Het hof acht niet bewezen dat de verdachte bewust op [slachtoffer 3] en/of het voertuig van [slachtoffer 5] is ingereden. Het hof acht het, gelet op al het voorgaande, niet uitgesloten dat de verdachte, zijn stuurmanskunst overschattend, erop rekende dat zijn dollemansrit wel goed zou aflopen. Dit leidt ertoe dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3 en 6 primair en subsidiair ten laste feit. - ten aanzien van het onder 9 primair ten laste gelegde De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld voor het onder 9 primair ten laste gelegde en in dat verband verwezen naar de door rechtbank in haar vonnis opgenomen bewijsmiddelen en overwegingen. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van dit feit nu er onvoldoende bewijs voorhanden is dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] heeft gehandeld. Het hof overweegt het volgende. Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat de verdachte enige uitvoeringshandeling heeft verricht ter zake het hem ten laste gelegde gebruik van valse creditcards. In een dergelijk geval is de kwalificatie medeplegen slechts dan gerechtvaardigd als de intellectuele dan wel de materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is om als wezenlijke bijdrage aan het feit te kunnen worden aangemerkt. Daartoe dient vast te staan dat de gedragingen van de verdachte, voorafgaand aan en/of ná het plegen van het strafbare feit, zodanig significant zijn dat deze de gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband kunnen worden gebracht te boven gaan. Naar het oordeel van het hof is daarvan geen sprake. Over de rol van de verdachte voorafgaand aan dan wel ná het strafbare feit is het volgende gebleken. De verdachte heeft op 8 maart 2014 een korte ontmoeting gehad met [medeverdachte], waarbij [medeverdachte] tassen met goederen uit de [bedrijf 4], die hij kort daarvoor met gebruik van een valse creditcard had verkregen, in verdachtes auto heeft gezet. De verdachte is vervolgens met die goederen weggereden. De auto waarin de verdachte op 8 maart 2014 reed was, zo blijkt uit camerabeelden, twee dagen eerder, op 6 maart 2014, aanwezig bij het [bedrijf 6] tankstation. Op de beelden is te zien dat [medeverdachte] uit de auto stapte en het tankstation binnenging. Gebleken is dat hij daar toen eveneens aankopen heeft gedaan met een valse creditcard. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend ook toen de bestuurder van deze auto te zijn geweest. Ten slotte is uit onderzoek van verdachtes I-phone gebleken dat hij in februari en begin maart met onder meer [medeverdachte] What’s appgesprekken heeft gevoerd die onmiskenbaar gaan over het verzamelen van informatie met betrekking tot creditcards en het doen van aankopen bij juweliers. Naar het oordeel van het hof leveren deze omstandigheden niet op de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] bij het gebruiken van valse creditcards zoals ten laste gelegd, zodat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen de verdachte onder 9 primair is ten laste gelegd en hij hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof acht wel bewezen hetgeen de verdachte onder 9 subsidiair is ten laste gelegd, voor zover het de gebeurtenissen op 8 maart 2014 betreft. Bewijsverweren - ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe gesteld dat de verdachte geen opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke vorm, om de verbalisant om het leven te brengen dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De raadsman heeft gesteld dat de vastgestelde rijsnelheid van verdachte niet hoog is geweest, hetgeen valt af te leiden uit het geringe letsel bij de verbalisant, dan wel het geheel ontbreken ervan, en dat dat de verbalisant slechts een korte afstand door de auto is meegesleurd en toen zelf de auto heeft losgelaten. Het hof overweegt het volgende. Nadat de verbalisanten de verdachte hadden meegedeeld dat hij was aangehouden, trachtten zij hem te boeien, reikend door het openstaande portierraam. Net toen zij erin waren geslaagd een handboei aan een van zijn armen te bevestigen gaf de verdachte gas en reed weg. Doordat de verdachte snel accelereerde werd de verbalisant [slachtoffer 1] meegesleurd. Deze verbalisant had op dat moment de handboei nog vast en hield met zijn andere arm de deurstijl van het linker portier vast. Zijn hoofd bevond zich nog in de auto. Hij voelde dat zijn benen los van de grond kwamen en dat hij als het ware hangend aan de buitenzijde van de auto werd meegesleurd. Enige momenten later kon hij loslaten en is hij hard op de grond gevallen. Hij schaafde daarbij zijn knieën tot bloedens toe. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij op dat moment maar aan één ding dacht en dat was wegkomen. Hij heeft daarbij zowel betwist dat hij [slachtoffer 1] zou hebben meegesleurd, als gesteld dat hij niet zou hebben gemerkt dat [slachtoffer 1] zich nog aan de auto vasthield. Gezien de hiervoor uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheden acht het hof het niet geloofwaardig dat de verdachte de aanwezigheid van [slachtoffer 1] niet zou hebben opgemerkt en acht het zijn betwisting dat hij [slachtoffer 1] bij het wegrijden heeft meegesleurd niet steekhoudend. Het hof is van oordeel dat de verdachte door aldus te (blijven) rijden, terwijl hij wist dat [slachtoffer 1] met het hoofd in de auto aan zijn portier hing en werd meegesleurd, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1]. Dat daarbij niet vaststaat over welke afstand [slachtoffer 1] is meegesleurd kan niet aan dit oordeel afdoen nu reeds deze gang van zaken voldoende is om de welbewuste aanvaarding van het aanmerkelijke risico op dit gevolg aan te nemen. Het verweer wordt mitsdien verworpen. - ten aanzien van het onder 4 en 7 ten laste gelegde De raadsman van de verdachte heeft voorts aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 4 en 7 ten laste gelegde feiten, te weten het verlaten van de plaats van het ongeval. Hij heeft daartoe gesteld dat geen sprake is van een voltooid delict, maar slechts van een niet ten laste gelegde poging daartoe, nu de verdachte direct en dicht in de buurt van de aanrijdingen door de politie is aangehouden. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Aan de verdachte wordt verweten het in twee gevallen ‘verlaten’ van de plaats van het ongeval, in de zin van artikel 7 van de Wegenverkeerswet. Gelet op de bewoordingen van de delictsomschrijving is het delict voltooid op het moment dat de verdachte de plaats van het ongeval verlaat. Het hof is van oordeel dat, mede gelet op het doel van de strafbaarstelling, onder ‘plaats van het ongeval’ moet worden verstaan de plaats op de weg waar het ongeval zich heeft voorgedaan. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte, nadat hij op de Spiegelgracht [slachtoffer 3] had aangereden, met hoge snelheid is doorgereden en, nadat hij met zijn auto tegen de auto van [slachtoffer 5] was aangereden, rennend de plaats van het ongeval heeft verlaten, zonder anderen behoorlijk de gelegenheid te bieden zijn identiteit vast te stellen of deze zelf te geven. Het hof is daarbij van oordeel dat het, gelet op de frontale aanrijding met [slachtoffer 3], niet anders kan dan dat de verdachte heeft bemerkt dat deze aanrijding plaatsvond en minstgenomen moet hebben vermoed dat [slachtoffer 3] daarbij letsel had opgelopen en/of dat diens fiets zou zijn beschadigd. Daarmee heeft de verdachte in beide gevallen voldaan aan de delictsomschrijving en zijn de strafbare feiten voltooid. Dat hij kort daarna en vlakbij de plaats van het tweede ongeval door een motoragent tot stoppen is gedwongen en is aangehouden, doet daaraan niet af. De verweren wordt mitsdien verworpen. - ten aanzien van het onder 9 subsidiair ten laste gelegde – De raadsman heeft aangevoerd dat de in de smartphone aangetroffen gegevens, in het bijzonder de WhatsApp-gesprekken, van het bewijs dienen te worden uitgesloten op de grond dat het onderzoek in de smartphone van de verdachte onrechtmatig is geschied. De raadsman heeft daartoe gesteld dat het onderzoek aan de smartphone, gezien de vele persoonlijke informatie die daarin is opgeslagen, een inbreuk oplevert op het recht op privéleven van de verdachte, zoals beschermd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De algemene wettelijke bevoegdheid tot doorzoeking zoals neergelegd in artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), kan heden ten dage niet meer worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift dat voldoende kenbaar en voorzienbaar is bij de uitoefening van de verleende bevoegdheid. Om die reden is de inbreuk op dit gegarandeerde recht niet (meer) voorzien bij wet (in accordance with law). Dit brengt mee dat het onderzoek onrechtmatig is, zodat het resultaat ervan van het bewijs dient te worden uitgesloten. Bij gebreke van voldoende overig bewijs, dient de verdachte van dit feit te worden vrijgesproken. De raadsman heeft gewezen op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015 waarin door dat hof in een vergelijkbaar geval aldus is beslist (ECLI:NL:GHARL:2015:2954). De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 94 Sv, gelet op de uitleg daarvan door de Hoge Raad, wel een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag vormt voor de inbeslagname en het daaropvolgende onderzoek in de smartphone. Van enig vormverzuim is derhalve geen sprake. