Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBOVE:2026:975 ECLI:NL:RBOVE:2026:975 AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2026:975 · Rechtbank Overijssel

Case Number ECLI:NL:RBOVE:2026:975
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almelo Zaaknummer: 11961855 \ CV EXPL 25-2012 Vonnis van 24 februari 2026 in de zaak van [eiser] , handelend onder de naam [bedrijf 1], wonende in [woonplaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], procederend in persoon, tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijf 2], wonende in [woonplaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: Hofhuis Financieel Advies B.V.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:96 BW, artikel 6:119a BW, Artikel 3:53 lid 1 Burgerlijk Wetboek; ECLI:NL:RBOVE:2026:975 · Rechtbank Overijssel: De kantonrechter zal de wettelijke handelsrente dus toewijzen. 5.5. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 925,00 worden toegewezen. 5.6. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.

Keywords

AI generated
accounting error failure to keep accounts closing of accounts party costs of attorney unpaid invoices overpaid insurance benefits

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:96 BW
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
artikel 6:119a BW
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 16.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling, 6.2.
Artikel 3:53 lid 1 Burgerlijk Wetboek
(hg) Artikel 3:53 lid 1 Burgerlijk Wetboek.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almelo Zaaknummer: 11961855 \ CV EXPL 25-2012 Vonnis van 24 februari 2026 in de zaak van [eiser] , handelend onder de naam [bedrijf 1], wonende in [woonplaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], procederend in persoon, tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijf 2], wonende in [woonplaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: Hofhuis Financieel Advies B.V.

1Waar deze zaak over gaat

Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten inhoudende dat [eiser] accountantswerkzaamheden tegen betaling verricht voor [gedaagde]. [eiser] vordert betaling van zijn werkzaamheden. [gedaagde] voert aan dat het tarief van [eiser] niet marktconform is en dat hij al betalingen heeft verricht die in mindering moeten strekken op de vordering. De kantonrechter gaat niet mee in dit verweer en wijst de vordering van [eiser] toe. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 10, uitgebracht op 30 oktober 2025,- de conclusie van antwoord met producties, - aanvullende producties aan de zijde van gedaagde, - de brief van eiser met een reactie op de aanvullende producties van gedaagde en producties 10 en 11 van eiser,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de mondelinge behandeling van 27 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij namens beide partijen pleitnotities zijn voorgedragen. 2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. 3De feiten 3.1. Partijen hebben in 2015 een overeenkomst van opdracht gesloten inhoudende dat [eiser] accountantswerkzaamheden tegen betaling verricht voor [gedaagde]. 3.2. In 2022 hebben partijen betalingsafspraken gemaakt over de facturen van [eiser] tot en met 16 februari 2022. 3.3. [gedaagde] heeft op 22 mei 2025 de aanvullende overeenkomst van 2022 vernietigd op grond van misbruik van omstandigheden. [eiser] heeft berust in deze vernietiging. 4Het geschil 4.1. [eiser] vordert (samengevat) primair veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 16.000,00 en subsidiair tot betaling van € 15.839,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding, buitengerechtelijke incassokosten en nakosten. 4.2. [gedaagde] voert verweer. 4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling 5.1. Voordat de kantonrechter de vorderingen inhoudelijk kan beoordelen moet eerst worden vastgesteld op welke overeenkomst de vorderingen zijn gebaseerd. Partijen hebben in 2015 een overeenkomst van opdracht gesloten en zijn in 2022 een aanvullende overeenkomst overeengekomen. Door vernietiging van de aanvullende overeenkomst vallen partijen terug op de overeenkomst van opdracht zoals zij deze in 2015 zijn overeengekomen. 5.2. Gezien het voorgaande heeft [eiser] zijn vordering tot nakoming gebaseerd op de overeenkomst van opdracht uit 2015.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] op grond van deze overeenkomst nog gehouden is om [eiser] een bedrag van € 31.015,17 te betalen. [eiser] heeft zijn vordering primair gematigd tot een bedrag van € 16.000,00. Volgens [eiser] heeft het door hem gehanteerde tarief nooit ter discussie gestaan. Ook heeft [eiser] aangevoerd dat hij extra werkzaamheden heeft moeten uitvoeren voor een boekenonderzoek en begeleiding van een compromis met de belastingdienst. Dit heeft geleid tot extra kosten. [gedaagde] heeft deze aanvullende werkzaamheden niet betwist. 5.3.

Volgens [gedaagde] is het door [eiser] gehanteerde tarief niet marktconform, maar [gedaagde] heeft dit niet onderbouwd. Dat [eiser] in het verleden kortingen aan [gedaagde] heeft gegeven is geen aanwijzing dat [eiser] zijn eigen tarief te hoog vindt, aangezien deze kortingen juist een tegemoetkoming waren van [eiser] aan [gedaagde]. Overigens zijn deze kortingen, die op de aanvullende overeenkomst van 2022 zijn gebaseerd, door de vernietiging van deze overeenkomst met terugwerkende kracht komen te vervallen zodat [gedaagde] hier geen beroep meer op kan doen. [gedaagde] heeft ook aangevoerd dat hij al een bedrag van € 21.845,40 op de vordering heeft betaald, maar [eiser] heeft vervolgens voldoende en onweersproken onderbouwd dat ruim de helft van dit bedrag niet ziet op onderhavige vordering maar op betalingen van voor februari 2022.

Dat [eiser] facturen aan [gedaagde] heeft toegestuurd over werkzaamheden van jaren geleden doet ook niet af aan de vordering van [eiser]. Indien de kantonrechter [gedaagde] zo moet begrijpen dat de werkzaamheden waarvan [gedaagde] facturen heeft ontvangen al eerder door [eiser] aan [gedaagde] zijn gefactureerd, dan heeft [gedaagde] niet onderbouwd of inzichtelijk gemaakt welke werkzaamheden precies dubbel zijn gefactureerd. De kantonrechter wijst de primaire vordering van [eiser] dus toe. 5.4. De gevorderde wettelijke handelsrente is op de wet gegrond en niet door [gedaagde] weersproken.

De kantonrechter zal de wettelijke handelsrente dus toewijzen. 5.5. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 925,00 worden toegewezen. 5.6. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.

De kantonrechter zal de nakosten begroten op € 135,00, omdat dit bedrag door [eiser] is gevorderd. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 120,76 - griffierecht € 732,00 - salaris gemachtigde € 864,00 (2 punten × € 432,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.851,76 6De beslissing De kantonrechter 6.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 16.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling, 6.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke kosten, 6.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.851,76, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026. (hg) Artikel 3:53 lid 1 Burgerlijk Wetboek.