Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBOVE:2026:3100 ECLI:NL:RBOVE:2026:3100 AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2026:3100 · Rechtbank Overijssel

Case Number ECLI:NL:RBOVE:2026:3100
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK OVERIJSSEL Strafrecht Zittingsplaats Almelo parketnummer : 08-005504-23 raadkamernummer : 26-014140 Uitspraak van de politierechter op het bezwaar op grond van artikel 6:3:3 en artikel 6:6:23 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [veroordeelde], geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats], wonende op het adres [woonplaats], bijgestaan door mr. M.A. Dijk, advocaat te Amsterdam, hierna te noemen: de veroordeelde.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:6:23 van het Wetboek van Strafvordering; ECLI:NL:RBOVE:2026:3100 · Rechtbank Overijssel: De politierechter verklaart veroordeelde niet-ontvankelijk in het bezwaarschrift. Deze beslissing is genomen door mr. B.W.M. Hendriks politierechter, in tegenwoordigheid van mr. I.T.H. Praster, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.

Keywords

AI generated
untimely restitution petition late objection to debt enforcement delay in criminal prosecution statute of limitations bar duration of insurance entitlement time limits for seeking redress

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:6:23 van het Wetboek van Strafvordering
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK OVERIJSSEL Strafrecht Zittingsplaats Almelo parketnummer : 08-005504-23 raadkamernummer : 26-014140 Uitspraak van de politierechter op het bezwaar op grond van artikel 6:3:3 en artikel 6:6:23 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [veroordeelde], geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats], wonende op het adres [woonplaats], bijgestaan door mr. M.A. Dijk, advocaat te Amsterdam, hierna te noemen: de veroordeelde.

1Het verloop van de procedure

Op 25 maart 2025 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging van 38 dagen vervangende hechtenis bevolen, omdat veroordeelde de taakstraf niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft verricht. De kennisgeving daarvan, met originele verzenddatum 25 maart 2025, is op 7 mei 2025 aan een veroordeelde uitgereikt. Hiertegen is op 22 mei 2025 op de griffie van de rechtbank een bezwaarschrift ontvangen. Dit bezwaarschrift is op 2 juli 2025 ongegrond verklaard. Op 13 mei 2026 heeft de raadsvrouw namens veroordeelde opnieuw een bezwaarschrift ingediend bij de griffie van de rechtbank. Het bezwaarschrift van 13 mei 2026 is behandeld op de openbare terechtzitting van 3 juni 2026. Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. G.J. Jansen, de veroordeelde en zijn raadsvrouw gehoord. De politierechter heeft kennisgenomen van de door de officier van justitie overgelegde relevante stukken met betrekking tot de strafzaak waarin de taakstraf is opgelegd en de stukken die betrekking hebben op de omzetting van de taakstraf in vervangende hechtenis waartegen het bezwaarschrift is gericht.

2De ontvankelijkheid

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in het bezwaarschrift. De politierechter is van oordeel dat veroordeelde niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar. Ingevolge artikel 6:6:23, eerste lid, Sv kan een veroordeelde tegen de omzetting van de niet verrichte uren taakstraf in vervangende hechtenis binnen veertien dagen na betekening van de kennisgeving daarvan, een bezwaarschrift indienen. Dat heeft veroordeelde al gedaan in 2025 en dat bezwaarschrift is op 2 juli 2025 ongegrond verklaard. Tegen de beslissing van de politierechter tot ongegrondverklaring staat geen rechtsmiddel open zodat deze beslissing op 2 juli 2025 onherroepelijk is geworden. Dat betekent dat veroordeelde de openstaande 38 dagen vervangende hechtenis moet uitzitten.

3De beslissing

De politierechter verklaart veroordeelde niet-ontvankelijk in het bezwaarschrift. Deze beslissing is genomen door mr. B.W.M. Hendriks politierechter, in tegenwoordigheid van mr. I.T.H. Praster, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.