Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBOVE:2026:211 ECLI:NL:RBOVE:2026:211 AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2026:211 · Rechtbank Overijssel

Case Number ECLI:NL:RBOVE:2026:211
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK OVERIJSSEL Bestuursrecht zaaknummers: ZWO 25/3219 en 25/3220 uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats 1] , verzoeker/eiser, en het college van burgemeester en wethouders van Enschede Als derde- partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] te [woonplaats 2] . Samenvatting 1. Het college heeft aan [eiser] een last onder dwangsom opgelegd die inhoudt dat [eiser] moet stoppen met het gebruik van het pand aan de [adres 1] als woonruimte en kantoor.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2026:211 · Rechtbank Overijssel: Het pand heeft ingevolge dit omgevingsplan de bestemming ‘Bedrijventerrein’ en de functie-aanduiding ‘Bedrijf tot en met categorie 3.1’. Op grond van artikel 5.1.1 onder a van het omgevingsplan zijn ter plaatse – kort gezegd – bedrijven van milieu-categorie 1, 2 of 3.1, met de daarbij behorende voorzieningen, toegestaan. Bewoning en kantoor vallen daar niet onder. (b) de oorspronkelijke vergunningverlening 3.9 Vaststaat dat voor de bouw van het pand in 1958 een vergunning is verleend waarmee gebruik als woning oorspronkelijk was toegestaan.

Keywords

AI generated
offence committed within a business restrictions having an anticompetitive object mortgage borrowing limit misuse of a telecommunications installation deprivation of existing use prohibition of excessive immissions

