Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBOVE:2025:911 ECLI:NL:RBOVE:2025:911 AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2025:911 · Rechtbank Overijssel

Case Number ECLI:NL:RBOVE:2025:911
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Almelo Zaaknummer: C/08/325969 / KG ZA 24-257 Vonnis in kort geding van 18 februari 2025 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PHINION B.V., gevestigd te Rotterdam, eisende partij in de hoofdzaak en in het artikel 843a Rv-incident, verwerende partij in het incident tot tussenkomst/voeging, hierna te noemen: Phinion, advocaat: mr. A. Stellingwerff Beintema, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon WATERSCHAP DRENTS OVERIJSSELSE DELTA, zetelend te Zwolle, gedaagde partij in de hoofdzaak en in het artikel 843a Rv-incident, verwerende partij in het incident tot tussenkomst/voeging, hierna te noemen: WDOD, advocaten: mr. V. Jasarevic en mr. S.A.M. van de Meent, waarin heeft gevorderd als partij te mogen tussenkomen, subsidiair zich te mogen voegen aan de zijde van WDOD: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HASKONINGDHV NEDERLAND B.V., gevestigd te Amersfoort, eiseres in het incident tot tussenkomst, althans voeging, hierna te noemen: Haskoning, advocaat: mr. L.C. van den Berg.

Legislator headnote

AI generated

artikel 843a Rv, artikelen 22 Rv; ECLI:NL:RBOVE:2025:911 · Rechtbank Overijssel: In dit verband is ook van belang dat artikel 56 lid 3 van Richtlijn 2014/24/EU bepaalt dat als door de ondernemers in te dienen informatie of documentatie onvolledig of onjuist is of lijkt te zijn of wanneer specifieke documenten ontbreken, de aanbestedende diensten, tenzij het nationale recht ter uitvoering van deze richtlijn anders bepaalt, de betrokken ondernemers kunnen verzoeken die informatie of documentatie binnen een passende termijn in te dienen, aan te vullen, te verduidelijken of te vervolledig en, mits die verzoeken worden gedaan met volledige inachtneming van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie. 5.5.

Keywords

AI generated
damage to data data protection officer misuse of a computer engineering contract database contract electronic data processing

Cited Legislation

AI generated
artikel 843a Rv
Voor het geval de voorzieningenrechter hierin niet meegaat, vordert Phinion verstrekking van aan de inschrijving van Haskoning ten gronde liggende stukken in een ex artikel 843a Rv opgeworpen incident.
artikelen 22 Rv