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De smartphone van de verdachte werd na zijn aanhouding op 8 maart 2014 in de door hem bestuurde auto aangetroffen en in beslag genomen. Vervolgens heeft de politie de inhoud van deze smartphone onderzocht. De raadsman heeft met juistheid gesteld dat de inbeslagname van, en het onderzoek aan de in de smartphone opgeslagen gegevens een inbreuk vormen op de door artikel 8 EVRM gewaarborgde bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Voorts stelt het hof met de raadsman vast dat aard en omvang van de in een smartphone opgeslagen gegevens met zich brengen dat bij een onderzoek van een dergelijke telefoon de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer groter is althans kan zijn dan bij een onderzoek aan een klassieke mobiele telefoon. Ter beantwoording ligt voor de vraag of deze inbreuk ook in het geval van onderzoek aan een smartphone gerechtvaardigd is. Het eerste lid van artikel 8 EVRM houdt in dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé-leven, in die zin dat de staat zich dient te onthouden van inmenging in dat privéleven. Het tweede lid van deze bepaling maakt echter een beperking van dat recht mogelijk, mits deze beperking bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is. Bij de toetsing of aan de voorwaarden voor deze beperking is voldaan, hanteert het EHRM de volgende criteria: 1. bestaat daarvoor een wettelijke basis; 2. dient de beperking een legitiem doel en 3. is de beperking noodzakelijk in de democratische rechtsstaat? Artikel 94 Sv regelt onder meer dat alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen vatbaar zijn voor inbeslagneming. Aan inbeslaggenomen voorwerpen mag volgens vaste rechtspraak onderzoek worden gedaan teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers of in smartphones opgeslagen gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd, in die zin dat noch de daarop betrekking hebbende bepalingen noch het systeem van het Wetboek van Strafvordering daartoe een beletsel vormen. Het hof is dan ook van oordeel dat de wettelijke basis voor het onderzoek aan inbeslaggenomen gegevens welke zijn opgeslagen in een smartphone gelegen is in artikel 94 Sv voornoemd. Het hof begrijpt de raadsman aldus dat hij heeft beoogd te betogen dat deze wettelijke basis toereikende voorzienbaarheid ontbeert. In dat standpunt kan het hof de raadsman niet volgen. Daartoe verwijst het hof allereerst naar de vaste rechtspraak van de Hoge Raad die onder meer inhoudt dat de ook aan opsporingsambtenaren toekomende bevoegdheid tot inbeslagneming tevens de bevoegdheid tot onderzoek aan het in beslag genomen voorwerp inhoudt. Voorwerpen, zowel van digitale als niet-digitale aard, die veel persoonlijke informatie kunnen bevatten, zijn daarvan niet uitgezonderd. Het hof wijst er in dit verband op dat ook de wetgever dit nog steeds als wettelijk uitgangspunt hanteert. Bij de invoering van de Wet bevoegdheid vorderen gegevens is in de memorie van toelichting overwogen dat van inbeslagnemingsbepalingen gebruik mag worden gemaakt ter verkrijging van gegevens, indien de gehele gegevensdrager wordt verkregen. In gevallen waarin het uitsluitend om gegevens gaat werd bij die gelegenheid een lacune in de regelgeving vastgesteld. Hierin werd voorzien door voornoemde wet die op 1 januari 2006 in werking is getreden. Daarbij werd een afzonderlijke regeling geboden voor onder meer de doorzoeking van een plaats ter vastlegging van gegevens (artikel 125i Sv) en de zogeheten netwerkzoeking (artikel 125j Sv). Indien en voor zover de raadsman ook heeft willen betogen dat het uitgevoerde onderzoek in de zaak van de verdachte geen legitiem doel heeft gediend, overweegt het hof dat ten tijde van de aanhouding van de verdachte en de inbeslagneming van zijn telefoon sprake was van verdenking van diverse ernstige misdrijven. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte legitimiteit ontbeerde. Het hof ziet aanleiding om, in het kader van de volgens Straatsburgse rechtspraak aan te leggen, maar door de raadsman in casu niet verzochte, toets van de noodzakelijkheid in een democratische rechtsstaat, het volgende te overwegen. Het EHRM acht het blijkens zijn jurisprudentie van groot belang dat nationale staten voorzien in adequate en effectieve waarborgen tegen misbruik van bevoegdheden, leidend tot disproportionele inbreuken op de privacy van de verdachte. Daarbij acht het EHRM, in ieder geval in zaken waarin gegevens worden verkregen bij een doorzoeking in een woning of een bedrijfsruimte, een voorafgaande rechterlijke toetsing de optimale waarborg tegen dergelijk misbruik. Het EHRM heeft echter aanvaard dat toetsing achteraf compensatie kan bieden voor de afwezigheid van toetsing vooraf, mits bij deze toetsing wordt gerespondeerd op bezwaren van de verdachte met betrekking tot schending van zijn privéleven en mits bij die toetsing onderscheid wordt gemaakt tussen voor het onderzoek relevante, en daarvoor niet-relevante gegevens. Het hof is van oordeel dat de nationale procedure, hoewel deze niet voorziet in een aan de inbeslagneming en het onderzoek aan de inbeslaggenomen goederen voorafgaande machtiging, voldoende mogelijkheden biedt om op te komen tegen vormen van disproportionele uitoefening van bevoegdheden die kunnen resulteren in schendingen van artikel 8, eerste lid, EVRM. De verdachte kan immers bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling van zijn zaak ten overstaan van de zittingsrechter zijn bezwaren formuleren en doen beoordelen. In dit verband verdient overigens nog opmerking dat de rechterlijke vaststelling van een schending van artikel 8 EVRM nog geenszins een schending van het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM, impliceert. Pas in het laatstgenoemde geval zal de rechter in de regel toepassing van de sanctie van bewijsuitsluiting dienen te overwegen. In het licht van de toepasselijke rechtspraak van het EHRM acht het hof het tot slot van belang dat in het onderhavige geval geen sprake was van een doorzoeking - waarvoor in beginsel een voorafgaande rechterlijke machtiging is vereist - maar van inbeslagname van voorwerpen die de verdachte tijdens zijn aanhouding met zich voerde. Voorts is gesteld noch gebleken dat het onderzoek aan de smartphone zich heeft uitgestrekt tot andere gegevens dan die welke relevant waren voor de feiten waarvoor de verdachte was aangehouden. Het hof verwerpt het verweer. Bewijsoverweging - ten aanzien van het onder 9 subsidiair ten laste gelegde feit - Uit de in het dossier aanwezige schriftelijke weergave van de zogenaamde WhatsApp- gesprekken tussen de verdachte en anderen in de periode van 3 maart 2014 tot 8 maart 2014 leidt het hof af dat de verdachte wist dat anderen, onder wie ook eerder genoemde [medeverdachte], zich in die periode bezighielden met de aankoop van (veelal dure) goederen met valse/geskimde creditcards en dat ook de verdachte zelf daarbij een rol speelde. De verdachte heeft geen uitleg willen gegeven met betrekking tot de inhoud van deze WhatsApp-gesprekken. Voorts is de verdachte op 8 maart 2014, direct nadat voornoemde [medeverdachte] een aantal kort tevoren gestolen dure goederen in zijn auto had gelegd, voor de politie op de vlucht geslagen. Ook hiervoor heeft hij geen aannemelijke verklaring gegeven. Gelet hierop is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen wist dat deze door misdrijf waren verkregen, zodat de onder 9 subsidiair ten laste gelegde opzetheling kan worden bewezen voor zover het de handelingen van 8 maart 2014 betreft. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 4, 7, 8 en 9 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1 primair: hij op 8 maart 2014 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, als bestuurder van een personenauto, plotseling vol gas heeft gegeven en met hoge snelheid is weggereden toen die [slachtoffer 1] hem, verdachte, een handboei had omgedaan, waardoor die [slachtoffer 1] is meegesleurd en vervolgens hard ten val is gekomen; 4:hij op 8 maart 2014 te Amsterdam, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de Spiegelgracht, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan [slachtoffer 3], letsel was toegebracht en/of aan een fiets toebehorende aan [slachtoffer 3], schade was toegebracht; 7:hij op 8 maart 2014 te Amsterdam, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de Nieuwe Spiegelstraat en de Keizergracht, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een auto toebehorende aan [slachtoffer 5], schade was toegebracht; 8:hij op 8 maart 2014 te Amsterdam, als bestuurder van een voertuig, een personenauto, rijdende en zich bevindende op de weg, de Zieseniskade en de Spiegelgracht en de Nieuwe Spiegelstraat en de Keizersgracht, - op de Zieseniskade vanuit stilstand plotseling vol gas heeft gegeven en met hoge snelheid is weggereden toen verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hem, verdachte, door het bestuurdersraam van de auto trachtten een handboei om te doen, waardoor die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hard ten val zijn gekomen en - op de Spiegelgracht ter hoogte van de Lijnbaansgracht heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur, waarbij hij frontaal tegen [slachtoffer 3], bestuurder van een fiets, is aangereden, en - op de Nieuwe Spiegelstraat heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur, waarbij overige weggebruikers moesten uitwijken of moesten wegspringen om een aanrijding te voorkomen en - op de Nieuwe Spiegelstraat ter hoogte van de Keizergracht heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur, waarbij een botsing heeft plaatsgevonden tussen de door hem, verdachte, bestuurde personenauto en de door voornoemde [slachtoffer 5] bestuurde personenauto, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die wegen werd veroorzaakt; 9 subsidiair: hij op 8 maart 2014 te Amsterdam tassen, merk Celine, en een riem, merk Salvatore Ferragamo, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. Hetgeen onder 1 primair, 4, 7, 8 en 9 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op: poging tot zware mishandeling. Het onder 4 en 7 bewezen verklaarde levert telkens op: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 Het onder 8 bewezen verklaarde levert op: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Het onder 9 subsidiair bewezen verklaarde levert op: opzetheling. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 4, 7, 8 en 9 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 4, 7, 8 en 9 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen en een maatregel De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair, 3, 4, 6, 7, 8 en 9 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van zesendertig maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van de onder 8 bewezenverklaarde overtreding een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de tijd van twee jaren. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De raadsman heeft aangevoerd dat de door de rechtbank opgelegde straf van drie jaren ongekend hoog is en hij geen andere uitspraak heeft gevonden met een vergelijkbaar hoge straf. Hij heeft gesteld dat niets is aangevoerd om een dergelijke afwijkend hoge straf te rechtvaardigen. De raadsman heeft verzocht om, zo een gevangenisstraf wordt opgelegd, deze niet hoger te laten zijn dan het onvoorwaardelijke deel dat reeds in voorarrest is doorgebracht, eventueel aangevuld met een werkstraf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de feiten ten laste gelegd onder 1 primair, 3, 4, 6, 7, 8 en 9 primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en voor de bewezenverklaarde overtreding een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan heling. Bij een poging om hem daarvoor aan te houden is hij met een auto met hoge snelheid weggereden. Daarbij heeft de verdachte een agent meegesleurd, een fietser geschept en een andere auto met twee inzittenden aangereden. Hierbij heeft hij schade veroorzaakt aan de fiets en aan de auto. Hij heeft wat betreft de agent, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze door zijn rijgedrag zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De verdachte heeft twee maal na een aanrijding de plaats van het ongeval verlaten zonder dat hij zijn identiteit aan de bevoegde autoriteiten c.q. eigenaar van de fiets of personenauto heeft kenbaar gemaakt. Door aldus te handelen heeft hij zich onttrokken aan de verantwoordelijkheid die van een deelnemer aan het verkeer wordt vereist. Sprake is geweest van een ware dollemansrit door een drukke en smalle winkelstraat. De verdachte is met zijn auto zo rakelings langs verschillende mensen gereden dat sommigen in paniek wegsprongen of van de fiets afsprongen. Hij is met dusdanig hoge snelheid over de brug over de Keizersgracht gereden, dat daarbij zijn voertuig los van de grond kwam. Dat niemand ernstig letsel heeft opgelopen is een gelukkige, maar zeker niet aan de verdachte te danken omstandigheid. Door zijn onverantwoordelijke rijgedrag heeft de verdachte de veiligheid op de weg zodanig in gevaar gebracht, dat oplegging van de op dit feit gestelde maximale vrijheidsbenemende straf alsmede de maximale ontzegging van de rijbevoegdheid passende sancties zijn. Uit een Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 januari 2016 betreffende de verdachte blijkt dat hij één keer eerder voor een verkeersdelict is veroordeeld. Gelet op al het voorgaande en op hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd, alsmede op het feit dat het hof de verdachte voor de feiten 3 en 6 primair en subsidiair zal vrijspreken, acht het hof de straffen en maatregel van na te melden zwaarte passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van zijn immateriële schade van € 1.500,--. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof wat betreft de hoogte van de vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade, waarvan de daarop betrekking hebbende vordering niet is weersproken, gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 7] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 400,00 en voor het overige niet ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijke bedrag. De verdachte wordt vrijgesproken voor het onder 9 primair ten laste gelegde feit. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Beslag Ten aanzien van de onder de verdachte in beslaggenomen witte IPhone 5 (4716835) verstaat het hof dat geen te nemen beslissing voorligt nu de advocaat-generaal ter terechtzitting heeft verklaard dat deze telefoon is teruggegeven aan de verdachte en dat daarmee het beslag is beëindigd. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 62, 302 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 7, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Beslissing Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 en 5 primair en subsidiair ten laste gelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet voor het overige opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3, 6 primair en subsidiair en 9 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 4, 7, 8 en 9 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 primair, 4, 7, 8 en 9 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. - Ten aanzien van de feiten 1 primair, 4, 7 en 9 subsidiair - Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. - Voorts ten aanzien van feit 8 - Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 2 (twee) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde hechtenis in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, voornoemd ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan één van de beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere betalingsverplichting vervalt. Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 7] Verklaart de benadeelde partij [bedrijf 7] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Gelast de teruggave aan De [bedrijf 4] Amsterdam van: een zwarte riem, Salvatore Ferra (4716817) en twee paarse tassen, lila (4716821). Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E.M. Röttgering, mr. R.M. Steinhaus en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van mr. F. Hardonk-Kruiswijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 februari 2016. De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ==================================================================== [....]
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team jeugd Parketnummers: 10/690013-15, 10/682055-15 en 692023-16 Datum uitspraak: 23 juni 2016 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet, raadsman: mr. M.E. Pennings, advocaat te Rotterdam.

1Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 mei 2016. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De rechtbank heeft de feiten die in de dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. De rechtbank zal die nummering in dit vonnis en in de bijlagen aanhouden.

3Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. [officier van justitie] heeft gevorderd: vrijspraak van het onder 3, 10 primair, 19 en 21 ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 subsidiair, 11, 12, 13, 14 primair, 15, 16, 17, 18, 20, 22, 23, 24, 25, 26, 27 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrekvan voorarrest. 4Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraken Feit 1 Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van betrokkenheid van de verdachte bij de aan hem onder 1 ten laste gelegde woninginbraak.

Weliswaar hebben twee jongens, van wie één verdachte zou kunnen zijn, kort na de inbraak aan getuige [getuige 1] verteld, dat zij een [merk 1] horloge te koop hadden en is tijdens de doorzoeking in het huis van verdachte de bij de inbraak weggenomen koptelefoon, merk [merk 2], aangetroffen, die door aangever is herkend, doch daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid, dat verdachte de inbraak al of niet in vereniging gepleegd heeft. Verdachte wordt dan ook van dit feit vrijgesproken. Feit 3 Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Feit 7 Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van betrokkenheid van de verdachte bij de aan hem onder 7 ten laste gelegde woninginbraak. Hierbij is meegewogen dat aan aangeefster een foto van sieraden is getoond, die op de telefoon van de verdachte is aangetroffen maar dat de aangeefster de aan haar getoonde sieraden niet heeft herkend als de hare. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van dit feit. Feit 10 primair Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 10 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Feit 12 Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van betrokkenheid van de verdachte bij de aan hem onder 12 ten laste gelegde woninginbraak. Nu de heling van de bij de verdachte aangetroffen goederen, welke goederen vermoedelijk afkomstig zijn van de woninginbraak aan de [adres 1] te Rotterdam in de periode van 2 mei 2015 tot en met 4 mei 2015, niet aan de verdachte ten laste is gelegd, zal de verdachte worden vrijgesproken van het aan hem onder 12 ten laste gelegde. Feit 14 primair Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van betrokkenheid van de verdachte bij de aan hem onder 14 primair ten laste gelegde diefstal van een scooter (kenteken [kenteken 1]), zodat de verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.

Feit 19 Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 19 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. Feit 20 Het enkele communiceren met medeverdachten die op dat moment aan het inbreken waren in een woning, is onvoldoende om te concluderen dat verdachte aan de desbetreffende inbraak deelnam. Het dossier bevat overigens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van verdachtes strafbare betrokkenheid bij de inbraak, zodat de verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken. 4.2.