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:4439
201806108/1/A1. Datum uitspraak: 24 december 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend te Den Haag, 2. De Haagsche Brood Winkels B.V. en De Haagsche Bakkerij B.V., beide gevestigd te Den Haag en gezamenlijk handelend onder de naam [bakkerij] (hierna samen en in enkelvoud: [bakkerij]), appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juni 2018 in zaak nr. 17/3994 in het geding tussen: [appellant sub 1] en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Procesverloop Bij besluit van 30 september 2016 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de panden aan de [locatie A] te Den Haag als brood- en banketbakkerij afgewezen. Bij besluit van 27 februari 2017 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 30 september 2016 herroepen en [bakkerij] onder aanzegging van een dwangsom gelast om de met het bestemmingsplan strijdige activiteiten bestaande uit het (af)bakken van brood en banket te staken. Bij besluit van 21 april 2017 heeft het college het besluit van 27 februari 2017 ingetrokken en het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 alsnog ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 21 april 2017 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld. [bakkerij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft een zienswijze en nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2019, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. M.C. Veltkamp-van Paassen, advocaat te Den Haag, [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Amerongen, zijn verschenen. Voorts is [bakkerij], vertegenwoordigd door mr. D. Korsse, advocaat te Den Haag, [gemachtigden], verschenen. De Afdeling heeft aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en heeft partijen om nadere inlichtingen gevraagd. [appellant sub 1], [bakkerij] en het college hebben een schriftelijke reactie gegeven. [appellant sub 1] en [bakkerij] hebben daarna gereageerd op de stukken van de andere partijen. Partijen hebben ingestemd met het achterwege laten van het houden van een nadere zitting. Daarop heeft de Afdeling het onderzoek gesloten. Overwegingen Inleiding 1. [bakkerij] exploiteert een brood- en banketbakkerij en een bakkerswinkel aan de [locatie A] in Den Haag. [appellant sub 1] woont aan de [locatie B] en heeft het college op 28 juni 2016 verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van de panden als bakkerij, omdat hij daarvan nadelige gevolgen ondervindt en dit gebruik volgens hem in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingplan. Het handhavingsverzoek heeft geen betrekking op de bakkerswinkel. Het college heeft zich bij het besluit van 30 september 2016 op het standpunt gesteld dat het onbevoegd is om handhavend op te treden, omdat een overtreding zich volgens hem niet heeft voorgedaan. Het gebruik als bakkerij is toegestaan ingevolge de in het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" opgenomen gebruiksovergangsbepaling, aldus het college. Na dit besluit is, op 29 december 2016, het bestemmingsplan "Vogelwijk" in werking getreden. Vast staat dat gebruik als bakkerij van de panden [locatie A] in strijd is met de bestemming "Gemengd" die aan de gronden in dit bestemmingsplan is toegekend. Het college heeft bij besluit op bezwaar van 27 februari 2017 het besluit van 30 september 2016 herroepen en heeft een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat [bakkerij] de met het bestemmingsplan "Vogelwijk" strijdige productieactiviteiten moet beëindigen. [bakkerij] heeft hiertegen beroep bij de rechtbank ingesteld. Hangende het beroep bij de rechtbank heeft het college bij het besluit van 21 april 2017 het besluit van 27 februari 2017 ingetrokken en het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 alsnog ongegrond verklaard, omdat is gebleken dat voor de bakkerij in het verleden bouwvergunningen zijn verleend, zodat het gebruik als bakkerij is vergund en het bestaande gebruik onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Vogelwijk" valt. [bakkerij] heeft hierop het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 27 februari 2017 ingetrokken. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik als bakkerij wordt beschermd door het overgangsrecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat het huidige gebruik van de panden aan de [locatie A] reeds ten tijde van de peildatum van 16 januari 1997 plaatsvond. Volgens de rechtbank kan niet worden gezegd dat dit gebruik niet onafgebroken is voortgezet of dat dit is vergroot ten opzichte van het gebruik op de peildatum. Relevante wettelijke bepalingen 2. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. Het hoger beroep van [appellant sub 1] 3. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [bakkerij] geen beroep kan doen op de beschermende werking van het overgangsrecht. [appellant sub 1] voert aan dat het gebruik als bakkerij sinds 16 januari 1997 niet steeds ongewijzigd is voortgezet. Het gebruik als bakkerij is in de periode tussen 2001 en 2015 onderbroken geweest, in ieder geval wat het pand [locatie A-1] betreft, zo stelt hij. Hij wijst erop dat in die periode aan de Badhuisstraat een centrale bakkerij voor de broodproductie werd geëxploiteerd. Het pand [locatie A-1] zou verder nagenoeg gedurende heel het jaar 2015 zijn gebruikt voor horeca. Ook is het gebruik door een faillissement eind 2015 tijdelijk gestaakt, zo stelt hij. De rechtbank heeft volgens [appellant sub 1] ook miskend dat het gebruik in de loop der jaren is geïntensiveerd, waardoor de afwijking van het geldende bestemmingsplan is vergroot. De rechtbank heeft volgens [appellant sub 1] miskend dat de omvang van het gebruik aanzienlijk is toegenomen. Door de intensivering van het gebruik van de panden zijn de (vrachtwagen)verkeers- bewegingen van en naar de bakkerij toegenomen en wordt er meer geladen en gelost en is de geluid- en geurhinder voor omwonenden aanzienlijk toegenomen, aldus [appellant sub 1]. Met name na de doorstart na het faillissement wordt door omwonenden aanzienlijk meer overlast van de bakkerij ondervonden dan voor die datum, aldus [appellant sub 1]. Volgens hem is het pand [locatie A-1] pas vanaf 2015 in gebruik genomen als bakkerij. Hij voert verder aan dat het aantal winkels waarvoor producten worden gebakken, is toegenomen. Hij wijst er verder nog op dat het bakken van zogenoemd ‘grootbrood’, te weten halve of hele broden, dat eerder ter plaatse was gestaakt, meer hinder voor de omgeving veroorzaakt dan het bakken van banket. 3.1. Bij de beoordeling of het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] ten tijde van het besluit op bezwaar van 21 april 2017 is toegestaan, is uitsluitend het bestemmingsplan "Vogelwijk", zoals dat is vastgesteld en in werking getreden, van betekenis. Aan de door [bakkerij] gestelde omstandigheid dat de raad in het bestemmingsplan "Vogelwijk" aan de percelen [locatie A] abusievelijk, wat daar verder ook van zij, een bestemming heeft toegekend die het gebruik als bakkerij niet toestaat, komt geen betekenis toe. Verder komt aan de in 1946, 1976, 1977, 1986 en 2001 verleende bouwvergunningen, voor zover die al zouden zijn verleend ten behoeve van een gebruik als bakkerij, geen zelfstandige betekenis toe na inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime. Het is primair aan de raad van een gemeente om te bepalen welk gebruik op een perceel is toegestaan. De raad van een gemeente heeft de mogelijkheid om ander gebruik dan bestaand legaal gebruik toe te staan op gronden indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang daarbij zwaarder weegt dan gevestigde rechten en belangen. [1] Hiermee verdraagt zich niet dat aan door het college verleende bouwvergunningen wat betreft gebruik zelfstandige betekenis toekomt na inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime. (Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC5236). Voor zover [bakkerij] heeft gesteld dat het gebruik als bakkerij van de panden is toegestaan op grond van een in 2018 verleende omgevingsvergunning, stelt de Afdeling vast dat die vergunning uitsluitend ziet op het op het dak aanbrengen van een zilveren kast met een oppervlakte van minder dan 1 m2. Aan de omstandigheid dat op de bouwtekening op de begane grond van het pand [locatie A-2] twee keer ‘bakkerij’ is vermeld, kan niet worden afgeleid dat ook voor het gebruik als bakkerij van de begane grond een omgevingsvergunning is aangevraagd en is verleend. Het bouwplan betreft immers niet de begane grond. Dat op de bouwtekening expliciet is vermeld dat [locatie A-1] en de eerste verdieping van de [locatie A-2] niet behoren tot de aanvraag, maakt niet dat toch moet worden geoordeeld dat het gebruik van de begane grond onderdeel uitmaakt van de aanvraag. 