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBMNE:2014:3251
vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/370903 / KG ZA 14-417 Vonnis in kort geding van 29 juli 2014 in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DURA VERMEER DIVISIE INFRA B.V.,hierna te noemen: Dura Vermeer statutair gevestigd te Hoofddorp, eiseres, advocaat mr. J.F. van Nouhuys, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PRORAIL B.V.,hierna te noemen: ProRail, statutair gevestigd te Utrecht, gedaagde, advocaat mr. S. Vermeulen. en in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid STRUKTON RAIL B.V.,hierna te noemen: Strukton,gevestigd te Utrecht,tussenkomende partij,advocaat mr. L.C. van den Berg, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DURA VERMEER DIVISIE INFRA B.V.,hierna te noemen: Dura Vermeer statutair gevestigd te Hoofddorp,verwerende partij, advocaat mr. J.F. van Nouhuys, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PRORAIL B.V.,hierna te noemen: ProRail, statutair gevestigd te Utrecht, verwerende partij, advocaat mr. S. Vermeulen. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in de hoofdzaak tussen Dura Vermeer en ProRail, producties 1 tot en met 11 van Dura Vermeer,- een productie van ProRail,- de incidentele conclusie houdende een verzoek tot tussenkomst subsidiair voeging van Strukton, de mondelinge behandeling van 15 juli 2014, de pleitnota van Dura Vermeer, de pleitnota van ProRail,- de pleitnota van Strukton. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Deze zaak gaat over de niet-openbare Europese aanbestedingsprocedure die ProRail heeft uitgeschreven voor de uitvoering van het project “SAAL”: Infrawijzigingen korte termijn (2013-2016) Flevolijn (hierna: de opdracht). 2.2. Op deze aanbestedingsprocedure is de Aanbestedingswet 2012 en het Aanbestedingsreglement Nutssectoren 2013 (ARN 2013) van toepassing. 2.3. Er zijn door ProRail vijf partijen, onder wie Dura Vermeer en Strukton, geselecteerd om een aanbieding te doen. 2.4. Aan deze partijen is de door Dura Vermeer als productie 3 in het geding gebrachte aanbestedingsleidraad verstrekt. 2.5. De aanbestedingsleidraad is in zes hoofdstukken onderverdeeld, te weten:hoofdstuk 1: Omvang en werkwijze van de aanbesteding,hoofdstuk 2: De aanbestedingsprocedure,hoofdstuk 3: Aanbiedingsfase,hoofdstuk 4: Gunningsfase,hoofdstuk 5: Aanvullende voorwaarden,hoofdstuk 6: Bijlagen aanbestedingsleidraad. 2.6. In de aanbestedingsleidraad is in paragraaf 2.2 bepaald dat de aanbiedingen uiterlijk op 15 april 2014 om 10.00 uur via TenderNed moeten worden ingediend. Verder is in de aanbestedingsleidraad – voor zover voor de beoordeling van deze zaak van belang – het volgende vermeld: “(…)3.3.1 De aanbesteding(…)Uw aanbieding dient volledig en rechtsgeldig ondertekend vóór het in paragraaf 2.2. genoemde tijdstip te zijn ingediend via TenderNed. (…)(…)In afwijking van artikel 18.5 van het ARN2013 dienen alle in paragraaf 3.3.2. genoemde gegevens direct bij de aanbesteding te worden verstrekt.(…)3.3.2 In te dienen documentenDe aanbieding wordt ingediend via TenderNed. (…) Bij de volgende criteria dienen deze bijlagen te worden geüpload: • Prijs (…)• CO2-prestatieladder: ° Indien gegadigde in het bezit is van een CO2-bewustcertificaat, een kopie van het certificaat, om in aanmerking te komen voor de fictieve korting op de inschrijfsom(…). 4Gunningsfase4.1 GunningscriteriumHet gunningscriterium is de economisch meest voordelige aanbieding. De economisch meest voordelige aanbieding is de aanbieding met de laagste evaluatieprijs. De evaluatieprijs wordt als volgt berekend: Inschrijfsom : €…………..CO2-bewustkorting : €…………..-Veiligheidsbewustkorting1 : €…………..Correctie prestatiemeting1 :€ …………..-----------------------------------------------------Evaluatieprijs : €…………... (…) Toelichting gunningscriterium correctiefactor, CO2- en veiligheidsbewustkorting De voor een inschrijver vast te stellen fictieve korting wordt berekend aan de hand van de score op de CO2-prestatie- en/of veiligheidsladder, welke als niveau wordt aangegeven op het betreffende Certificaat. In onderstaande tabel staat per Certificaat-niveau (trede) het fictieve kortingspercentage aangegeven. Trede CO2-bewustkorting Veiligheidsbewustkorting 5 10% (…) 4 7% (…) 3 4% (…) 2 2% (…) 1 1% (…) Om in aanmerking te komen voor de fictieve korting dient de inschrijver een kopie van het betreffende Certificaat in te dienen bij de inschrijving. Alleen Certificaten die geldig zijn op de datum van de aanbesteding worden in behandeling genomen. In geval van een combinatie moeten alle combinanten een kopie van het betreffende Certificaat indienen bij de inschrijving. Bij berekening van de evaluatieprijs wordt uitgegaan van het Certificaat van de combinant met de laagste trede op de respectievelijke ladder. Indien een gegadigde in de aanbestedingsprocedure een beroep heeft gedaan op de geschiktheid en bekwaamheid van één of meerdere genomineerde onderopdrachtnemers, moet de inschrijver zowel een kopie van het betreffende Certificaat van zichzelf als die van de genomineerde onderopdrachtnemers(s) indien bij de inschrijving. In het geval van een inschrijving met genomineerde onderopdrachtnemer(s) geldt dat bij de berekening van de evaluatieprijs wordt uitgegaan van het Certificaat met de laagste trede op de respectievelijke ladder. Er wordt geen kortingspercentage toegekend indien niet wordt voldaan aan het bovenstaande. 1. In tegenstelling tot de melding in TenderNed tijdens de selectie, zijn de gunningscriteria Veiligheidskorting en correctie prestatiemeting niet van toepassing op deze aanbesteding.(…)4.3. Verzoek tot opheldering (VTO)Indien ProRail onduidelijkheden aantreft in de aanbieding kan een verzoek tot opheldering (VTO) worden verstuurd aan de inschrijver. De inschrijver dient dit verzoek afdoende te beantwoorden. (…).”. 2.7. Het CO2-bewustkortingscertificaat wordt verleend door daartoe gecertificeerde bedrijven. De Stichting Klimaatvriendelijk Aanbesteden & Ondernemen (hierna: SKAO) zorgt onder meer voor het beheer van dit certificaat. 2.8. Dura Vermeer heeft tijdig haar aanbieding ingediend en heeft daarbij gebruik gemaakt van een genomineerde onderopdrachtnemer, te weten Movares Nederland B.V. (hierna: Movares). 2.9. Dura Vermeer heeft haar CO2-bewustcertificaat en die van Movares als productie 4 en 5 in het geding gebracht. Het certificaat van Dura Vermeer is op 24 februari 2014 door een daartoe gecertificeerde onderneming afgegeven en is geldig tot 21 maart 2017. Het certificaat van Movares is op 29 maart 2014 door een daartoe gecertificeerde onderneming afgegeven en is geldig tot 28 maart 2017.Beide certificaten vermelden als niveau trede 5. 2.10. Dura Vermeer heeft bij haar aanbieding wel haar eigen CO2-bewustkortingscertificaat bijgevoegd, maar niet dat van Movares. 2.11. Bij brief van 16 mei 2014 heeft ProRail aan Dura Vermeer bericht dat zij voornemens is de opdracht aan Strukton te gunnen, omdat Strukton de economisch meest voordelige aanbieding heeft gedaan. Zij heeft dit in tabelvorm als volgt toegelicht: Uw aanbieding Economisch meest voordelige aanbieding Inschrijfsom € 28.882.000,- € 31.430.000,- Korting CO2-prestatieladder 0% 10% Evaluatiebedrag € 28.882.000,-- € 28.287.000,- 2.12. Bij brief van 20 mei 2014 heeft Dura Vermeer aan ProRail bericht bezwaar te hebben tegen deze voorlopige gunningsbeslissing. Zij heeft daarbij aan ProRail toegelicht dat zij van mening is dat ProRail haar in de gelegenheid (had) moet stellen om het certificaat van Movares (alsnog) te verstrekken. 2.13. Bij e-mailbericht van 28 mei 2014 heeft ProRail op dit bezwaar gereageerd en zich – kort gezegd – op het volgende standpunt gesteld.Uit paragraaf 4.1 van de aanbestedingsleidraad volgt duidelijk dat wanneer een gegadigde een beroep heeft gedaan op de geschiktheid en bekwaamheid van één of meerdere genomineerde onderopdrachtnemers, de inschrijver zowel een kopie van zichzelf als van de genomineerde onderopdrachtnemer moeten indienen bij de inschrijving en dat geen kortingspercentage wordt toegekend indien hieraan niet wordt voldaan. ProRail zou in strijd handelen met de beginselen van aanbestedingsrecht als zij Dura Vermeer zou toestaan om in strijd met het bepaalde in de aanbestedingsleidraad, later alsnog de bij de inschrijving voorgeschreven maar ontbrekende documenten in te dienen.2.14. Dura Vermeer heeft daarna nog een (informeel) overleg gehad met ProRail. In het kader van dit overleg heeft zij de door ProRail als productie in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie aan ProRail verstrekt. Het betreft een e-mailwisseling van 11 mei 2014 tussen Arnout van den Bosch en Koene Talsma, beiden werkzaam bij Dura Vermeer. Deze e-mail luidt, voor zover voor de beoordeling van deze zaak van belang, als volgt: “ Naar aanleiding van ons gesprek van afgelopen vrijdag hierbij mijn analyse van de problemen rond het CO2-certificaat van Movares in de aanbesteding OV SAAL Almere. Nu Dura Vermeer in de preselectie een beroep heeft gedaan op Movares als genomineerde onderaannemer had Dura Vermeer bij inschrijving niet alleen het eigen CO2-certificaat maar ook het CO2-certificaat van Movares moeten indienen.(…)Zoals gezegd kunnen we ook betogen dat het niet-indienen van het CO2-certificaat van Movares reparabel is. Het toeval wil dat in 2012 een kort geding is gevoerd tussen Strukton en ProRail over een vergelijkbaar geval (…), waarbij Strukton gelijk kreeg van de rechter. In dat geval was Strukton vergeten het CO2-certificaat van Oranjewoud (als genomineerde onderopdrachtnemer) bij inschrijving toe te voegen. Toen was in de aanbestedingsstukken echter nog niet duidelijk te lezen dat het CO2-certificaat bijgevoegd moest worden en was nog niet duidelijk genoeg wat het gevolg zou zijn als dit certificaat niet zou worden bijgevoegd. (…)ProRail zal, doordat de Aanbestedingsleidraad nu in deze aanbesteding wel duidelijk is, niet verplicht kunnen worden alsnog het CO2-certificaat van Movares op te vragen, maar wel wordt duidelijk dat ProRail geen (of slechts gering) risico loopt door dit alsnog te doen. De volgende twee argumenten gelden immers ook in dit geval:1) Het opvragen van het certificaat is niet in strijd met het concurrentiebeginsel aangezien het certificaat door een onafhankelijke instelling wordt afgegeven en Dura Vermeer daar geen invloed op kan uitoefenen;2) Het opvragen van het certificaat kan niet worden aangemerkt als onderhandelen, maar slechts als verduidelijking van de inschrijving teneinde de evaluatieprijs te kunnen berekenen.”. 3De vorderingen 3.1. Dura Vermeer vordert dat ProRail bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:primair, wordt geboden om de opdracht aan Dura Vermeer te gunnen, althans wordt verboden de opdracht te gunnen aan Strukton of aan enig ander dan Dura Vermeer, voor zover zij de opdracht nog in de markt wenst te zetten, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom,subsidiair, wordt verboden de opdracht aan Strukton of enig ander te gunnen en wordt geboden om Dura Vermeer alsnog in de gelegenheid te stellen om het certificaat van Movares in te dienen én vervolgens, met inachtneming van dit certificaat, tot een herbeoordeling van de ontvangen inschrijvingen over te gaan, dit met inachtneming van het in deze zaak te wijzen vonnis, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom,meer subsidiair, wordt verboden de opdracht aan Strukton of enig ander te gunnen en wordt geboden tot herbeoordeling van de ontvangen inschrijvingen over te gaan, dit met inachtneming van het in deze zaak te wijzen vonnis, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom,uiterst subsidiair, wordt verboden de opdracht aan Strukton of enige ander te gunnen en wordt geboden de aanbestedingsprocedure te staken en gestaakt te houden en voor zover ProRail de opdracht nog in de markt wenst te plaatsen deze opnieuw aan te besteden conform de toepasselijke aanbestedingsrechtelijke regels, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom.Daarnaast vordert Dura Vermeer dat ProRail wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en nakosten. 