Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBOVE:2026:538 ECLI:NL:RBOVE:2026:538 AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2026:538 · Rechtbank Overijssel

Case Number ECLI:NL:RBOVE:2026:538
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/1539 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, en [eiseres] , eiseres, tezamen eisers, gemachtigde: mr. L. de Widt, en het college van burgemeester en wethouders van Hengelo. Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van bijzondere bijstand voor een deel van de kosten van een orthodontische behandeling. Eisers zijn het met de afwijzing niet eens. Aan de hand van hun argumenten (de beroepsgronden) beoordeelt de rechtbank het beroep. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2026:538 · Rechtbank Overijssel: Vanwege de stijging van de kosten voor levensonderhoud is het voor eisers niet mogelijk geweest om voor de behandeling te sparen of geld te lenen. Inmiddels is de behandeling afgerond en betalen eisers de rekening van de orthodontist in termijnen af. De overwegingen Voorliggende voorziening 4.1 Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, voor de belanghebbende toereikend en passend wordt geacht. Dit staat in artikel 15, eerste lid van de PW. In de regelgeving op het punt van de gezondheidszorg is een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het wel of niet vergoeden van kosten van tandheelkundige behandelingen.

Keywords

AI generated
medical expenses medical necessity coverage of dental care supplementary hospital insurance disability-related expenses physiotherapy coverage

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2023:985
20 1733 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 april 2020, 19/4790 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Breda (college) Datum uitspraak: 13 juni 2023 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S. Klootwijk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft aan appellant schriftelijk vragen gesteld. Appellant heeft nadere stukken ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2022:554
191818 PW Datum uitspraak: 15 maart 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 april 2019, 18/3104 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade gedaan. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2024:2313
24/439 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 januari 2024, 23/2156 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Vught (college) Datum uitspraak: 26 november 2024 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak om een afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) voor de kosten van medische zorg, specifiek een MiraDry-behandeling. Volgens het college heeft appellant geen recht op bijzondere bijstand voor een MiraDrybehandeling omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als een voorliggende, toereikende en passende voorziening moet worden beschouwd en in beginsel geen bijstand kan worden verleend indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/1539 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, en [eiseres] , eiseres, tezamen eisers, gemachtigde: mr. L. de Widt, en het college van burgemeester en wethouders van Hengelo. Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van bijzondere bijstand voor een deel van de kosten van een orthodontische behandeling. Eisers zijn het met de afwijzing niet eens. Aan de hand van hun argumenten (de beroepsgronden) beoordeelt de rechtbank het beroep. 1.2.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Met het bestreden besluit van 1 mei 2025 op het bezwaar van eisers heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. 2.2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en gemachtigde en namens het college [naam 1] en [naam 2].

Beoordeling door de rechtbank Feiten 3.1. Eisers wonen met hun dertienjarige dochter te [woonplaats] . Zij ontvangen vanaf 2013 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden. 3.2. Eisers hebben een zorgverzekering afgesloten bij Menzis. Zij hebben een basisverzekering en een aanvullende verzekering. Hun dochter valt ook onder de polis. Volgens de voorwaarden van de aanvullende verzekering wordt voor orthodontie tijdens de hele verzekeringsduur eenmalig een bedrag van € 2000,00 vergoed. 3.3. In 2022 heeft de dochter van eisers een beugel gekregen.

Indertijd is een aanvraag om aanvullende bijzondere bijstand gedaan, die is afgewezen. 3.4. Op 15 januari 2025 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend. Hij vraagt bijzondere bijstand voor het verschil tussen de begroting van de orthodontist en het bedrag dat de zorgverzekering vergoedt. Het gaat om een bedrag van € 941,97. De begroting heeft eiser bij zijn aanvraag gevoegd. 3.5. Met het besluit van 16 januari 2025 is deze aanvraag afgewezen. Het bezwaar dat eisers hebben ingediend is ongegrond verklaard met het bestreden besluit. Het standpunt van het college 3.6.

Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat er een passende en toereikende voorliggende voorziening is, namelijk de Zorgverzekeringswet (Zvw). Vanuit de aanvullende verzekering die eisers hebben afgesloten wordt € 2000,00 vergoed. Er zijn geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet (PW) om in afwijking daarvan toch bijzondere bijstand aan eisers toe te kennen. Op de zitting heeft het college toegevoegd dat de meerdere kosten van een orthodontische behandeling in geval van zeer bijzondere en uitzonderlijke omstandigheden ook vanuit de basisverzekering kunnen worden vergoed.