3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, dient degene die een beroep doet op het overgangsrecht, in dit geval het college, aan de hand van concrete en objectieve gegevens aannemelijk te maken dat het overgangsrecht inderdaad van toepassing is. 3.3. In artikel 27, tweede lid, onder 1, van de planregels van het bestemmingsplan "Vogelwijk" is bepaald dat gebruik dat in strijd is met de bestemming, is toegestaan, indien het bestond ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is op 29 december 2016 in werking getreden. Tussen partijen is niet in geschil dat op dat moment de percelen [locatie A] als bakkerij werden gebruikt. Verder is niet in geschil dat het gebruik van de percelen ten tijde van het besluit op bezwaar van 21 april 2017 niet afwijkt van dat op genoemde peildatum. Artikel 27, tweede lid, onder 4, heeft tot gevolg dat bestaand gebruik dat in strijd was met het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" niet onder het overgangsrecht valt. Dit betekent dat bestaand gebruik dat in strijd was met de in het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" aan gronden toegekende bestemming, maar op grond van de overgangsbepaling van dat bestemmingsplan was toegestaan, ook onder de reikwijdte van artikel 27, tweede lid, onder 1, van het bestemmingsplan "Vogelwijk" valt. Omdat het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] ook in strijd was met de ingevolge het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" op de percelen rustende bestemming "Gemengde doeleinden", is de in dit bestemmingsplan opgenomen gebruiksovergangsbepaling van belang. In artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" is bepaald dat bestaand gebruik dat in strijd is met het plan, mag worden voortgezet of worden gewijzigd in een ander gebruik, indien door deze wijziging de afwijking van het plan niet wordt vergroot. Om te beoordelen of het gebruik als bakkerij valt onder de beschermende werking van het overgangsrecht, neergelegd in artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996", moet worden bepaald wat het bestaande gebruik was op het tijdstip van het van kracht worden van dat bestemmingsplan. Het maakt, gezien de inhoud van artikel 27, tweede lid, onder 4, anders dan bij het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Vogelwijk", geen verschil of dat bestaande gebruik al dan niet was toegestaan op grond van de vóór het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" geldende planologische regelingen. 3.4. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" op 16 januari 1997 van kracht is geworden. Voor de vraag wat het bestaande gebruik was op deze peildatum is de feitelijke situatie bepalend. Het college heeft ervan mogen uitgaan dat vóór die datum verleende bouwvergunningen en het gebruik dat daaruit voortvloeit, voor het feitelijke gebruik een aanwijzing kunnen vormen. Tussen partijen is niet in geschil dat het pand [locatie A-2] op de peildatum van het vorige bestemmingsplan werd gebruikt als bakkerij. De Afdeling gaat daarvan ook uit. De Afdeling begrijpt de stelling van [appellant sub 1] dat het pand [locatie A-1] tot 2015 als magazijn werd gebruikt aldus dat hij betwist dat dat pand op de peildatum werd gebruikt als bakkerij. Bij besluit van 2 oktober 1986 heeft het college aan een rechtsvoorganger van [bakkerij] een bouwvergunning verleend voor verbouwing van de panden [locatie A]. Er is vergunning verleend om onder meer de winkel en bakkerij [locatie A-2] en de winkel [locatie A-1] te veranderen en vergroten tot een winkel met bakkerij en magazijn. Uit de bouwtekening blijkt dat de muur tussen de panden op [locatie A] wordt opengebroken, waardoor de begane grond van het pand [locatie A-1] bij de productieruimte van de bakkerij op [locatie A-2] wordt getrokken. In het pand [locatie A-1] is verder op de bouwtekening een rijskast ingetekend. Nog daargelaten dat ook een magazijn het gebruik als bakkerij kan betreffen, heeft de rechtbank, gelet op wat hiervoor staat, terecht overwogen dat met de vergunning het gebruik als bakkerij van het pand [locatie A-1] is toegestaan. Uit een proces-verbaal van opname blijkt dat op 6 januari 1986 is geconstateerd dat de wijzigingen hebben plaatsgevonden overeenkomstig de verleende bouwvergunning. Gelet hierop is aannemelijk dat het gebruik als bakkerij ten behoeve waarvan is gebouwd, zich toen voordeed. Nu niet in geschil is dat dat gebruik tot aan de peildatum is voortgezet, heeft de rechtbank terecht overwogen dat aannemelijk is gemaakt dat gebruik als bakkerij van de panden [locatie A] op de peildatum 16 januari 1997 plaatsvond. Het betoog faalt in zoverre. 3.5. Over de vraag of het gebruik als bakkerij sinds 16 januari 1997 ononderbroken is voortgezet, overweegt de Afdeling dat een onderbreking van het gebruik gedurende een periode van enige betekenis aan voortzetting van dat gebruik onder het overgangsrecht in de weg kan staan, waarbij de oorzaak van de onderbreking mede van betekenis is. De rechtsvoorganger van [bakkerij] die destijds de bakkerij en winkel exploiteerde, is op 3 november 2015 failliet gegaan. Als gevolg van het faillissement hebben de werkzaamheden van de bakkerij vanaf die datum tot 19 december 2015 stilgelegen. Op 6 november 2015 werd duidelijk dat de bedrijfsactiviteiten zouden worden voortgezet, zo komt uit de stukken naar voren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het faillissement, gelet op de korte periode waarin geen werkzaamheden hebben plaatsgevonden en de voorgenomen doorstart van de bedrijfsactiviteiten, er niet toe heeft geleid dat het gebruik als bakkerij voor de toepassing van het overgangsrecht als onderbroken moet worden aangemerkt. Het betoog faalt in zoverre. 3.6. [appellant sub 1] heeft over de door hem gestelde onderbreking van het gebruik als bakkerij tussen 2008 en 2015 aangevoerd dat in die periode elders in Den Haag een bakkerij werd geëxploiteerd. Ter onderbouwing van dit betoog heeft hij onder meer gewezen op krantenartikelen uit die periode en een passage in het boek "Een Haagse oase aan Zee" van november 2008, waarin staat dat er geen brood meer wordt gebakken aan de Mezenlaan. Vast staat dat in de door [appellant sub 1] genoemde periode een bakkerij aan de Badhuisstraat in Den Haag werd geëxploiteerd. De omstandigheid dat elders een bakkerij werd geëxploiteerd, betekent echter nog niet dat in de panden aan de [locatie A] geen bakkerij-activiteiten werden uitgeoefend. Niet in geschil is dat op de [locatie A-2] in die periode in ieder geval banket werd geproduceerd. Anders dan waarvan [appellant sub 1] uitgaat, is het bakken van banket ook te beschouwen als gebruik als bakkerij. De gestelde omstandigheid dat ter plaatse geen grootbrood werd gebakken, leidt dan ook niet tot het oordeel dat het gebruik als bakkerij was onderbroken. [appellant sub 1] heeft gesteld dat het gebruik als bakkerij van het perceel [locatie A-1] in 2015 gedurende enige tijd is gestaakt, omdat (een gedeelte van) dat pand zou zijn gebruikt als lunchroom en als ruimte voor het houden van verjaardagsfeestjes en workshops. Deze stelling, wat daar verder ook van zij, leidt evenmin tot de conclusie dat het gebruik als bakkerij onderbroken is geweest. De panden [locatie A] staan vanaf het moment dat ter uitvoering van de in 1986 verleende bouwvergunning een deel van de muur tussen deze panden is verwijderd, immers met elkaar in verbinding en het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] dient, mede gelet op de inhoud van die vergunning, vanaf dat moment als één geheel te worden beschouwd. Nu niet in geschil is dat steeds banket werd gebakken aan de Mezenlaan, is de rechtbank terecht ervan uitgegaan dat het gebruik als bakkerij ononderbroken is voortgezet. Het betoog faalt in zoverre. 3.7. Wat betreft de door [appellant sub 1] gestelde intensivering van het gebruik als bakkerij overweegt de Afdeling dat gebruik dat op de peildatum bestaat, onder de beschermende werking van artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" mag worden voortgezet. Het gebruik mag worden gewijzigd, zolang de afwijking van het geldende plan niet wordt vergroot. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 19 december 2001 (ECLI:NL:RVS:2001:AD8891) moet een intensivering van het gebruik als een verandering daarvan worden aangemerkt. Vergelijk voorts de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA2682), waarin de Afdeling heeft overwogen dat intensivering van het gebruik een vergroting van de afwijking van het bestemmingsplan naar de aard meebrengt. Voor de toepassing van artikel 18, tweede lid, van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" gaat het erom of het gebruik op de datum van van krachtwording van dat bestemmingsplan nadien niet is geïntensiveerd. Het gebruik op die datum moet worden vergeleken met het gebruik dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingplan "Vogelwijk". 3.8. Een geslaagd beroep op het in artikel 18, tweede lid, neergelegde overgangsrecht (en daarmee op artikel 27, tweede lid, onder 1, van het bestemmingsplan "Vogelwijk") kan worden gedaan, indien aannemelijk wordt gemaakt dat het strijdig gebruik, na eerdere intensivering daarvan, is teruggebracht naar het gebruik zoals dat bestond op de peildatum en waarvan de aard niet is veranderd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ2631). Voor zover [bakkerij] heeft gesteld dat het gebruik niet is geïntensiveerd reeds omdat de bakkerij-activiteiten steeds tot dezelfde categorie bedrijven van de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering" hebben behoord, wordt overwogen dat daaraan, wat daar ook van zij, geen betekenis toekomt, aangezien de feitelijke ruimtelijke gevolgen bepalend zijn voor de toepassing van het overgangsrecht. Bij het besluit op bezwaar van 21 april 2017 heeft het college niet gemotiveerd waarom het zich op het standpunt stelt dat het gebruik als bakkerij in ruimtelijk relevant opzicht gelijk is gebleven. Zoals hiervoor is overwogen, hoeft een enkele intensivering van het gebruik niet aan een geslaagd beroep op het gebruiksovergangsrecht in de weg te staan als het gebruik op de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Vogelwijk" in ruimtelijk opzicht gelijk is aan dat van het gebruik op de peildatum. Niet is gebleken dat het college heeft onderzocht wat op die data de omvang van het gebruik en de ruimtelijke uitstraling daarvan waren. [bakkerij] heeft te kennen gegeven dat tussen 1997 en 2015 jaarlijks ongeveer 4.000 à 5.000 kg aan grondstoffen in de bakkerij is verwerkt. Naar zij stelt, werkten er tussen 2000 en 2015 steeds vier tot vijf bakkers op de Mezenlaan en werd er gebakken voor acht winkels, vijftien horecazaken en enkele hotels in Den Haag. Na het faillissement van haar rechtsvoorganger is vanaf december 2015 nog maar voor drie winkels en een restaurant gebakken, aldus [bakkerij]. [bakkerij] heeft ter zitting te kennen gegeven dat er nog stukken ter ondersteuning van haar stellingen bij de curator liggen vanwege de afwikkeling van het faillissement. De door [bakkerij] wel in de procedure ingebrachte stukken bevatten informatie over een levering van producten en vrachtwagenbewegingen, maar betreffen slechts de jaren 2013-2015. Deze stukken geven dan ook, anders dan waarvan de rechtbank lijkt te zijn uitgegaan, geen informatie over de omvang van het gebruik als bakkerij op de van belang zijnde data. Aan de door [bakkerij] gedane stellingen over de omvang van het gebruik komt niet de betekenis toe die zij daaraan toegekend wil zien, omdat deze stellingen niet met verifieerbare gegevens zijn onderbouwd. Daarbij is mede van belang dat er aanwijzingen zijn dat het gebruik mogelijk wel is geïntensiveerd. Het college heeft in 2018 aan [bakkerij] een omgevingsvergunning verleend, waarin staat dat de bakkerij in de afgelopen jaren gestaag is gegroeid in zijn activiteiten. Dit komt overeen met de strekking van de door [appellant sub 1] overgelegde schriftelijke verklaringen van omwonenden, waarin deze stellen dat de hinder van de activiteiten ter plaatse is toegenomen. Gelet op het vorenstaande heeft het college in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), ontoereikend gemotiveerd dat dat gebruik als bakkerij onder het overgangsrecht valt. Het college heeft bij de voorbereiding van zijn besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. 4. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [bakkerij] 5. [bakkerij] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het beroep van [appellant sub 1] gegrond is. Zij betoogt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak een verkeerde peildatum heeft gehanteerd voor de toepassing van het overgangsrecht. Niet de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996", te weten 16 januari 1997, is daarvoor bepalend, maar alleen de datum van inwerkingtreding van het geldende bestemmingsplan "Vogelwijk". Daartoe voert zij aan dat na deze datum een bouwvergunning voor de bakkerij is verleend, namelijk op 27 juli 2001, en haar in verband hiermee niet de strijdigheid van het gebruik met de bestemming kan worden tegengeworpen. Zij verwijst ter onderbouwing van haar betoog naar de uitspraak van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:203. 5.1. Zoals onder 3.3 is overwogen, is de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996", 16 januari 1997, van betekenis voor de vraag of een beroep kan worden gedaan op het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan "Vogelwijk". Zoals onder 3.1 is overwogen, komt aan de in 2001 verleende bouwvergunning geen zelfstandige betekenis toe. De uitspraak van 24 januari 2018, waarop [bakkerij] heeft gewezen, ziet op een andere kwestie dan hier aan de orde. In die uitspraak ging het om de vaststelling van een bestemmingsplan, waarbij de raad van een gemeente een perceel niet had bestemd overeenkomstig het bestaande gebruik waarvoor een vergunning was verleend, terwijl in beginsel dergelijk gebruik als zodanig in het bestemmingsplan dient te worden bestemd. De vraag of in het bestemmingsplan "Vogelwijk" aan het perceel de juiste bestemming is gegeven, had destijds in de procedure over de vaststelling van dat bestemmingsplan kunnen worden opgeworpen en ligt nu niet ter beoordeling voor. Het betoog faalt. 6. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [bakkerij] is ongegrond. Conclusie 7. Zoals hiervoor is overwogen, is het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond en is het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [bakkerij] ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 21 april 2017 alsnog gegrond verklaren. De Afdeling ziet aanleiding het besluit op bezwaar van 21 april 2017 te vernietigen slechts voor zover daarbij het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 ongegrond is verklaard. Dit betekent dat het besluit van 21 april 2017 in stand blijft voor zover daarbij het besluit op bezwaar van 27 februari 2017 is ingetrokken. Door het besluit in zoverre in stand te laten, wordt voorkomen dat het ingetrokken besluit op bezwaar van 27 februari 2017, waarbij aan [bakkerij] een last onder dwangsom is opgelegd, herleeft zonder dat [bakkerij] daartegen nog een rechtsmiddel kan aanwenden. 7.1. Het college dient, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016. Daarbij dient het college te onderzoeken of het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] op 29 december 2016, de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Vogelwijk" ten opzichte van het gebruik op de peildatum 16 januari 1997 al dan niet is geïntensiveerd. Bij de beantwoording van de vraag of het gebruik is geïntensiveerd, moet worden beoordeeld of de ruimtelijke uitstraling van het gebruik al dan niet zodanig is gewijzigd dat de afwijking van het bestemmingsplan is vergroot. Het college dient zijn nieuwe besluit op bezwaar te voorzien van een toereikende motivering. 7.2. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. Proceskosten 8. Het college wordt op na te melden wijze veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 1]. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond; II. verklaart het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van De Haagsche Brood Winkels B.V. en De Haagsche Bakkerij B.V. ongegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juni 2018 in zaak nr. 17/3994; IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 21 april 2017, kenmerk B.2.16.2909.001, voor zover daarbij het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard; VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.560,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht tot een bedrag van € 506,00 (zegge: vijfhonderdzes euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier. w.g. Scholten-Hinloopen voorzitter De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2019 163-687. BIJLAGE Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, luidt: "Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]." Bestemmingsplan "Vogelwijk" Artikel 3, eerste lid, luidt: "De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. bed & breakfast; uitsluitend op de begane grondlaag: c. dienstverlening; d. maatschappelijk; en ter plaatse van de functieaanduiding en uitsluitend op de begane grond: e. "detailhandel" (dh) tevens voor detailhandel; f. "atelier" (atl) tevens voor een atelier; één en ander zoals nader bepaald in artikel 3.3 en met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen, gebouwde en ongebouwde parkeervoorzieningen, groen, water en overige voorzieningen." Artikel 27, tweede lid, luidt: "1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het tweede lid onder 1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; 3. Indien het gebruik, bedoeld in het tweede lid onder 1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; 4. Het tweede lid onder 1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan;" Bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" Artikel 6, eerste lid, luidt: "Aan de gronden, welke blijkens de plankaart als zodanig zijn bestemd, zijn de volgende doeleinden toegekend: - woondoeleinden met bijbehorende voorzieningen; - detailhandel, aan detailhandel verwant dienstverlening in publiekgerichte dienstverlening op administratief, medisch, juridisch, therapeutisch of kosmetisch gebied, uitsluitend op de begane grondlaag. […]." Artikel 18, tweede lid, luidt: "Op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestaand gebruik van de in het plan begrepen gronden en/of daarop staande opstallen, dat in strijd is met het plan, mag worden voortgezet of worden gewijzigd in een ander gebruik, indien door deze wijziging de afwijking van het plan niet wordt vergroot." ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ [1] Dit kan wanneer zicht bestaat op beëindiging van het gebruik binnen de planperiode. Met het toestaan van ander gebruik wordt het bestaande gebruik onder het overgangsrecht gebracht. Dat heeft naar zijn aard een tijdelijk karakter.
ECLI:NL:RVS:2025:1036
202300268/1/R3. Datum uitspraak: 12 maart 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Vriezenveen, gemeente Twenterand appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 december 2022 in zaak nr. 21/1937 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Twenterand. Procesverloop Bij besluit van 8 december 2020 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om de illegale bewoning door buitenlandse werknemers op het perceel gelegen aan de [locatie 1] te Vriezenveen te staken en gestaakt te houden.
ECLI:NL:RVS:2025:678
202206610/1/R2. Datum uitspraak: 5 maart 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Bergen op Zoom, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 oktober 2022 in zaak nr. 22/317 in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B] en het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom. Procesverloop Bij besluit van 7 juni 2021 heeft het college [appellant A] en [appellant B] gelast de overtredingen op het perceel Schansbaan (ongenummerd), kadastraal bekend BGN01 L 80 G 0 te Bergen op Zoom (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden, onder oplegging van een dwangsom.
ECLI:NL:RVS:2022:285
de burgemeester van Harderwijk, 2.
ECLI:NL:RVS:2022:1007
202103322/1/R1. Datum uitspraak: 6 april 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-­Holland van 14 april 2021 in zaak nrs. 20/6735 en 20/6736 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer. Procesverloop Bij besluit van 26 juni 2020 heeft het college [appellant] gelast onder oplegging van een dwangsom de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna:
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK OVERIJSSEL Bestuursrecht zaaknummers: ZWO 25/3219 en 25/3220 uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats 1] , verzoeker/eiser, en het college van burgemeester en wethouders van Enschede Als derde- partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] te [woonplaats 2] . Samenvatting 1. Het college heeft aan [eiser] een last onder dwangsom opgelegd die inhoudt dat [eiser] moet stoppen met het gebruik van het pand aan de [adres 1] als woonruimte en kantoor.