3.2. Strukton vordert in het incident primair om te mogen tussenkomen in het kort geding tussen Dura Vermeer en ProRail en subsidiair om zich in dat kort geding te mogen voegen aan de zijde van de ProRail. 3.3. Strukton vordert in de hoofdzaak dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, a) Dura Vermeer in haar vorderingen niet ontvankelijk wordt verklaard, althans de vorderingen van Dura Vermeer worden afgewezen, b) ProRail wordt geboden om haar uitgesproken voornemen om de opdracht aan Strukton te gunnen daadwerkelijk tot uitvoering te brengen,c) Dura Vermeer en/of Prorail worden/wordt veroordeeld in de proceskosten. De vordering onder b betreft een voorwaardelijk ingestelde vordering, in die zin dat Strukton dit alleen vordert wanneer dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor het toewijzen van haar (incidentele) vordering tot tussenkomst zou zijn vereist. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling In het incident 4.1. De primaire incidentele vordering van Strukton om in het kort geding tussen Dura Vermeer en ProRail te mogen tussenkomen is, nadat alle partijen zich daarover hebben kunnen uitlaten en aan de voorzieningenrechter te kennen hebben gegeven daartegen geen bezwaar te hebben, tijdens de mondelinge behandeling toegewezen. 4.2. Tijdens de mondelinge behandeling is nog geen beslissing genomen over de proceskosten in het incident. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om deze kosten te compenseren in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten in het incident draagt. In de hoofdzaken 4.3. Allereerst zal de primaire vordering van Dura Vermeer worden besproken. Deze vordering strekt ertoe dat ProRail wordt geboden om de opdracht alsnog aan Dura Vermeer te gunnen, voor zover zij de opdracht nog in de markt wil zetten. 4.4. Dura Vermeer legt aan deze vordering – samengevat – het volgende ten grondslag.ProRail heeft Dura Vermeer ten onrechte 0% korting toegekend op het subgunningscriterium “CO2-bewustkorting”. Dura Vermeer heeft aanspraak op de maximale (fictieve) korting van 10% op haar inschrijfsom, hetgeen meebrengt dat zij met een evaluatieprijs van € 25.993.800,-- de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan. Zowel Dura Vermeer als Movares scoren de voor de 10% korting benodigde “trede niveau 5” op de CO2-prestatieladder. Het feit dat Dura Vermeer bij inschrijving niet het CO2-bewustcertificaat van Movares heeft ingediend, kan er niet toe leiden dat Dura Vermeer 0% korting toegekend krijgt. Primair, omdat dit certificaat – gelet op het bepaalde in 3.3.1 en 3.3.2 van de aanbestedingsleidraad bezien in relatie met het bepaalde in artikel 18.5 ARN 2013 – niet al bij de inschrijving hoefde te worden ingediend, maar (ook) kon worden ingediend binnen twee dagen na een daartoe strekkend verzoek van ProRail. Subsidiair, omdat sprake is van een geringe omissie, welke gelet op de vaste jurisprudentie kan worden hersteld. ProRail is gelet op de aanbestedingsbeginselen bovendien verplicht om Dura Vermeer in de gelegenheid te stellen om deze geringe omissie te herstellen. 4.5. ProRail en Strukton voeren hiertegen verweer. 4.6. De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende. 4.7. Vooropgesteld wordt het volgende.Volgens vaste rechtspraak (HvJ 29 april 2004, zaak C-496/99 PbEG 2004 C 118 (Succhi di Frutta) en HR 4 november 2005, NJ 2006, 204) kent het aanbestedingsrecht twee centrale beginselen: het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers en het daarvan afgeleide transparantiebeginsel. Het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de aan de aanbestedingsprocedure voor een overheidsopdracht deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van het in hun offerte gedane voorstel dezelfde kansen krijgen: voor alle mededingers moeten dezelfde voorwaarden gelden. Het transparantiebeginsel strekt, in samenhang daarmee, ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen en impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, opdat enerzijds alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde wijze kunnen interpreteren, en anderzijds de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Dat brengt niet alleen mee dat alle aanbieders gelijk worden behandeld, maar ook dat zij in gelijke mate, mede met het oog op een goede controle achteraf, een duidelijk inzicht moeten hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaatsvindt, zoals de selectiecriteria. 4.8. Allereerst is aan de orde de beantwoording van de vraag wanneer het CO2-bewustcertificaat van de onderopdrachtnemer moest worden ingediend. Diende dit certificaat te worden ingediend – zoals Dura Vermeer betoogt – binnen uiterlijk twee dagen na het daartoe strekkende verzoek van ProRail of – zoals ProRail en Strukton betogen – bij de inschrijving. 4.9. Als uitgangspunt geldt – zoals Dura Vermeer aanvoert – dat wanneer het bestek of de nota van inlichtingen de indiening van meer gegevens verplicht stelt dan door middel van het inschrijvingsformulier kunnen worden ingediend, de inschrijver verplicht is om die gegevens zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee dagen na een zodanig verzoek van het speciale-sectorbedrijf in te dienen. Dit volgt immers uit artikel 18.5 ARN 2013. 4.10. Dit lijdt echter uitzondering wanneer daarover in de aanbestedingsstukken een andersluidende regeling is opgenomen. 4.11. Uit het bepaalde in 3.3.1 bezien in relatie met het bepaalde in 3.3.2 van de aanbestedingsleidraad volgt duidelijk en ondubbelzinnig dat de gegadigde – in afwijking van het bepaalde in artikel 18.5 ARN 2013 – bij zijn inschrijving een kopie van zijn CO2-bewustcertificaat dient te voegen en dat wanneer hij dit niet doet hij niet in aanmerking komt voor de fictieve korting op de inschrijfsom. Tussen partijen bestaat hierover overigens ook (terecht) geen discussie. 4.12. Dura Vermeer kan niet worden gevolgd in haar stelling dat een behoorlijk geïnformeerde en oplettende inschrijver zal hebben begrepen dat alleen stukken die in 3.3.2 van de aanbestedingsleidraad staan vermeld een afwijking op de in artikel 18.5 ARN 2013 neergelegde hoofdregel betreffen. Dat staat er simpelweg niet. 4.13. In 4.1 van de aanbestedingsleidraad is duidelijk en ondubbelzinnig vermeld dat wanneer een gegadigde in de aanbestedingsprocedure een beroep heeft gedaan op de geschiktheid en bekwaamheid van één of meerdere genomineerde onderopdrachtnemer(s), hij bij zijn inschrijving ook een kopie van het CO2-bewustcertificaat van de genomineerde onderopdrachtnemer(s) moet indienen en dat geen kortingspercentage wordt toegekend indien hij dat niet doet. Hoewel dit er niet uitdrukkelijk bij is vermeld, is dit eveneens in afwijking van de in artikel 18.5 ARN 2013 neergelegde hoofdregel. 4.14. Het zou uit oogpunt van structuur wellicht beter en (nog) helderder zou zijn geweest wanneer ook in 3.3.2 – en dus niet alleen in 4.1. – van de aanbestedingsleidraad was vermeld dat het CO2-bewustcertificaat van de genomineerde onderopdrachtnemer(s) bij de inschrijving moest worden ingediend, maar de enkele omstandigheid dat dit niet is gebeurd, is ontoereikend om de door Dura Vermeer verdedigde conclusie te dragen dat het aannemelijk is dat een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver zal hebben begrepen dat hij bij zijn inschrijving alleen zijn eigen CO2-bewustcertificaat diende in te leveren en dat hij het CO2-bewustcertificaat van de door hem ingeschakelde onderopdrachtnemer(s) pas zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 2 dagen na een daartoe strekkend verzoek van ProRail diende te verstrekken. Daarbij wordt (nog) het volgende in aanmerking genomen. 4.14.1. Van een behoorlijk geïnformeerde en oplettende inschrijver mag worden verwacht dat hij de aanbestedingsleidraad in zijn geheel leest en bestudeerd. 4.14.2. De aanbestedingsleidraad beslaat in dit geval in totaal slechts twaalf pagina’s, waaronder een voorblad, een inhoudsopgave en een overzicht van de bijlagen. Deze pagina’s zijn bovendien niet volledig met tekst zijn gevuld. Het betreft derhalve – zoals Strukton ook aanvoert – een overzichtelijk en niet omvangrijk stuk. 4.14.3. Een normaal oplettende inschrijver zal – zoals Strukton betoogt – vooral ook bijzondere aandacht hebben voor het gunningscriterium. In dit geval is het gunningscriterium zeer overzichtelijk; het bestaat slechts uit twee elementen, namelijk de prijs en de CO2-bewustkorting. Het is aannemelijk dat de inschrijver in dit geval zijn aandacht vooral zal hebben gericht op het (sub)gunningscriterium CO2-bewustkorting. Daarmee viel immers een fictieve korting op de inschrijfprijs te behalen. 4.14.4. Uit het voorgaande volgt dat in 4.1 van de aanbestedingsleidraad duidelijk en ondubbelzinnig is vermeld dat het CO2-bewustcertificaat van de genomineerde onderopdrachtnemer(s) bij de inschrijving moest worden ingediend. 4.14.5. Er zit slechts één, voor ongeveer ¼ gedeelte beschreven, pagina tussen de pagina waarop de paragrafen 3.3.1 en 3.3.2 zijn vermeld en de pagina waarop paragraaf 4.1 van de aanbestedingsleidraad is vermeld. 4.14.6. Het is gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, dan ook aannemelijk dat een redelijk oplettende inschrijver zal hebben begrepen dat hij zijn eigen CO2-bewustcertificaat en die van zijn onderopdrachtnemer bij de inschrijving moest indienen en dat wanneer hij dit niet zou doen er geen fictieve korting op zijn inschrijfprijs zou worden toegepast. 4.14.7. Daarbij komt nog dat – zoals ProRail ook betoogt – de interne e-mail van Dura Vermeer, zoals gedeeltelijk geciteerd in 2.14, erop wijst dat Dura Vermeer dat ook zo heeft begrepen. De stelling van Dura-Vermeer dat aan deze interne e-mail geen waarde kan worden toegekend, omdat deze is opgesteld door personen die niet bij de aanbestedingsprocedure betrokken zijn geweest en geen verstand daarvan zouden hebben, komt de voorzieningenrechter ongeloofwaardig voor. Vaststaat immers dat Dura Vermeer deze e-mail in een kader van een overleg met ProRail vrijwillig en uit eigen beweging aan ProRail heeft verstrekt. 4.15. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het CO2-bewustcertificaat van de onderopdrachtnemer bij de inschrijving moest worden ingediend. 4.16. Vaststaat dat Dura Vermeer het certificaat van haar onderopdrachtnemer, Movares, niet bij haar inschrijving heeft ingediend. ProRail heeft gelet op het bepaalde in paragraaf 4.1 van de aanbestedingsleidraad dan ook, in beginsel, terecht geen fictieve korting toegepast. 4.17. Vraag is echter of – zoals Dura Vermeer betoogt – sprake is van een voor herstel vatbare omissie, en zo ja of ProRail kan worden verplicht om Dura Vermeer in de gelegenheid te stellen deze omissie te herstellen. 4.18. Algemeen uitgangspunt is dat de aanbestedende dienst bij de beoordeling van de inschrijving(en) moet uitgaan van de inschrijving(en) zoals die bij het sluiten van de inschrijvingstermijn is (zijn) ontvangen. De onder 4.7. genoemde beginselen van gelijke behandeling en transparantie verzetten zich in beginsel tegen de mogelijkheid dat een inschrijver zijn inschrijving nadien nog wijzigt of aanvult. 