In dat geval heeft het college ook geen rol. Het standpunt van eisers 3.7. In 2022 is de behandeling van het gebit van de dochter van eisers ingezet en heeft zij een beugel gekregen. Omdat het volgens de orthodontist noodzakelijk was dat de behandeling langer werd voortgezet dan in eerste instantie begroot leidde dit tot een hogere rekening dan de offerte. Eisers hebben zich aanvullend verzekerd en daarom van Menzis een bedrag van € 2000,00 gekregen. Voor het restant van de rekening doen zij een beroep op bijzondere bijstand. Volgens eisers is er sprake is van een dringende reden om tot vergoeding over te gaan.

In recente rechtspraak is het begrip dringende reden immers verruimden is hiervan ook sprake als het niet verlenen van bijstand kan leiden tot ernstige gevolgen voor de gezondheid. Die situatie is aan de orde. Volgens eisers heeft het college een rol in de situatie waarin de zorgverzekering tekort schiet. Als eisers niet hadden gekozen voor de behandeling had hun dochter een vervormd gebit kunnen krijgen, wat op termijn zou hebben kunnen leiden tot problemen met de spraak en/of het vermalen van voedsel. Zij hebben geen verklaring van de orthodontist om dit te ondersteunen, omdat het college hen hier niet om heeft gevraagd.

Vanwege de stijging van de kosten voor levensonderhoud is het voor eisers niet mogelijk geweest om voor de behandeling te sparen of geld te lenen. Inmiddels is de behandeling afgerond en betalen eisers de rekening van de orthodontist in termijnen af. De overwegingen Voorliggende voorziening 4.1 Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, voor de belanghebbende toereikend en passend wordt geacht. Dit staat in artikel 15, eerste lid van de PW. In de regelgeving op het punt van de gezondheidszorg is een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het wel of niet vergoeden van kosten van tandheelkundige behandelingen.

Hier moet voor de bijstandsverlening bij worden aangesloten. Dit geldt ook als de kosten vanuit de Zvw niet volledig worden vergoed, zoals in de situatie van eisers. Dit hangt samen met het uitgangspunt dat het stelsel van de voorliggende voorzieningen, waarin bewuste keuzes zijn gemaakt, niet moet worden doorkruist door alsnog bijstand te verlenen. Het voorgaande betekent dat artikel 15 van de PW in de situatie van eisers in de weg staat aan vergoeding van de extra kosten van orthodontie. Zeer dringende redenen 4.2. Het college kan aan een persoon die op grond van artikel 15, eerste lid, van de PW geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken.

Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid, van de PW. Eisers vinden dat de recente lijn van de CRvB maakt dat hun situatie als een dergelijke ‘zeer dringende reden’ kan worden aangemerkt. 4.3. De CRvB heeft de lijn veranderd over het begrip ‘acute noodsituatie’ als zeer dringende redenen voor bijstandverlening. Bij de beoordeling of een acute noodsituatie zich voordoet moet worden meegewogen of het niet verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. Daarbij is verder van belang dat de wetgever bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ heeft gedacht aan een extreme situatie en nadrukkelijk niet heeft beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden.

Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat aan die voorwaarde is voldaan. 4.4. Eisers hebben benadrukt dat de beugel om functionele redenen is aangemeten en de problemen beschreven die op termijn hadden kunnen ontstaan als behandeling zou zijn uitgebleven. Zij hebben echter niet met objectieve gegevens onderbouwd dat het achterwege laten van de behandeling een acute noodsituatie voor de gezondheid van hun dochter zou hebben opgeleverd.

Het bestaan van een dringende reden is dan ook niet aannemelijk gemaakt. Dat eisers naar hun zeggen werden overvallen door de kosten van de beugel en niet hebben kunnen sparen maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Zij hebben immers wel een afbetalingsregeling met de orthodontist kunnen treffen. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Het college heeft de aanvraag terecht afgewezen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgen zij geen vergoeding van de proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Eisers verwijzen naar de uitspraak van de CRvB van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:554 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2313 CRvB 13 juni 2023 ECLI:NL:CRVB:2023:985