Het pand bevindt zich in het havengebied waar zware industrie is gehuisvest. Wonen en het gebruik van een pand als kantoor is daar volgens het college niet toegestaan. [eiser] is het met de last onder dwangsom niet eens. Hij meent dat hij gebruik kan maken van overgangsrecht, zodat gebruik van het pand als woning wel is toegestaan. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. 1.1 De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen en dat het college de last onder dwangsom terecht aan [eiser] heeft opgelegd. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.

Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Feiten en procesverloop 2.1 Eigenaar van het pand aan de [adres 1] is [derde belanghebbende] . Het pand wordt bewoond door [eiser] en [naam 1] , die het pand huren van [derde belanghebbende] . [eiser] gebruikt het pand ook als kantoor voor zijn bedrijven ( [bedrijf 1] en [bedrijf 2] B.V.). 2.2 Bij brief van 11 juli 2025 heeft het college [eiser] op de hoogte gebracht van het voornemen om aan hem een last onder dwangsom op te leggen om het strijdige gebruik en daarmee de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet te beëindigen. 2.3 Bij brief van 17 juli 2025 heeft [eiser] zijn zienswijze gegeven op dat voornemen. 2.4 Met het besluit van 7 maart 2025 heeft het college aan [eiser] een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat hij dient te stoppen met het gebruik van het pand ten behoeve van bewoning en kantoor. [eiser] dient hieraan te voldoen vóór 17 juni 2025.