4.19. Volgens vaste rechtspraak (recentelijk HvJ EU 29 maart 2012, zaak C-599/10/ SAG) kan in uitzonderlijke gevallen evenwel een uitzondering op dit uitgangspunt worden gemaakt en kunnen inschrijvingen worden verbeterd of aangevuld, met name omdat deze klaarblijkelijk een eenvoudige precisering behoeven, of om kennelijke materiële fouten recht te zetten, mits deze wijziging er niet toe leidt dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld. Het verzoek tot herstel moet verder aan de volgende voorwaarden voldoen: - in de uitoefening van voormelde beoordelingsbevoegdheid moet de aanbestedende dienst de verschillende gegadigden gelijk en op loyale wijze behandelen; - het verzoek om nadere toelichting mag slechts worden gedaan nadat de aanbestedende dienst kennis heeft genomen van alle inschrijvingen; - het verzoek moet op vergelijkbare manier worden ingericht aan alle ondernemingen die in dezelfde situatie verkeren, en - het verzoek moet alle punten van de inschrijving behandelen die onnauwkeurig zijn of niet overeenstemmen met de technische specificaties van het bestek. Het maken van een dergelijke uitzondering is echter uitgesloten ingeval van een ontbrekend stuk dat of ontbrekende informatie die op straffe van uitsluiting moet worden verstrekt (HvJ EU 10 oktober 2013, zaaknummer C-336/12/Manova). 4.20. In dit verband wordt nog overwogen dat ProRail en Strukton niet kunnen worden gevolgd in hun stelling dat het Manova-arrest, gelet op rechtsoverweging 40 en meer in het bijzonder de daarin vermelde zinsnede: “Een aanbestedende dienst dient immers nauwgezet de door hemzelf vastgestelde criteria in acht te nemen”, aldus moet worden uitgelegd dat er geen mogelijkheid tot herstel mag worden geboden wanneer in de aanbestedingsstukken aan het verstrekken van de ontbrekende stukken een sanctie is verbonden. Daartoe is het volgende redengevend. 4.20.1. In het Manova-arrest ging het om een niet-openbare aanbestedingsprocedure en meer in het bijzonder om de selectiefase daarvan. 4.20.2. In rechtsoverweging 31 tot en met 37 van het Manova-arrest wordt – kort gezegd – weergegeven dat in het SAG-arrest is overwogen dat het onder de in dat arrest genoemde omstandigheden toelaatbaar kan zijn dat inschrijvingen kunnen worden verbeterd of aangevuld. In rechtsoverweging 38 van het Manova-arrest wordt vervolgens opgemerkt dat deze in het SAG-arrest geformuleerde regel, die betrekking heeft op de door inschrijvers ingediende inschrijvingen, ook kan worden toegepast op inschrijvingsdossiers die worden ingediend in de fase van voorafgaande selectie van gegadigden in een niet-openbare procedure. Vervolgens wordt in rechtsoverweging 39, 40 en 42 het volgende overwogen: “ 39 Derhalve kan de aanbestedende dienst verzoeken de gegevens van een dergelijk dossier gericht te verbeteren of aan te vullen, voor zover dat verzoek betrekking heeft op gegevens, zoals de gepubliceerde balans, waarvan objectief kan worden vastgesteld dat zij dateren van voor het einde van de inschrijvingstermijn om deel te nemen aan een aanbestedingsprocedure. 40 Evenwel moet worden gepreciseerd dat dit anders zou zijn indien volgens de aanbestedingsstukken het ontbrekende stuk of de ontbrekende informatie op straffe van uitsluiting moet worden verstrekt. Een aanbestedende dienst dient immers nauwgezet de door hemzelf vastgestelde criteria in acht te nemen (zie in die zin arrest van 29 april 2004, Commissie/CAS Succhi di Frutta, C‑496/99 P, Jurispr. blz. I‑3801, punt 115). “. 42 Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat het beginsel van gelijke behandeling aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat een aanbestedende dienst na afloop van de inschrijvingstermijn om deel te nemen aan een overheidsopdracht een gegadigde verzoekt documenten over te leggen waarin diens situatie wordt beschreven, zoals de gepubliceerde balans, en waarvan objectief kan worden vastgesteld dat zij dateren van voor het einde van de inschrijvingstermijn om deel te nemen aan een aanbestedingsprocedure, voor zover de stukken van die aanbesteding niet uitdrukkelijk de overlegging ervan voorschreven op straffe van uitsluiting van de inschrijving. Een dergelijk verzoek mag niet ten onrechte in het voordeel of nadeel zijn van de gegadigde of gegadigden tot wie dit verzoek is gericht.“ 4.20.3. Het voorgaande wijst erop dat de zinsnede “Een aanbestedende dienst dient immers nauwgezet de door hemzelf vastgestelde criteria in acht te nemen” dient als motivering voor de door het HvJ EU aangenomen regel dat er in ieder geval geen gelegenheid tot herstel mag worden geboden wanneer het ontbrekende stuk of de ontbrekende informatie op straffe van uitsluiting moet worden verstrekt. Deze zinsnede heeft dus geen zelfstandige betekenis. Ook het feit dat deze zinsnede – zoals blijkt uit punt 42 van het arrest – niet terugkomt in de uiteindelijke beantwoording van de prejudiciële vraag, biedt daarvoor een sterke aanwijzing.4.21. Vaststaat dat op het niet bij de inschrijving verstrekken van het CO2-bewustcertificaat van de onderopdrachtnemer niet als sanctie staat “uitsluiting van inschrijving”. Het is aannemelijk dat aan de voorwaarden zoals geformuleerd in het SAG-arrest is voldaan.Het alsnog door Dura Vermeer verstrekken van het CO2-bewustcertificaat van Movares leidt er – anders dan ProRail en Strukton menen – niet toe dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld. Het ontbreken van het CO2-bewustcertificaat van Movares heeft in dit geval niet tot uitsluiting van de inschrijving van Dura Vermeer geleid, maar tot het niet toekennen van de fictieve kortingsprijs, waarop zij wel recht zou hebben gehad wanneer zij het certificaat bij de inschrijving had ingediend.Het na de inschrijving indienen van het CO2-bewustcertificaat van Movares brengt dan ook geen inhoudelijke wijziging van de inschrijving van Dura Vermeer met zich mee. De inschrijving van Dura Vermeer blijft hetzelfde, alleen de uitkomst wordt anders doordat gelet op het feit dat Movares CO2-bewustcertificaat alsnog fictieve korting op de inschrijfprijs wordt toegekend. De inschrijfprijs op zichzelf verandert dus niet. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat het CO2-bewustcertificaat een objectief document betreft en dat het certificaat van Movares voor de inschrijfdatum door een daartoe gecertificeerd bedrijf is verleend. 4.22. Het is gezien het voorgaande voldoende aannemelijk dat ProRail Dura Vermeer in de gelegenheid mag stellen om haar omissie te herstellen, in die zin dat zij in de gelegenheid wordt gesteld om het CO2-bewustcertificaat van haar onderopdrachtnemer, Movares, alsnog te verstrekken. 4.23. Het is vervolgens de vraag of ProRail daartoe ook – zoals Dura Vermeer betoogt en ProRail en Strukton betwisten – kan worden verplicht. 4.24. In de aanbestedingsleidraad is – anders dan Dura Vermeer aanvoert – geen herstelmogelijkheid opgenomen. Artikel 4.3 van de aanbestedingsleidraad biedt ProRail weliswaar de mogelijkheid een verzoek tot opheldering te doen als zij onduidelijkheden in de aanbieding aantreft. Van een onduidelijkheid is in dit geval echter geen sprake. Het is dus niet zo dat ProRail op grond van de aanbestedingsleidraad kan worden verplicht om een mogelijkheid tot herstel te bieden. 4.25. De voorzieningenrechter is desondanks van oordeel dat ProRail daartoe toch kan worden verplicht. ProRail heeft niet toegelicht waarom zij Dura Vermeer deze herstelmogelijkheid niet wil bieden, terwijl zij dit, zoals hiervoor is overwogen, wel mag doen op grond van de aanbestedingsbeginselen. Dit heeft tot resultaat dat ProRail de opdracht gaat gunnen aan een opdrachtgever die ongeveer € 3.000.000,-- duurder is dan Dura Vermeer.Dit is niet in overeenstemming met de doelstelling van een aanbestedingsprocedure, namelijk het bevorderen van de concurrentie opdat de aanbestedende dienst daardoor de opdracht kan gunnen aan de voordeligste en kwalitatief beste opdrachtgever. 4.26. Dura Vermeer heeft in het kader van deze procedure het CO2-bewustcertificaat van Movares in het geding gebracht. Niet ter discussie staat dat dit een geldig certificaat is en dat Movares trede 5 heeft. Het certificaat is ook in kopie overgelegd. De uitkomst van de aanbestedingsprocedure is zeker: de economisch meest voordelige inschrijving is van Dura Vermeer en aan haar zal de opdracht moeten worden gegund, indien althans ProRail deze opdracht wil blijven gunnen (in de markt wil blijven plaatsen). De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding dat ProRail zelf nog tot een herbeoordeling overgaat, wat besloten ligt in de subsidiaire en verdere vorderingen. Hij zal de primaire vordering van Dura Vermeer toewijzen. De in verband met deze vordering gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ProRail geen verweer tegen het opleggen van deze dwangsom heeft gevoerd. 4.27. ProRail zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Dura Vermeer worden begroot op: - dagvaarding € 77,52 - griffierecht 608,00 - salaris advocaat 816,00 Totaal € 1.501,52 4.28. De door Dura Vermeer gevorderde nakosten zullen op de in de beslissing te noemen manier worden begroot. 4.29. Dit vonnis zal anders dan Dura Vermeer heeft gevorderd niet uitvoerbaar op de minuut worden verklaard, omdat zij daarbij geen belang heeft, aangezien er aan haar een grosse van dit vonnis zal worden verstrekt. 4.30. De vorderingen van Strukton (al dan niet voorwaardelijk) zullen gezien het voorgaande eveneens worden afgewezen. 4.31. Strukton zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de zijde van Dura Vermeer worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 816,00 voor salaris advocaat. Dura Vermeer heeft ten opzichte van Strukton geen nakosten gevorderd. 4.32. Strukton zal als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de zijde van ProRail worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op nihil. 5De beslissing De voorzieningenrechter in het incident: 5.1. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij in het incident zijn eigen kosten draagt,in de hoofdzaken: 5.2. gebiedt ProRail om de opdracht aan Dura Vermeer te gunnen, voor zover zij de opdracht nog in de markt wil zetten, 5.3. veroordeelt ProRail om aan Dura Vermeer een dwangsom te betalen van € 1.000.000,-- wanneer zij niet binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis aan de in 5.2. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, 5.4. veroordeelt ProRail in de proceskosten, aan de zijde van Dura Vermeer tot op heden begroot op € 1.501,52, 5.5. veroordeelt ProRail, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Dura Vermeer volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:- € 131,00 aan salaris advocaat,- te vermeerderen, indienbetekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, 5.6. wijst het meer of anders door Dura Vermeer gevorderde af, 5.7. wijst de vorderingen van Strukton af, 5.8. veroordeelt Strukton in de proceskosten, aan de zijde van Dura Vermeer tot op heden begroot op € 816,00 aan salaris advocaat, 5.9. veroordeelt Strukton in de proceskosten, aan de zijde van ProRail tot op heden begroot op nihil, 5.10. verklaart dit vonnis wat betreft 5.2. tot en met 5.5, en 5.8 uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. Eelkema op 29 juli 2014. type: BvdG/4374 coll: RV
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Almelo Zaaknummer: C/08/325969 / KG ZA 24-257 Vonnis in kort geding van 18 februari 2025 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PHINION B.V., gevestigd te Rotterdam, eisende partij in de hoofdzaak en in het artikel 843a Rv-incident, verwerende partij in het incident tot tussenkomst/voeging, hierna te noemen: Phinion, advocaat: mr. A. Stellingwerff Beintema, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon WATERSCHAP DRENTS OVERIJSSELSE DELTA, zetelend te Zwolle, gedaagde partij in de hoofdzaak en in het artikel 843a Rv-incident, verwerende partij in het incident tot tussenkomst/voeging, hierna te noemen: WDOD, advocaten: mr. V. Jasarevic en mr. S.A.M. van de Meent, waarin heeft gevorderd als partij te mogen tussenkomen, subsidiair zich te mogen voegen aan de zijde van WDOD: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HASKONINGDHV NEDERLAND B.V., gevestigd te Amersfoort, eiseres in het incident tot tussenkomst, althans voeging, hierna te noemen: Haskoning, advocaat: mr. L.C. van den Berg.