Overwegingen Overweging met betrekking tot het in beslag nemen en uitlezen van smartphones Standpunt verdediging De raadsman van verdachte heeft aangevoerd, dat de in telefoons aangetroffen gegevens, in het bijzonder de WhatsApp-gesprekken, van het bewijs dienen te worden uitgesloten op de grond dat het onderzoek daarnaar onrechtmatig is geschied. Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2954, heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat er geen wettelijke grondslag was om onderzoek te doen naar de gegevens die waren opgeslagen op de bij verdachte inbeslaggenomen telefoons.

Bovendien heeft het onderzoek plaatsgevonden zonder een daartoe strekkende opdracht. Voorts heeft de raadsman van de verdachte gesteld dat er geen aanleiding was om onderzoek te doen naar de gegevens die waren opgeslagen op de inbeslaggenomen telefoons. Het vorenstaande betekent dat de gegevens die zijn aangetroffen op de telefoons van de verdachte niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Mocht er naar het oordeel van de rechtbank wel een wettelijke grondslag aanwezig zijn voor het in beslag nemen van de telefoons, dan heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat op ongelimiteerde wijze is gegrasduind in de privé-gegevens van de verdachte, hetgeen een inbreuk oplevert op het recht op privéleven van de verdachte, zoals beschermd door artikel 8 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna:

EVRM). De aard en ernst van de verdenkingen rechtvaardigden een dergelijke grove inbreuk op de privacy van de verdachte echter niet. Het onderzoek naar de op de telefoons van de verdachte opgeslagen gegevens voldoet daarom niet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Ook om deze reden dienen de gegevens die zijn aangetroffen op de telefoons van de verdachte van het bewijs te worden uitgesloten, aldus de raadsman. Beoordeling De rechtbank overweegt als volgt: In navolging van de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 13 november 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:5007) en 24 februari 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:579) is de rechtbank van oordeel, dat artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering de wettelijke grondslag biedt voor het in beslag nemen van een telefoon, alsmede voor het veilig stellen van en het onderzoek doen naar de op de telefoon opgeslagen gegevens, waaronder WhatsApp-gesprekken.

Hieruit volgt dat ook voor de inbeslagname van de telefoons van de verdachte na de aanhouding van de verdachte op 6 januari 2015 een wettelijke grondslag bestond. De rechtbank is niet gebleken dat de telefoons in beslag zijn genomen anders dan om in de zaak waarvoor de verdachte was aangehouden de waarheid aan het licht te brengen. Dat de op de telefoons opgeslagen en door de politie veilig gestelde gegevens niet direct zijn onderzocht, maakt dat niet anders. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of er ook een wettelijke grondslag bestond om op een later moment onderzoek te doen naar de in de telefoons opgeslagen gegevens anders dan in het kader van de waarheidsvinding in de zaak waarvoor de verdachte op 6 januari 2015 was aangehouden.

Die vraag beantwoordt de rechtbank op grond van het hierna volgende bevestigend. De van de telefoons van de verdachte afkomstige gegevens die door de politie zijn veilig gesteld en opgeslagen, zijn aan te merken als politiegegevens in de zin van artikel 1 van de Wet politiegegevens. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet politiegegevens kunnen deze gegevens worden verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak gedurende een periode van één jaar na de datum van de eerste verwerking. Op grond van artikel 1, sub c, van de Wet politiegegevens wordt onder het verwerken van politiegegevens ook het raadplegen, gebruiken en vergelijken van politiegegevens verstaan.

Op grond van artikel 13 onder b kunnen politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig artikel 8,9 en 10, zelfs verder worden verwerkt voor zover zij relevant zijn voor het ophelderen van strafbare feiten die nog niet herleid konden worden tot een verdachte. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gesteld dat in de loop van 2015 de opdracht is gegeven om nader onderzoek te doen naar de gegevens op de telefoons van de verdachte, omdat de verdachte door politie en justitie in verband werd gebracht met verschillende woninginbraken in 2014 en 2015 grotendeels gepleegd in de wijk [wijk] in Rotterdam.

Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de officier van justitie onder meer verschillende mutatie-rapporten van de politie uit de maanden november en december 2014 aan het dossier toegevoegd waarin de verdachte als mogelijke betrokkene bij een of meer woninginbraken of pogingen daartoe wordt genoemd. Naar het oordeel van de rechtbank vormden de verdenking van een woninginbraak, die heeft geleid tot de aanhouding van de verdachte op 6 januari 2015 tezamen met de hiervoor genoemde mutatie-rapporten - gegeven de toelichting die hierop door de officier van justitie ter zitting is gegeven - voldoende grond voor de politie om ter uitvoering van de politietaak als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet politiegegevens op een later moment nader onderzoek te doen naar de gegevens die op de telefoons van de verdachte waren opgeslagen.

Hieruit volgt dat ook voor dit nadere onderzoek naar de gegevens op de telefoon van de verdachte een wettelijke grondslag bestond. Het verweer van de raadsman van de verdachte dat de opsporingsambtenaren zonder een daartoe strekkende opdracht van een tot het onderzoek zijn overgegaan slaagt niet, nu de officier van justitie ter zitting onweersproken heeft gesteld dat dit onderzoek is gedaan in opdracht van de daartoe bevoegde leidinggevenden. Voor zover de raadsman van de verdachte heeft gesteld dat de opsporingsambtenaren niet bevoegd waren om onderzoek te doen naar de op de telefoons van de verdachte opgeslagen gegevens, acht de rechtbank dat verweer niet voldoende onderbouwd.

Het verweer van de raadsman van de verdachte dat het onderzoek naar de privé-gegevens van de verdachte niet voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit zoals die voortvloeien uit artikel 8, tweede lid, van het EVRM slaagt evenmin. Het onderzoek naar de gegevens op de inbeslaggenomen telefoons is gedaan, omdat de verdachte verdacht werd van het plegen van een misdrijf en hij in verband werd gebracht met verschillende woninginbraken en pogingen daartoe. Woninginbraken zijn naar het oordeel van de rechtbank misdrijven die dermate ingrijpend zijn voor de slachtoffers en een dermate grote inbreuk maken op de rechtsorde dat zij een verregaande inbreuk op de privacy van de verdachte rechtvaardigden.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen en dat de gegevens die op de inbeslaggenomen telefoons van de verdachte waren opgeslagen voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Overweging met betrekking tot de feiten 5, 16, 17 en 18 Het is een feit van algemene bekendheid dat een cilindertrekker/slotentrekker gebruikt kan worden om de cilinder uit een zgn. cilinderslot te trekken, en het slot aldus te verbreken. Overweging met betrekking tot feit 13 Drie verbalisanten hebben in ambtsedige processen-verbaal neergelegd dat zij de verdachte hebben herkend op camerabeelden van 19 oktober 2015.