Indien [eiser] hieraan niet (tijdig) voldoet, verbeurt hij een dwangsom van € 20.000,- per geconstateerde overtreding per 2 maanden, met een maximum van € 80.000,-. 2.5 Met het besluit van 20 mei 2025 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 6 weken na de beslissing op bezwaar. 2.6 Met het bestreden besluit van 21 oktober 2025 op het bezwaar van [eiser] is het college bij zijn besluit gebleven. [eiser] heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.7 Met het besluit van 11 november 2025 heeft het college de last onder dwangsom geschorst tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. 2.8 De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 20 november 2025 op zitting behandeld.

Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , namens het college [naam 2] , en [derde belanghebbende] . 2.9 De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting aangehouden om [eiser] de gelegenheid te geven zijn beroep op het overgangsrecht nader te onderbouwen. [eiser] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en bij brief van 12 december 2025 stukken overgelegd. Het college heeft gereageerd op de overgelegde stukken. Bij brief van 22 december 2025 heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten. Beoordeling Spoedeisend belang 3.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 3.2 De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] een spoedeisend belang heeft. [eiser] beoogt het verbeuren van dwangsom te voorkomen. 3.3 De begunstigingstermijn loopt af op maandag 2 december 2025 en het college is niet bereid om de last onder dwangsom langer op te schorten dan tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. 3.4 De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb meteen op het beroep van [eiser] te beslissen (ook wel ‘kortsluiten’ genoemd).