1De procedure

In deze procedure zijn de volgende stukken uitgebracht/gewisseld: - de dagvaarding met de producties 1-11, - de producties A, B1 en B2, op 27 januari 2025 ingediend door WDOD, - de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging van Haskoning,- de schriftelijke reactie van 31 januari 2025 van WDOD, - de wijziging van eis van Phinion van 31 januari 2025 met de producties 12-14. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 februari 2025. De advocaten van partijen hebben gebruik gemaakt van pleitnota’s, die zijn overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2Samenvatting van de beslissing

Phinion heeft ingeschreven op de aanbesteding Data-engineering ‘Slimme Kraan’ van WDOD. Haar inschrijving is aanvankelijk als beste uit de bus gekomen. De inschrijving van Haskoning is ter zijde gelegd om formele redenen. Naar aanleiding van bezwaar van de kant van (onder meer) Haskoning heeft WDOD de eerste gunningsbeslissing ingetrokken en op 27 november 2024 een tweede gunningsbeslissing genomen. Daarbij is de inschrijving van Phinion als tweede geëindigd en die van Haskoning als eerste. Phinion stelt zich op het standpunt dat de inschrijving van Haskoning in eerste instantie terecht ter zijde was gelegd en dat Haskoning ook bij inhoudelijke beoordeling van haar inschrijving niet voor gunning in aanmerking komt, omdat zij niet aan de ervaringseis voldoet.

Phinion vordert onder meer dat de beslissing tot gunning aan Haskoning wordt ingetrokken en dat de opdracht alsnog aan haar wordt gegund. Voor het geval de voorzieningenrechter hierin niet meegaat, vordert Phinion verstrekking van aan de inschrijving van Haskoning ten gronde liggende stukken in een ex artikel 843a Rv opgeworpen incident. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vorderingen van Phinion dienen te worden afgewezen en licht hieronder toe waarom. 3De achtergrond 3.1. Op 17 januari 2024 is WDOD een Europese openbare aanbesteding gestart voor het sluiten van een dienstverleningsovereenkomst met één opdrachtnemer voor de zogenaamde Data-Engineering Slimme Kraan. 3.2.

Voor zover hier relevant staat in de aanbestedingsstukken dat bij het gunnen van de opdracht uitgangspunt is dat wordt gegund aan degene met de economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. Als gunningscriteria zijn de in de stukken beschreven kwaliteitscriteria gehanteerd. 3.3. Het in deze zaak relevante kwaliteitscriterium is de geschiktheidseis, en met name de navolgende, daarvan deel uitmakende ervaringseis: “Ervaring in het opslaan van ruwe data, het valideren en structureren van ruwe data naar opgewerkte data, alsmede het ontwikkelen van diverse gegevensservices en informatieproducten op basis van de verwerkte data.

Inschrijver heeft in de periode van drie jaar voorafgaande aan de datum van de uitnodiging tot inschrijving minimaal één opdracht uitgevoerd en opgeleverd.” 3.4. Over de procedure en de voorwaarden staat in de aanbestedingsstukken: [afbeeldingen] (…) (…) (…) 3.5. Phinion heeft op de aanbesteding ingeschreven via Mercell. Bij brief van 8 juli 2024 heeft WDOD Phinion medegedeeld dat haar inschrijving als economisch meest voordelige inschrijving is aangemerkt en dat zij het voornemen heeft de opdracht aan haar te gunnen. De inschrijving van Haskoning is in eerste instantie ter zijde gelegd omdat zij informatie over de referentieopdracht in het Engels (in plaats van in het Nederlands) en niet conform het voorgeschreven format had ingediend.