Zij kennen verdachte, omdat zij al jaren werkzaam zijn in de wijk waar verdachte woonachtig is. Eén van die de verbalisanten, te weten verbalisant [verbalisant 1], heeft in zijn verklaring tegenover de rechter-commissaris zijn herkenning van verdachte nader toegelicht en verantwoord. De rechtbank acht de verklaringen van de verbalisanten betrouwbaar. De bovengenoemde drie processen-verbaal zullen daarom worden gebruikt voor het bewijs. Overweging met betrekking tot feit 14 subsidiair Verdachte heeft zich – samen met anderen - schuldig gemaakt aan diefstallen en woninginbraken in de periode van 29 juli 2014 tot het moment dat hij werd aangehouden op 27 oktober 2015.

De verdachte heeft op de gestolen scooter gereden op de dag dat de scooter gestolen is. Hij reed op deze gestolen scooter, terwijl hij feit 15 pleegde. De verdachte heeft geen enkele verklaring gegeven over deze scooter, hoewel hij – naar de rechtbank vaststelt – vaker bij scooterdiefstal betrokken is geweest. Op grond hiervan wordt wettig en overtuigend bewezen geacht dat de verdachte er van op de hoogte was dat de scooter waar hij op reed, gestolen was. Overweging met betrekking tot de feiten 25, 26 en 27 Verdachte heeft zich – samen met anderen - schuldig gemaakt aan diefstallen en woninginbraken in de periode van 29 juli 2014 tot het moment dat hij werd aangehouden op 27 oktober 2015.

In zijn woning zijn de goederen aangetroffen, die afkomstig waren van deze diefstallen en woninginbraken. Verdachte heeft geen verklaring gegeven hoe hij aan deze gestolen spullen komt. Bezien in deze context is de rechtbank van oordeel, dat het niet anders kan dan dat hij op zijn minst redelijkerwijs kon vermoeden dat deze goederen van diefstal afkomstig waren. 4.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 subsidiair, 11, 13, 14 subsidiair, 15, 16, 17, 18, 21, 22, 23, 24, 25, 26 en 27 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 2. (zaak: [adres 2]) hij in de periode van 29 juli 2014 tot en met 30 juli 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het voornemen om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 2] weg te nemen geld en/of een of meer goederen van zijn, verdachtes en/of zijn mededaders, gading, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2], en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, met een of meer van zijn mededader(s), een slot van een deur van voornoemde woning heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid; 4. (zaak: [adres 3]) hij op 09 november 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning, gelegen aan de [adres 3] heeft weggenomen sieraden en 6000 euro, toebehorende aan [aangever 3], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; 5. (zaak: [adres 4]) hij op 16 november 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning, gelegen aan de [adres 4] heeft weggenomen 1000 euro, toebehorende aan [aangever 4], waarbij verdachte en /of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de / het weg te nemen goed(eren) onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; 6. (zaak: [adres 5]) hij in de periode van 31 december 2014 tot en met 01 januari 2015 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 5] heeft weggenomen een laptop (merk:

HP, type: Pavilion) en een tablet (merk: Asus, type: Transformer, kleur: wit) en een navigatiesysteem en een camera en sieraden en een telefoon en een headset en parfum en geld, toebehorende aan [aangever 5], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; 8. (zaak: [adres 6]) hij op 06 januari 2015 te Rotterdam ter uitvoering van het voornemen om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 6] weg te nemen geld en/of een of meer goederen van zijn, verdachtes, en/of zijn mededaders gading toebehorende aan [aangever 6], en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geldbedrag onder hun bereik te brengen door middel van braak, met zijn mededader, een slot van een tuindeur van voornoemde woning heeft geforceerd en (met een steen) een ruit/raam van voornoemde woning heeft ingegooid, terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid; 9. (zaak: [adres 7]) hij in de periode van 21 februari 2015 tot en met 25 februari 2015 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 7] heeft weggenomen iPad docking stations (merk Apple) en computerspellen en een Playstation 3 en horloges en kleding en een geldbedrag en sieraden en flessen parfum, toebehorende aan [aangever 7], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

10. Subsidiair: hij op 22 mei 2015 te Sassenheim, gemeente Teylingen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een spatbord van een bromfiets (merk: [merk 9]), toebehorende aan [aangever 8], heeft beschadigd; 11. (zaak: [adres 8]) hij op 30 december 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 8] heeft weggenomen een televisie en een iPhone en geld en sieraden en een mobiele telefoon (merk: Samsung) en een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 9], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; 13. (zaak: [adres 9]) hij op 19 oktober 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 9] heeft weggenomen een iPad en laptop en iPhone 4S en sieraden en geld en autosleutels toebehorende aan [aangever 10], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak. 14. (zaak: [adres 10]) Subsidiair: hij op 25 oktober 2014 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een scooter (merk: [merk 3], voorzien van kenteken: [kenteken 1]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde scooter wist(en), dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. 15. (zaak: [adres 10]) hij op 25 oktober 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit een (personen)auto, heeft weggenomen een koffer (met inhoud), toebehorende aan [aangever 11]. 16. (zaak: [adres 11]) hij in de periode van 10 september 2015 tot en met 15 september 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 11], heeft weggenomen een computer (notebook, merk Apple) en acculader en spelcomputer (Playstation) en sleutel en mes en kluis en televisies (merken Philips en Samsung) en sieraden, toebehorende aan [aangever 12], waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; 17. (zaak: [adres 12]) hij in de periode van 28 september 2015 tot en met 02 oktober 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 12], heeft weggenomen sieraden en geld en kleding en messen en bankpassen, toebehorende aan [aangever 13], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; 18. (zaak: [adres 13]) hij in de periode van 16 mei 2015 tot en met 17 mei 2015 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 13], heeft weggenomen sieraden en een jas en schoenen, toebehorende aan [aangever 14], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

21. hij in de periode van 4 oktober 2014 tot en met 5 oktober 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een goed, te weten twee, kentekenplaten (kenteken [kenteken 2]), heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed wisten dat het door misdrijf, namelijk door diefstal, verkregen goederen betrof;