Bevoegdheid van het college om te handhaven 3.5 Het college is bevoegd om handhavend op te treden indien sprake is van een overtreding. Volgens het college is sprake van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Op grond daarvan is het namelijk verboden om een pand te gebruiken in strijd met het omgevingsplan en zonder een omgevingsvergunning. Het college vindt het illegale gebruik ongewenst omdat het nadelige gevolgen kan hebben voor omliggende bedrijven in het havengebied met zware industrie (opslaan verwerken en vervaardigen van goederen).

Volgens het college moet [eiser] zijn gebruik van het pand staken. Volgens [eiser] is bewoning wel toegestaan, omdat het gaat om een vergunde woning die ook altijd voor bewoning in gebruik is geweest. Daarnaast meent hij dat handhaving niet evenredig is. 3.6 De rechtbank gaat hierna in op de verschillende onderdelen die in dit geschil een rol spelen: (a) de huidige bestemming, (b) de oorspronkelijke vergunningverlening, (c) het overgangsrecht en (d) de evenredigheid. (a) de huidige bestemming 3.7 Niet in geschil is dat gebruik van het pand ten behoeve van wonen en als kantoor in strijd is met de ter plekke geldende bestemming. 3.8 Ter plaatse geldt het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Enschede, voormalig bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’.

Het pand heeft ingevolge dit omgevingsplan de bestemming ‘Bedrijventerrein’ en de functie-aanduiding ‘Bedrijf tot en met categorie 3.1’. Op grond van artikel 5.1.1 onder a van het omgevingsplan zijn ter plaatse – kort gezegd – bedrijven van milieu-categorie 1, 2 of 3.1, met de daarbij behorende voorzieningen, toegestaan. Bewoning en kantoor vallen daar niet onder. (b) de oorspronkelijke vergunningverlening 3.9 Vaststaat dat voor de bouw van het pand in 1958 een vergunning is verleend waarmee gebruik als woning oorspronkelijk was toegestaan.

Op enig moment, het college heeft toegelicht dat dit in 2008 is geweest, is deze bestemming gewijzigd omdat met de inwerkingtreding van een nieuw bestemmingsplan de bestemming wijzigde naar het huidige bedrijventerrein. Voor zover [eiser] stelt dat de gemeenteraad bij het toekennen van de huidige bedrijfsbestemming zonder bedrijfswoning ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het bestaand gebruik, geldt dat het bestemmingsplan geen onderwerp van geschil is en kan zijn in dit geding. De huidige bestemming staat dan ook vast en [eiser] kan in zoverre geen beroep meer doen op de (bouw)vergunning. (c) Overgangsrecht 3.10 [eiser] stelt dat het gewraakte gebruik onder het overgangsrecht valt.

Het pand was volgens hem al bewoond toen [derde belanghebbende] het in 1996 kocht en is sindsdien voortdurend als woning verhuurd en gebruikt. Het college heeft dat ten onrechte niet onderzocht, aldus [eiser] . 3.11 Op zitting heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat het college ten aanzien van illegale bewoning op het bedrijventerrein een uitsterfconstructie hanteert. Bewoners zijn in 2002 en later aangeschreven en in de gelegenheid gesteld om te onderbouwen dat ten tijde van de functiewijziging het betreffende pand bewoond werd en dat de bewoning sindsdien ononderbroken is voortgezet.

Bewoners zouden dan namelijk aanspraak kunnen maken over overgangsrecht en mogen blijven wonen. Volgens de gemachtigde van het college is [eiser] ook aangeschreven. [eiser] stelt dat hij nooit een dergelijke brief heeft ontvangen. 3.12 De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (hierna: de Afdeling) degene die een beroep doet op het overgangsrecht aan de hand van concrete en objectieve gegevens aannemelijk dient te maken dat het overgangsrecht inderdaad van toepassing is. Dat betekent dat [eiser] zijn beroep op het overgangsrecht moet onderbouwen. 3.13 Het college heeft er op de zitting mee ingestemd dat [eiser] de gelegenheid krijgt om zijn beroep op het overgangsrecht te onderbouwen.

Het gaat dan concreet om de periode vanaf de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Havengebied 2002” in september 2008 tot de datum van inschrijving van [eiser] aan de [adres 1] op 11 december 2023 in de Basis registratie personen (Brp). 3.14 De voorzieningenrechter stelt vast dat het college uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar [naam 1] en dat daaruit is gebleken dat [naam 1] sinds 20 april 2015 staat ingeschreven in de Brp op het adres [adres 1] en daar woonachtig is. Verder is gebleken dat er in de periode september 2008 tot 20 april 2015 geen personen stonden ingeschreven op het adres in de Brp. 3.15 Ten bewijze dat het pand in de periode 2008-2015 bewoond is geweest, heeft [eiser] ten eerste verklaringen overgelegd van een tweetal buren. [naam 3] wonende aan de [adres 2] en [naam 4] , wonende aan de [adres 3] .