Na ontvangst van bezwaren tegen de beslissing van WDOD van (onder meer) Haskoning heeft WDOD op 12 september 2024 een nieuwe beslissing genomen, waarbij het voornemen tot gunning aan Phinion is ingetrokken en het voornemen wordt geuit om de opdracht te gunnen aan Haskoning. WDOD heeft bij brief aan Phinion van 27 november 2024 herhaald voornemens te zijn de opdracht aan Haskoning te gunnen en onder meer geschreven: “WDODelta is gebleken dat twee inschrijvers geen gebruik hadden gemaakt van het format inzake de referentieopdracht. Na zorgvuldige beoordeling is WDODelta tot de conclusie gekomen dat hiermee sprake was van een kennelijke materiële fout die voor herstel in aanmerking kwam, nu de benodigde informatie in de inschrijving reeds besloten lag.

Bij het herstel werd dezelfde informatie aangeleverd als in de oorspronkelijke inschrijvingen van de inschrijvers was opgenomen, maar dan conform het voorgeschreven format.” 4Het geschil 4.1. Phinion vordert - samengevat - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, WDOD: in de hoofdzaak te gebieden om de mededeling van de gunningsbeslissing van 27 november 2024 in te trekken; te verbieden de opdracht in het kader van de onderhavige aanbestedingsprocedure definitief te gunnen aan Haskoning of enige andere derde; te gebieden om de onderhavige opdracht te gunnen aan Phinion, voor zover zij de onderhavige opdracht nog altijd wenst te gunnen; te veroordelen in de kosten van dit geding, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente; in het incident ex artikel 843a Rv (na eiswijziging), voor zover nodig, 1. te gebieden om aan Phinion afschrift te verstrekken van de navolgende bescheiden:

a) het document dat Haskoning vóór de sluitingsdatum heeft ingediend in Mercell in het kader van de ervaringseis (zonder zwartmakingen);

b) het document dat c.q. de documenten die Haskoning na het geboden herstel heeft ingediend in het kader van de ervaringseis (zonder zwartmakingen);

c) de pagina van de overeenkomst die Royal Haskoning DHV (of een andere entiteit uit het Haskoning-concern) met Grandi Stationi Rail SpA heeft gesloten in het kader van het referentieproject, én de handtekeningpagina;

2. te gebieden de verzochte bescheiden binnen drie dagen na de zitting van het kort geding ter beschikking te stellen aan Phinion;

3. te veroordelen in de kosten van dit incident, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 4.2. Haskoning vordert in het door haar opgeworpen incident, primair, I. de verzochte tussenkomst toe te staan; II. en, in het geval de voorzieningenrechter mocht oordelen dat een vordering vereist zou zijn voor tussenkomst, WDOD te gebieden om haar gunningsbeslissing ongewijzigd te handhaven en tot uitvoering te brengen, alsmede Phinion te gebieden te gehengen en gedogen dat uitvoering wordt gegeven aan de gunningsbeslissing, en, subsidiair, III. toe te staan dat Haskoning zich aan de zijde van WDOD zal voegen.

Haskoning meent dat Phinion in de hoofdzaak en in de incidenten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vorderingen, althans dat die vorderingen dienen te worden afge-wezen, met veroordeling van Phinion in de kosten. 5De beoordeling in het incident tot tussenkomst/voeging 5.1. Haskoning heeft primair gevorderd te mogen tussenkomen en subsidiair om zich te mogen voegen aan de zijde van WDOD. Phinion en WDOD hebben geen bezwaar geuit tegen (toewijzing van) deze vordering. De voorzieningenrechter heeft ter zitting beslist dat hij de primaire vordering van Haskoning tot tussenkomst toewijst.

Haskoning heeft vanwege de dreiging van verlies van het recht op gunning een voldoende belang bij tussenkomst. in de hoofdzaak spoedeisend belang 5.2. Het gaat hier om een kort geding inzake een aanbesteding. Phinion is het niet eens met de (voorlopige) gunningsbeslissing van WDOD en legt deze daarom ter beoordeling voor aan de voorzieningenrechter. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de zaak. Phinion is ontvankelijk in haar vorderingen. inleiding 5.3. In de kern gaat het hier om de vraag of WDOD Haskoning in de gelegenheid had mogen stellen om gebreken te herstellen en of na herstel de inschrijving niet ongeoorloofd is aangevuld, zodat in feite sprake is van een nieuwe inschrijving.

De volgende aspecten zijn daarbij aan de orde: ( a) het door Haskoning niet gebruiken van het voorgeschreven format bij het indienen van de referentieopdracht; ( b) het door Haskoning niet (volledig) opstellen van de referentieopdracht in de Nederlandse taal; ( c) het aanvullen en/of onjuist en onvolledig invullen door Haskoning van het format na herstel; ( d) het niet binnen de referentietermijn vallen van de referentieopdracht. De voorzieningenrechter zal deze aspecten hierna achtereenvolgens behandelen. juridisch kader 5.4. Aanbestedingsprocedures strekken er, kort gezegd, toe om eerlijke mededinging bij overheidsopdrachten te waarborgen.

Dat moet ertoe leiden dat een overheidsopdracht wordt uitgevoerd door de, gezien de door de aanbestedende dienst geformuleerde behoeften, meest geschikte ondernemer. Dit wordt het beste bevorderd als een aanbestedingsprocedure (onder meer) zowel in opzet als in uitvoering voldoende transparant is voor ondernemers en zij op gelijke en niet-discriminerende wijze worden behandeld. Hoewel de aan inschrijving gestelde eisen, voor zover rechtmatig, nauwgezet en in ieder geval voor alle inschrijvers gelijkelijk moeten worden gehandhaafd, mag dit, gelet op het doel om de mededinging te bevorderen, niet uitmonden in formalisme waarbij te verregaande gevolgen verbonden worden aan zuivere vormfouten of onduidelijkheden.

In dit verband is ook van belang dat artikel 56 lid 3 van Richtlijn 2014/24/EU bepaalt dat als door de ondernemers in te dienen informatie of documentatie onvolledig of onjuist is of lijkt te zijn of wanneer specifieke documenten ontbreken, de aanbestedende diensten, tenzij het nationale recht ter uitvoering van deze richtlijn anders bepaalt, de betrokken ondernemers kunnen verzoeken die informatie of documentatie binnen een passende termijn in te dienen, aan te vullen, te verduidelijken of te vervolledig en, mits die verzoeken worden gedaan met volledige inachtneming van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie. 5.5.

De aanbestedende dienst zal een inschrijving in elk geval moeten uitsluiten als na een voldoende zorgvuldig onderzoek blijkt dat in de inschrijvingsdocumenten, als geheel beschouwd, niet alle verlangde informatie is verstrekt die nodig is voor de inhoudelijke beoordeling van de inschrijving en waarvan de juistheid ten tijde van het sluiten van de inschrijvingstermijn niet achteraf op objectieve wijze kan worden aangetoond. In dat geval zal immers gelden dat een aanvulling, verduidelijking of verbetering neerkomt op indiening van een nieuwe inschrijving na het sluiten van de daarvoor geldende termijn, die als niet alle inschrijvers daartoe gelegenheid wordt geboden zonder meer ontoelaatbaar is gelet op het gelijkheidsbeginsel.

In andere gevallen kan uit het zorgvuldigheidsbeginsel volgen dat een aanbestedende dienst een inschrijver gelegenheid biedt voor aanvulling, verduidelijking en/of verbetering, zulks binnen de perken van de aanbestedingsrechtelijke beginselen van gelijkheid en transparantie. Is de verlangde informatie door de inschrijver tijdig verstrekt in de inschrijvingsdocumenten of valt deze informatie onmiskenbaar daaruit af te leiden, maar is deze niet opgenomen in het juiste document of op de juiste plaats, dan dient de aanbestedende dienst dit in beginsel op te vatten als een herstelbare vergissing.

Het uitsluiten van een inschrijving op enkel deze grond vormt in beginsel een onaanvaardbare beperking van de toegang tot de aanbestedingsprocedure. Het ligt in deze gevallen op de weg van de aanbestedende dienst om de inschrijver indien nodig in de gelegenheid te stellen de inschrijving nader toe te lichten of te herstellen zodat de materiële inhoud van de inschrijving als dat nodig is overeenstemt met de vormvereisten (zonder dat dat ertoe mag leiden dat, als gevolg van het aandragen van nieuwe informatie, in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt ingediend). is sprake van een ongeldige inschrijving? 5.6.

