Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2016:2335 ECLI:NL:RBROT:2016:2335 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2016:2335 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2016:2335
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 15/6334 uitspraak van de meervoudige kamer van 30 maart 2016 in de zaak tussen [Naam], te [plaats] (Aruba), eiser, gemachtigde: drs. M.L. Hassell, en het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk, verweerder, gemachtigde: E. Waasdorp. Procesverloop Bij besluit van 7 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op het verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) onder overlegging van jaarverslagen van de Commissie Bezwaarschriften.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:12 van de Awb; ECLI:NL:RBROT:2016:2335 · Rechtbank Rotterdam: In het onderhavige geval ziet het herhaalde beroep echter op het niet tijdig beslissen, welke situatie voortduurt na de eerdere uitspraak. Voorts volgt uit het eerste lid van artikel 6:12 van de Awb dat een dergelijk beroep niet aan een termijn is gebonden. Het onder 2 genoemde uitgangspunt geldt daarom niet voor het onderhavige geval. Dat voor het maken van bezwaar of instellen van beroep uit artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb volgt dat het niet tijdig nemen van een besluit wordt gelijkgesteld met een besluit doet daar niet aan af.

Keywords

AI generated
reopening of the file iterative breaches of law reconsideration unjustified procedural delay time-bar of revision request review procedures

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 6:12 van de Awb
Voorts volgt uit het eerste lid van artikel 6:12 van de Awb dat een dergelijk beroep niet aan een termijn is gebonden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2015:1790
201306924/3/V6. Datum uitspraak: 27 mei 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van: [opposante], wonend te [plaats] (Aruba), tegen de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2014 in zaak nr. 201306924/1/V6. Procesverloop Bij uitspraak van 17 januari 2014, in zaak nr. 201306924/1/V6, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is aangehecht. Bij uitspraak van 3 december 2014, in zaak nr. 201306924/2/V6, heeft de Afdeling het door [opposante] hiertegen gedane verzet ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht. Tegen de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2014 heeft [opposante] opnieuw verzet gedaan. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:55, achtste lid, van de Awb blijft, indien het verzet ongegrond is verklaard, de uitspraak waartegen verzet was gedaan in stand.
ECLI:NL:CRVB:2003:AF7125
00/6379 AW en 02/5379 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.
ECLI:NL:GHDHA:2015:2347
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-15/00275 en BK-15/00316 uitspraak d.d.
ECLI:NL:RBROT:2015:1243
ECLI:NL:HR:2014:3607
19 december 2014 nr. 14/00414 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] Beheer B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 december 2013, nrs. 13/00194 tot en met 13/00199, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Arnhem (nrs. AWB 12/1667 tot en met 12/1672) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 1997, 2002 en 2003 opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting.De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 15/6334 uitspraak van de meervoudige kamer van 30 maart 2016 in de zaak tussen [Naam], te [plaats] (Aruba), eiser, gemachtigde: drs. M.L. Hassell, en het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk, verweerder, gemachtigde: E. Waasdorp. Procesverloop Bij besluit van 7 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op het verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) onder overlegging van jaarverslagen van de Commissie Bezwaarschriften.

Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 1 juni 2015 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het primaire besluit. Bij uitspraak van 24 juli 2015 (ROT 15/3634) heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser in verzuim is tijdig griffierecht te voldoen. Bij brief van 1 oktober 2015 (ontvangen op 12 oktober 2015) heeft eiser opnieuw beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het primaire besluit. Verweerder heeft bij brief van 15 januari 2016 bericht dat nog geen beslissing op bezwaar is genomen, maar dat dit zo spoedig mogelijk alsnog wordt genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2016. Partijen zijn niet verschenen. Overwegingen 1. De rechtbank stelt vast dat met de uitspraak van 24 juli 2015 een onherroepelijke uitspraak voorligt waarin het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is verklaard. De eerste vraag die de rechtbank daarom ambtshalve dient te beantwoorden is of na een eerdere niet-ontvankelijkverklaring van een beroep wegens niet tijdig beslissen opnieuw beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter.

2. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van litis finiri oportet – dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – zich ertegen verzet dat meermaals wordt opgekomen tegen dezelfde beslissing of dat nogmaals wordt beslist indien een onherroepelijke beslissing voorligt (vgl. ABRvS 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1790 en CRvB 27 februari 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF7125).

3. In het onderhavige geval ziet het herhaalde beroep echter op het niet tijdig beslissen, welke situatie voortduurt na de eerdere uitspraak. Voorts volgt uit het eerste lid van artikel 6:12 van de Awb dat een dergelijk beroep niet aan een termijn is gebonden. Het onder 2 genoemde uitgangspunt geldt daarom niet voor het onderhavige geval. Dat voor het maken van bezwaar of instellen van beroep uit artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb volgt dat het niet tijdig nemen van een besluit wordt gelijkgesteld met een besluit doet daar niet aan af.

4. De rechtbank neemt hierbij mede in ogenschouw dat het gerechtshof Den Haag bij uitspraak van 26 augustus 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:2347) een uitspraak van de rechtbank van 27 februari 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:1243) heeft bevestigd, ook voor zover in die uitspraak is overwogen dat bij een herhaald beroep tegen niet tijdig beslissen na een eerder niet-ontvankelijk beroep wegens het niet tijdig betalen van griffierecht geen sprake is van schending van het beginsel van ne bis in idem.

5. Gelet op het voorgaande wordt de eerste vraag bevestigend beantwoord en acht de rechtbank zich daarom bevoegd op het beroep te beslissen.

6. De rechtbank komt daarom toe aan de ambtshalve te beoordelen vervolgvraag of het beroep ontvankelijk is.

7. Uit het hiervoor genoemde eerste lid van artikel 6:12 van de Awb volgt weliswaar dat indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit het niet aan een termijn is gebonden, maar uit het vierde lid volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

8. De rechtbank stelt vast dat eiser verweerder op 8 april 2015 in gebreke heeft gesteld tijdig op zijn bezwaar te beslissen. Tussen deze ingebrekestelling en het onderhavige beroep, dat is ontvangen door de griffie op 12 oktober 2015, ligt een periode van zes maanden. Gelet op deze periode van inactiviteit – waarbij de rechtbank het eerste beroepschrift niet als een stuitingshandeling aanmerkt, nu dit eerdere beroep wegens het verzuim tijdig griffierecht te betalen niet-ontvankelijk is verklaard – is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een onredelijk late indiening (vgl. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3607 en CRvB 28 juli 2015, ECLI:NL:CRvB:2015:2642 en Hof Den Haag 26 augustus 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2347).

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen beantwoordt de rechtbank de vervolgvraag ontkennend en zal zij het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdestein, voorzitter, en mr. L.A.C. van Nifterick en mr. J. Bergen, leden, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2016. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.