Zij hebben op 26 november 2025 de volgende verklaring ondertekend: “.. verklaart hierbij dat de woning aan de [adres 1] altijd bij ondergetekende als woonhuis bekend staat en feitelijk bewoond is geweest en dat dit ook sinds 2002 tot op heden ononderbroken het geval is.” 3.16 De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze verklaringen onvoldoende concreet zijn om te kunnen dienen als bewijs. Uit de verklaringen blijkt namelijk niet op grond waarvan de buren tot de conclusie komen dat het pand altijd bewoond is geweest, door wie het pand werd bewoond en gedurende welke periode de buren zelf op de betrokken adressen woonachtig waren. 3.17 Ten tweede heeft [eiser] een verklaring overgelegd van ‘oud huurder’ [naam 5] d.d. 26 november 2025 waarin deze verklaart dat hij de woning aan de [adres 1] heeft gehuurd in de periode 1997 tot en met 2010 en dat de woning in deze gehele periode feitelijk en onafgebroken bewoond is geweest. 3.18 De verklaring van [naam 5] wordt door het college betwist.

Volgens het college heeft [naam 5] nooit zelf in het pand gewoond maar verhuurde hij het weer door en volgt nergens uit dat het pand is verhuurd ten behoeve van bewoning. 3.19 De rechtbank overweegt dat ook als de verklaring van [naam 5] klopt, nog geen onderbouwing is gegeven voor bewoning van het pand in de tussenliggende periode van 2010 tot en met 2015. Ondanks dat dit wel op zitting is besproken, heeft [eiser] – ook niet in samenwerking met [derde belanghebbende] – geen huurovereenkomsten overgelegd en geen overzicht van huurders en huurperioden.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat [eiser] zijn beroep op het gebruiksovergangsrecht onvoldoende heeft onderbouwd. 3.20 Het beroep van [eiser] op het gebruiksovergangsrecht slaagt daarom niet. Het college was dan ook in beginsel bevoegd om handhavend op te treden. (d) Evenredigheidstoets 3.21 Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 5 maart 2025 heeft overwogen, geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van de bevoegdheid om handhavend op te treden. Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is.

Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisering, of bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. 3.22 Niet in geschil is dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie.

Er is geen sprake van een verleende omgevingsvergunning of aanvraag daartoe en het college heeft toegelicht dat hij daar ook niet aan wil meewerken omdat het bewoning in het havengebied niet wenselijk acht. 3.23 [eiser] heeft wel een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Volgens hem wordt op andere plekken in het havengebied wel gewoond en niet handhavend opgetreden. Het college heeft dit betoog op zitting betwist en toegelicht dat alleen in situaties waar een gegrond beroep kon worden gedaan op het gebruiksovergangsrecht niet handhavend wordt opgetreden tegen bewoning. [eiser] heeft dit niet meer weersproken en zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet nader onderbouwd, zodat zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. 3.24 [eiser] heeft ook een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel en betoogt dat omdat [naam 1] en hij zich konden inschrijven op het pand, daarmee het vertrouwen is gewekt dat bewoning was toegestaan.

Ook heeft het pand in de BAG-registratie een woonfunctie en heeft het college door (jarenlang) geen enkel signaal te geven dat bewoning onrechtmatig zou zijn, de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat het gebruik als woning was toegestaan, aldus [eiser] . De rechtbank volgt dit betoog niet, omdat vaste rechtspraak van de Afdeling is dat acceptatie van een inschrijving in de basisadministratie niet kan worden opgevat als een toestemming om het gebouw in strijd met het omgevingsplan te mogen bewonen; uit de omstandigheid dat in de BAG het pand als woning geregistreerd staat, heeft [eiser] niet kunnen afleiden dat hij niet (meer) aan de regelgeving van de Omgevingswet moest voldoen; en ook stilzitten van het college kan geen gerechtvaardigd vertrouwen wekken.

Persoonlijke situatie 3.25 Verder ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het college van handhavend optreden had moeten afzien, vanwege de door [eiser] naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden. De enkele omstandigheden dat het lastig is om een andere (huur)woning te vinden, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om tot het oordeel te komen dat het belang dat gediend is met handhaving daarvoor had moeten wijken. [eiser] heeft verder geen persoonlijke belangen naar voren gebracht. 3.26 De voorzieningenrechter ziet gelet hierop dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is.

Hoogte dwangsom 3.27 Ten aanzien van de stelling van [eiser] dat de te verbeuren dwangsom te hoog is, overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 5:32b, derde lid, van de Awb de dwangsom in redelijke verhouding dient te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. 3.28 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de hoogte van de te verbeuren dwangsom niet onevenredig is. In dit verband is van belang dat van een dwangsom een zodanige prikkel moet uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

Een dwangsom van maximaal € 80.000,- teneinde bewoning te staken is een zodanige prikkel. De stelling van [eiser] dat de dwangsom te hoog is, slaagt dan ook niet. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr.

E.C. Rozeboom, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier de voorzieningenrechter is buiten staat te tekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:4439 en ECLI:NL:RVS:2025:1036 ECLI:NL:RVS:2025:678 uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022 ECLI:NL:RVS:2022:285 zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1007