Niet in geschil is dat de inschrijvers bij de aanbesteding voor het aanleveren van de benodigde referentieopdracht gebruik dienden te maken van een standaard format en van de Nederlandse taal en dat Haskoning bij de inschrijving een in het Engels opgesteld Client Satisfaction Statement als referentieopdracht heeft ingediend en het voorgeschreven format niet heeft gebruikt. De inschrijving van Haskoning is daarom in eerste instantie ter zijde gelegd. In het kader van het geboden herstel heeft Haskoning weer het Client Satisfaction Statement ingebracht, voorzien van een Nederlandse vertaling.

Verder heeft zij met behulp van het format de referentieopdracht onder vermelding van “RHDHV” ingediend. 5.7. Volgens Phinion waren inschrijvers volgens de aanbestedingsstukken verplicht om bij hun inschrijving een in het Nederlands opgestelde rechtsgeldig ondertekende referentie te voegen conform het door WDOD bijgevoegde Format Kerncompetentie en betreft dit een Knock-Out-criterium (KO-criterium), zodat het niet voldoen aan de eis leidt tot uitsluiting. Omdat alleen gelegenheid tot herstel mag worden geboden als een ontbrekend stuk niet verplicht moest worden verstrekt, had WDOD Haskoning geen mogelijkheid mogen bieden om de gevraagde informatie alsnog via het format aan te leveren.

Herstel is volgens Phinion in strijd met de beginselen van transparantie en gelijke behandeling van Phinion, wiens inschrijving op datum inschrijving wel voldeed aan de gestelde eisen. 5.8. WDOD meent dat het KO-element slechts ziet op de situatie dat er helemaal geen document is geüpload. In Mercell kan een geüpload document niet worden getoetst op type en/of volledigheid. Voor een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver was duidelijk dat het enkele niet gebruiken van het format niet automatisch zou leiden tot uitsluiting.

In de aanbestedingsstukken is ook meerdere keren de mogelijkheid tot herstel expliciet benoemd. Herstel was dus mogelijk. 5.9. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de aanbestedingsstukken het woord “dient” op diverse plaatsen voorkomt in relatie tot het te gebruiken format, evenals “KO”. Daarmee is echter niet gezegd dat een fout, gelegen in het niet aanleveren van gegevens conform het juiste format, leidt tot uitsluiting. Er moet immers niet alleen naar de letterlijke tekst gekeken worden, maar ook naar de context. Daaruit blijkt dat een inschrijving die niet aan de gestelde vormvereisten en voorschriften voldoet ter zijde kan worden gesteld (dus een discretionaire bevoegdheid), waarbij kennelijke gebreken hersteld mogen worden (artikel 2.4., Stap 1).

Onder Stap 2 staat dat, als op een inschrijver een uitsluitingsgrond van toepassing is of als niet aan de geschiktheidseisen wordt voldaan, de inschrijving ter zijde zal worden gelegd, maar ook hier is uitdrukkelijk de mogelijkheid van herstel benoemd. In de begrippenlijst staat verder dat onder een eenvoudig te herstellen omissie wordt verstaan een omissie die gecorrigeerd kan worden zonder dat dit de inhoudelijke kant (onderdelen die rechtstreeks van invloed zijn op de gunningscriteria) van de inschrijving beïnvloedt. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet de vorm, maar de inhoud van de informatie die wordt geüpload bepalend.

Een gebrek in de vorm kan worden hersteld, een gebrek in de inhoud niet. Het niet gebruiken van het juiste format en het gebruik van de Engelse in plaats van de Nederlandse taal zijn gebreken qua vorm, en niet qua inhoud. Er is dus geen sprake van de situatie dat een stuk niet is ingediend, maar van de situatie dat het ingediende stuk niet de juiste vorm heeft. WDOD mocht aan Haskoning dan ook de mogelijkheid van herstel bieden, binnen de grenzen van de beginselen van het aanbestedingsrecht. Dit is in lijn met de jurisprudentie als aangehaald in het toetsingskader.

Het bieden van een herstelmogelijkheid aan Haskoning is niet in strijd met de beginselen van transparantie en gelijke behandeling, nu deze mogelijkheid expliciet in de stukken van de aanbesteding is benoemd en slechts ziet op herstel van kennelijke, niet-inhoudelijke gebreken. Waar Phinion nog stelt dat het Client Satisfaction Statement niet rechtsgeldig ondertekend is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat zij die stelling, in het licht van de betwisting van de kant van WDOD en Haskoning, onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Het feit dat het vak met de handtekening zwart is gelakt, betekent niet dat de handtekening ontbreekt en/of niet is gezet door een daartoe bevoegde persoon. aanvullen, onjuist en/of onvolledig invullen van format na herstel en al dan niet binnen de termijn vallen van oplevering referentieopdracht 5.10.

Phinion stelt dat de stukken die Haskoning na de haar geboden herstelmogelijkheid heeft ingediend in feite neerkomen op een nieuwe inschrijving. In het bij inschrijving door Haskoning ingediende Client Satisfaction Statement staat niet alle informatie die nodig is om te beoordelen of Haskoning aan de geschiktheidseisen voldoet en die informatie kan niet bij wege van herstel alsnog worden ingediend. Voor zover de in het kader van het herstel overgelegde stukken nieuwe informatie bevatten, nodig om aan te tonen dat Haskoning aan de gestelde geschiktheidseis voldoet, is sprake van een onacceptabele nieuwe inschrijving.

Verder volgt uit de stukken niet dat Haskoning de referentieopdracht heeft uitgevoerd (RHDHV duidt op Royal HaskoningDHV, haar moedermaatschappij), maar wel dat zij niet de hoofdaannemer was op het project (anders dan vermeld) en dat dit niet was opgeleverd vóór de datum van uitnodiging tot inschrijving (18 januari 2024). Om daarover meer duidelijkheid te krijgen, heeft Phinion haar eis in het 843a RV-incident gewijzigd. 5.11. Volgens WDOD beschikt Haskoning over de benodigde ervaring en voldoet zij aan de geschiktheidseis. In de referentie die Haskoning bij inschrijving op haar eigen formulier heeft ingediend lag alle informatie besloten die ook in het format werd uitgevraagd.

WDOD heeft de inschrijving van Haskoning beoordeeld op basis van de oorspronkelijk door haar bij de inschrijving ingediende stukken. Haskoning voldoet volgens WDOD al op basis van die oorspronkelijke referentie aan de geschiktheidseis. 5.12. De voorzieningenrechter overweegt dat bij de beoordeling van de hier gehanteerde gunningscriteria aan enige mate van subjectiviteit niet te ontkomen valt. Dat levert enige spanning op met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling, maar hoeft nog niet mee te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met dat recht en/of die beginselen.

Van belang is dat (i) het voor een potentiële inschrijver duidelijk is wat er van hem wordt verwacht, dat (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld en dat (iii) de gunningsbeslissing zodanig inzichtelijk wordt gemotiveerd dat het voor een afgewezen inschrijver mogelijk is om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen. De voorzieningenrechter komt een beperkte toetsingsvrijheid toe wanneer het aankomt op de beoordeling van kwalitatieve criteria. Aan de aangewezen beoordelingscommissie, waarvan de deskundigheid in beginsel moet worden aangenomen, moet de nodige beoordelingsruimte worden gegund, mede omdat de rechter geen specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de opdracht.

Alleen als sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling en/of procedurele of inhoudelijke onjuistheden en/of onduidelijkheden, die zouden kunnen meebrengen dat de beslissing tot gunning niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter. 5.13. De na herstel via het format ingediende Referentieopdracht RHDHV bevat in het Nederlands dezelfde informatie die al in het Client Satisfaction Statement was opgenomen, maar ook enige extra informatie, zoals de vermelding van de naam van de inschrijver, de mededeling dat Haskoning als hoofdaannemer is opgetreden en niet als combinant en dat de opleverdatum februari 2024 is. 5.14.

De eerste vraag die voorligt is of is voldaan aan de eis dat de referentieopdracht vóór de in de aanbestedingsstukken genoemde opleverdatum is opgeleverd. Om die vraag te kunnen beantwoorden moet eerst worden vastgesteld wat die opleverdatum is. Phinion heeft zich op het standpunt gesteld dat de opleverdatum 18 januari 2024 is, dat is de datum van de uitnodiging tot inschrijving van de aanbesteding. Oplevering in februari 2024, zoals blijkt uit de door Haskoning ingediende Referentieopdracht RHDHV, is dus te laat. Volgens WDOD en Haskoning is de uiterste datum van inschrijving op de aanbesteding bepalend voor de vaststelling van de opleverdatum.