22. hij in de periode van 24 september 2014 tot en met 5 oktober 2014 te Rotterdam een goed, te weten een scooter (merk [merk 4], kleur wit), heeft verworven en heeft voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed wist(en), dat het een door misdrijf, namelijk door diefstal, verkregen goed betrof;

23. hij in de periode van 4 oktober 2014 tot en met 5 oktober 2014 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, te weten een personenauto (merk [merk 11], kleur groen), toebehorende aan [aangever 15], heeft gebruikt op de weg, de rijksweg A15/A16 omgeving Rotterdam; 24. (zaak: [winkel]) hij op 20 oktober 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (winkel)pand, gelegen aan de [adres 14], heeft weggenomen sloffen en pakjes sigaretten en geldbakken/kassaladen en 234,05 euro en krasloten, toebehorende aan [winkel], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; 25. (zaak: [adres 15]) hij op 27 oktober 2015 te Rotterdam een goed, te weten een horloge (merk [merk 5], kleur goud), heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dat goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf, namelijk door diefstal, verkregen goed betrof; 26. (zaak: [adres 16]) hij op 27 oktober 2015 te Rotterdam een goed, te weten een horloge (merk [merk 6]), heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde het voorhanden krijgen van dat goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf, namelijk door diefstal, verkregen goed betrof; 27. (zaak: [adres 17]) hij op 27 oktober 2015 te Rotterdam een goed, te weten een autosleutel (behorende bij een auto van het merk [merk 7]), heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dat goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf, namelijk door diefstal verkregen goed betrof;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

2. poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

4. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

5. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

6. diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

8. poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

9. diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; 10subsidiair. medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort, beschadigen;

11. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

13. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; 14 subsidiair. medeplegen van schuldheling;

15. diefstal door twee of meer verenigde personen;

16. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

17. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

18. diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

21. medeplegen van opzetheling;

22. opzetheling;

23. overtreding van artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994;

24. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

25. schuldheling;

26. schuldheling; 27 schuldheling. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6Strafbaarheid verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan tien woninginbraken, van welke woninginbraken hij er zes in vereniging gepleegd heeft.

Daarnaast heeft hij samen met anderen tweemaal geprobeerd in een woning in te breken. Voorts heeft de verdachte zich twee keer schuldig gemaakt aan opzetheling, en vier keer aan schuldheling. Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een diefstal in vereniging, vernieling en aan joyriding. Samenvattend komt het er op neer, dat verdachte in de periode van 29 juli 2014 tot de dag dat hij werd aangehouden, 27 oktober 2015 bezig is geweest met het plegen van woninginbraken en diefstal en heling. Deze feiten zijn buitengewoon ernstig. De rechtbank stelt voorop dat door de woninginbraken grof inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers.

In de eigen woning moet men zich bij uitstek veilig kunnen weten, en dit gevoel van veiligheid is ernstig aangetast. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten vaak nog lange tijd kampen met de psychische gevolgen daarvan. Voorts heeft verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van anderen. Hij heeft goederen van vaak aanzienlijke waarde buit gemaakt en uitsluitend oog gehad voor zijn eigen gewin. Veel van wat is weggenomen, is niet teruggevonden. Slachtoffers van diefstal moeten zich bovendien inspanningen en kosten getroosten met het oog op herstel van de door hen geleden schade.

Ook heeft verdachte van diefstal afkomstige goederen voorhanden gehad, en daardoor de dieven begunstigd: diefstal loont doordat er een afzetmarkt voor gestolen goed is. Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan joyriding, en daardoor niet alleen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaar van de auto – zijn vader – maar ook de verkeersveiligheid in gevaar gebracht: hij reed de auto total loss. 7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.3.1. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 mei 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. 7.3.2.

Rapportages Het Leger des Heils, afdeling Jeugdbescherming en reclassering, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 22 december 2015. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Geadviseerd wordt het volwassenenstrafrecht toe te passen. De verdachte is niet meer schoolgaand en hij heeft geen vaste dagbesteding. Verdachte woont wel nog bij zijn ouders maar er zijn geen aanwijzingen dat (nog) sprake is van pedagogische beïnvloeding. Er zijn geen aanwijzingen voor psychische problemen bij de verdachte. De kans op recidive wordt ingeschat als hoog indien de verdachte terug zal keren naar zijn wijk, te meer nu de verdachte verdacht wordt van een serie woninginbraken met jongens uit zijn wijk, niet schoolgaand is en hij geen vaste dagbesteding heeft.

Omdat verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen kon geen plan van aanpak worden opgesteld. Geadviseerd wordt om aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport. 7.4. Conclusies van de rechtbank Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht. 8Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [aangever 8], wonende te [woonplaats], ter zake van het onder 10 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 438,40 aan materiële schade. 8.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. 8.2. Standpunt verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 8.3.

Beoordeling Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 10 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet heeft betwist, zal deze worden toegewezen. Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededader onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert. Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. 8.4. Conclusie De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 438,40. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 311, 350, 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 11 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994. 10Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 11Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1, 3, 7, 10 primair, 12, 14 primair, 19, 20 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 subsidiair, 11, 13, 14 subsidiair, 15, 16, 17, 18, 21, 22, 23, 24, 25, 26 en 27 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden, beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 8], wonende te [woonplaats] toe tot een bedrag van € 438,40 (vierhonderdachtendertig euro en veertig eurocent), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd; veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 438,40 (vierhonderdachtendertig euro en veertig eurocent); beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 438,40 (vierhonderdachtendertig euro en veertig eurocent) vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 8 (acht) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op; verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door: mr. O.E.M. Leinarts, voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. J. de Gans en M.M. Dolman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Commandeur, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juni 2016. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1. (zaak: [adres 18]) hij in of omstreeks de periode van 17 mei 2014 tot en met 18 mei 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 18], heeft weggenomen een Ipad (Apple) en/of printer en/of spelcomputer en/of camera en/of computer, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 16], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht 2. (zaak: [adres 2]) hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2014 tot en met 30 juli 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het voornemen om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 2] weg te nemen geld en/of een of meer goederen van zijn, verdachtes en/of zijn mededaders, gading, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, een slot van een deur van voornoemde woning heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht 3. (zaak: [adres 19]) hij op of omstreeks 01 oktober 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een scooter (merk: [merk 8], kleur: zwart), geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 17], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht 4. (zaak: [adres 3]) hij op of omstreeks 09 november 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning, gelegen aan de [adres 3] heeft weggenomen een of meer sieraden en/of 6000 euro, in elk geval enig(e) goed(eren) en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht 5. (zaak: [adres 4]) hij op of omstreeks 16 november 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning, gelegen aan de [adres 4] heeft weggenomen 1000 euro, in elk geval enig gelbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht 6. (zaak: [adres 5]) hij in of omstreeks de periode van 31 december 2014 tot en met 01 januari 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 5] heeft weggenomen een laptop (merk:

Hp, type: Paviljon) en/of een tablet (merk: Asus, type: Transformer, kleur: wit) en/of een navigatiesysteem en/of een camera en/of een of meer sieraden en/of een telefoon en/of een headset en/of parfum en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht 7. (zaak: [adres 20]) hij in of omstreeks de periode van 31 december 2014 tot en met 01 januari 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 20] heeft weggenomen een laptop en/of televisie en/of 2050 euro, althans een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 18], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht 8. (zaak: [adres 6]) hij op of omstreeks 06 januari 2015 te Rotterdam ter uitvoering van het voornemen om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 6] weg te nemen geld en/of een of meer goederen van zijn, verdachtes, en/of zijn mededaders gading geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geldbedrag onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, een slot van een (tuin)deur van voornoemde woning heeft geforceerd en/of (met een steen) een ruit/raam van voornoemde woning heeft ingegooid, terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht 9. (zaak: [adres 7]) hij in of omstreeks de periode van 21 februari 2015 tot en met 25 februari 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 7] heeft weggenomen een of meer Ipad Docking stations (merk Apple) en/of een of meer computerspellen en/of een Playstation 3 en/of een of meer horloges en/of kleding en/of een geldbedrag en/of sieraden en/of een of meer flessen parfum, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht 10. (zaak: [adres 21]) hij op of omstreeks 22 mei 2015 te Sassenheim, gemeente Teylingen, ter uitvoering van het voornemen om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een bromfiets (merk: [merk 9]), geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, heeft getracht het slot van voornoemde bromfiets te forceren, terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 22 mei 2015 te Sassenheim, gemeente Teylingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een spatbord van een bromfiets (merk: [merk 9]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht 11. (zaak: [adres 8]) hij op of omstreeks 30 december 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 8] heeft weggenomen een televisie en/of Iphone en/of geld en/of een of meer sieraden en/of een mobiele telefoon (merk:

Samsung) en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 9], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht 12. (zaak: [adres 22]) hij in of omstreeks de periode van 02 mei 2015 tot en met 04 mei 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 22] heeft weggenomen een televisie (merk:

Sharpe) en/of een of meer sieraden en/of een of meer (chocolade)repen (merk: Snickers en/of Mars en/of Twix), geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 19], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht 13. (zaak: [adres 9]) hij op of omstreeks 19 oktober 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 9] heeft weggenomen een Ipad en/of laptop en/of Iphone 4S en/of een of meer sieraden en/of geld en/of autosleutels en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 15], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht 14. (zaak: [adres 10]) hij op of omstreeks 25 oktober 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een scooter (merk: [merk 3], voorzien van kenteken: [kenteken 1]), geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 20], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s); art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 25 oktober 2014 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een scooter (merk: [merk 3], voorzien van kenteken: [kenteken 1]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde scooter wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof; art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht 15. (zaak: [adres 10]) hij op of omstreeks 25 oktober 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in/uit een (personen)auto, heeft weggenomen een koffer (met inhoud), geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 11], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s); art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht 16. (zaak: [adres 11]) hij in of omstreeks de periode van 10 september 2015 tot en met 15 september 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 11], heeft weggenomen een computer (notebook, merk Apple) en/of acculader en/of spelcomputer (Playstation) en/of sleutel en/of mes en/of kluis en/of een of meer televisies (merken Philips en/of Samsung) en/of sieraden, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 12], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht 17. (zaak: [adres 12]) hij in of omstreeks de periode van 28 september 2015 tot en met 02 oktober 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 12], heeft weggenomen sieraden en/of geld en/of kleding en/of messen en/of bankpassen, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 13], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht 18. (zaak: [adres 13]) hij in of omstreeks de periode van 16 mei 2015 tot en met 17 mei 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 13], heeft weggenomen sieraden en/of een jas en/of schoenen, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 14], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht 19. (zaak: [adres 23]) hij in of omstreeks de periode van 14 augustus 2015 tot en met 15 augustus 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 23], heeft weggenomen sieraden en/of kleding en/of een telefoon en/of televisie en/of een autosleutel (met daaraan een label voorzien van het kenteken [kenteken 3] en het opschrift: [merk 10] zilver), geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 21], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht 20. (zaak: [adres 24]) hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2015 tot en met 20 juli 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 24], heeft weggenomen een televisie en/of geld en/of schoenen, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 22], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming; art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht 21. hij in of omstreeks de periode van 4 oktober 2014 tot en met 5 oktober 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een goed, te weten twee, althans een of meer, kentekenpla(a)t(en) (kenteken [kenteken 2]), heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed betrof; art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht 22. hij in of omstreeks de periode van 24 september 2014 tot en met 5 oktober 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een goed, te weten een scooter (merk [merk 4], kleur wit), heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed betrof; art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht 23. hij in of omstreeks de periode van 4 oktober 2014 tot en met 5 oktober 2014 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, te weten een personenauto (merk [merk 11], kleur groen), toebehorende aan [aangever 15], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft gebruikt op de weg, de rijksweg A15/A16 omgeving Rotterdam, in elk geval op een weg; art 11 Wegenverkeerswet 1994 24. (zaak: [winkel]) hij op of omstreeks 20 oktober 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (winkel)pand, gelegen aan de [adres 14], heeft weggenomen een of meer sloffen en/of pakjes sigaretten en/of shag en/of een of meer geldbakken/kassaladen en/of 234,05 euro, althans een geldbedrag en/of een of meer krasloten, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [winkel], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht 25. (zaak: [adres 15]) hij op of omstreeks 27 oktober 2015 te Rotterdam (een) goed(eren), te weten een horloge (merk [merk 5], kleur zwart) en/of een horloge (merk [merk 5], kleur goud), heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof; (art. 416/417bis Wetboek van Strafrecht) 26. (zaak: [adres 16]) hij op of omstreeks 27 oktober 2015 te Rotterdam een goed, te weten een horloge (merk [merk 6]), heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof; (art. 416/417bis Wetboek van Strafrecht) 27. (zaak: [adres 17]) hij op of omstreeks 27 oktober 2015 te Rotterdam een goed, te weten een autosleutel (behorende bij een auto van het merk [merk 7]), heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof; (art. 416/417bis Wetboek van Strafrecht)