Phinion is daar in de dagvaarding ook van uitgegaan. Dit betekent dat de referentieopdracht uiterlijk 3 juni 2024 opgeleverd moest zijn. WDOD en Haskoning verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt ook naar de eisen bij het invullen van de referentie in 3.6. van de Aanbestedingsleidraad. De voorzieningenrechter stelt vast dat de aanbestedingsstukken op dit punt niet eenduidig zijn. Op enkele plaatsen staat als eis vermeld dat de inschrijver in de periode van drie jaar voorafgaande aan de datum van de uitnodiging tot inschrijving minimaal één opdracht heeft uitgevoerd en opgeleverd.

In 3.6. staat dat de referentieopdracht niet ouder mag zijn dat drie jaar voorafgaande aan de uiterlijke datum van inschrijving. Het staat vast dat Haskoning de referentieopdracht niet vóór de datum van de uitnodiging tot inschrijving, maar wel vóór de datum van inschrijving heeft opgeleverd. Uit het feit dat i) Haskoning een referentieopdracht met opleverdatum februari 2024 heeft ingediend, ii) WDOD die referentieopdracht als tijdig heeft aanvaard en iii) Phinion in haar dagvaarding als het gaat om de opleverdatum ook van de datum van inschrijving uitgegaan is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver ervan moest uitgaan dat de referentieopdracht vóór de datum van de inschrijving (juni 2024) moest zijn opgeleverd.

Oplevering van de referentieopdracht in februari 2024 valt dus binnen de in de aanbestedingsstukken genoemde termijn. Dat de referentieopdracht (niet later dan) in februari 2024 is opgeleverd, is geen nieuwe informatie, die pas na de gelegenheid tot herstel is verstrekt. Uit het oorspronkelijk ingediende Client Satisfaction Statement van 17 februari 2024 blijkt immers dat het referentieproject op dat moment ‘has been carried out’ (opgeleverd was). Gelet hierop gaat de voorzieningenrechter voorbij aan de stelling van Phinion, gebaseerd op Linkedin-berichten maar niet nader met stukken onderbouwd, dat de opleverdatum oktober 2024 was. 5.15.

De voorzieningenrechter volgt Phinion niet in haar betoog dat de referentieopdracht gelet op de afgegeven referentie niet is uitgevoerd door inschrijver Haskoning, maar door Royal HaskoningDHV, ofwel Koninklijke HaskoningDHV Groep B.V., de moeder van de inschrijver. Haskoning heeft een afdoende verklaring gegeven voor het gebruik van de term RHDHV in het bij inschrijving ingediende Client Satisfaction Statement, namelijk dat de naam Royal HaskoningDHV en de afkorting RHDHV door meerdere vennootschappen binnen de groep, waaronder Haskoning, gebruikt worden en dat daarom ook klanten die namen gebruiken.

Gelet ook op de expliciete bevestiging van Haskoning dat zij degene is geweest die de werkzaamheden waarvoor de referentie is afgegeven heeft verricht, heeft WDOD er op mogen vertrouwen dat de referentie aan de inschrijver was gericht, zodat er geen reden was om de inschrijving uit te sluiten vanwege het inbrengen van een niet van belang zijnde, want op naam van een ander staande referentie. 5.16. Phinion heeft zich ook nog op het standpunt gesteld dat Haskoning weliswaar heeft verklaard de referentieopdracht als hoofdaannemer te hebben uitgevoerd, maar dat uit de stukken blijkt dat Royal HaskoningDHV op haar eigen website twee partners vermeldt met wie zij de opdracht heeft uitgevoerd (Tecsa en Veovo), zodat aangenomen moet worden dat de referentieopdracht in combinatie is uitgevoerd en dat een aantal vereiste competenties niet aan (Royal) Haskoning(DHV) maar aan diens partners moeten worden toegeschreven.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vermelding dat Haskoning hoofdaannemer is nieuwe informatie is ten opzichte van de bij inschrijving ingediende stukken. WDOD en Haskoning hebben er echter terecht op gewezen dat in de aanbestedingstukken niet de eis wordt gesteld dat de referentieopdracht als hoofdaannemer is uitgevoerd. Het gaat erom of Haskoning als hoofdaannemer óf als combinant de werkzaamheden heeft uitgevoerd waarop de referentie betrekking heeft. Gelet hierop is in zoverre geen sprake van relevante nieuwe informatie. Ook als Tecsa de contractant van Grandi Stationi Rail SpA is geweest, wil dat niet zeggen dat Haskoning niet als hoofdaannemer is opgetreden en niet zelf de relevante werkzaamheden heeft uitgevoerd.

WDOD heeft naar haar zeggen op basis van de referentie-opdracht, vervat in het oorspronkelijke Client Satisfaction Statement, aangenomen dat Haskoning degene is geweest die zelfstandig de opdracht heeft uitgevoerd. Daarbij heeft WDOD betrokken dat de referentie is gericht aan Haskoning en niet aan bijvoorbeeld Tecsa. Mede in het licht van de ter zitting door Haskoning gegeven toelichting dat het Pedcast-systeem dat in het Client Satisfaction Statement wordt genoemd een product van Haskoning is waarop zij een patent heeft, heeft Phinion onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken dat de referentie niet ziet op door Haskoning uitgevoerde werkzaamheden.

Uitsluiting van de inschrijving van Haskoning vanwege het indienen van een referentie van een ander is dan ook niet aan de orde. 5.17. Phinion stelt ten slotte dat noch uit de door Haskoning via het Client Satisfaction Statement verschafte informatie noch uit de door haar na herstel verstrekte informatie blijkt dat zij aan de geschiktheidseisen voldoet. WDOD en Haskoning stellen daartegenover dat alleen al uit de informatie die in het Client Satisfaction Statement staat, blijkt dat Haskoning beschikt over de in het kader van de geschiktheid vereiste ervaring en dat door Haskoning na herstel ingediende extra informatie niet relevant is en niet betrokken is geweest in de beoordeling.

De voorzieningenrechter stelt vast dat WDOD heeft geoordeeld dat Haskoning voldoet aan de geschiktheidseis en de ervaringseis. Phinion heeft daar haar vraagtekens bij, maar heeft onvoldoende onderbouwd dat de door WDOD uitgevoerde beoordeling van de ervaringseis inhoudelijk onjuist is en/of dat de inschrijvingen van Haskoning en Phinion niet op dezelfde manier zijn beoordeeld. 5.18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de slotsom dat Phinion niet aannemelijk heeft weten te maken dat de inschrijving van Haskoning ter zijde had moeten worden gelegd en/of dat op de door haar genoemde punten sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling door WDOD, dan wel procedurele of inhoudelijke onjuistheden en/of onduidelijkheden.

Er bestaat daarom, mede gezien de beperkte toetsingsvrijheid van de rechter, geen grond om te concluderen dat de beslissing van WDOD om de terzijdelegging van de inschrijving van Haskoning ongedaan te maken en na beoordeling te beslissen om alsnog aan Haskoning te gunnen, niet deugt en moet worden ingetrokken. uitsluiting ex artikel 2.87 van de Aanbestedingswet 5.19. Uit het voorgaande volgt ook dat de voorzieningenrechter Phinion niet volgt in haar stelling dat Haskoning WDOD om de tuin heeft geleid door te doen alsof het project haar eigen referentie is en door te stellen dat zij het project in hoofdaanneming heeft uitgevoerd en zelfstandig voldoet aan de kerncompetentie.

Anders dan Phinion stelt kan hierin dan ook geen reden zijn gelegen om de inschrijving van Haskoning op grond van het in artikel 2.87 lid 1 sub h en i van de Aanbestedingswet bepaalde, uit te sluiten. in het incident ex artikel 843a Rv 5.20. Artikel 843a, eerste lid Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.

Op grond van artikel 843a, vierde lid Rv kan degene die over de betreffende bescheiden beschikt de gevorderde inzage weigeren indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede als redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Of de redenen die zijn aangevoerd tegen verschaffing van de gevraagde gegevens opwegen tegen de eisen van een behoorlijke rechtsbedeling moet door de rechter in een belangenafweging worden beoordeeld. 5.21. Met toestemming van Haskoning heeft WDOD naar aanleiding van de incidentele vordering zoals die oorspronkelijk door Phinion was geformuleerd al het oorspronkelijke Client Satisfaction Statement en de Referentieopdracht RHDHV in het geding gebracht, waarbij volgens Haskoning slechts de bedrijfsgevoelige informatie onleesbaar is gemaakt.

Na bestudering van die stukken en na speurwerk op de website van Haskoning en op social media heeft Phinion haar incidentele vordering uitgebreid in die zin dat zij nu ook afgifte vordert van de onleesbaar gemaakte tekst uit de genoemde stukken. Daarnaast vordert zij afgifte van de pagina van de overeenkomst die Royal Haskoning DHV (of een andere entiteit uit het Haskoning-concern) met Grandi Stationi Rail SpA heeft gesloten in het kader van het referentieproject, én de handtekeningpagina. 5.22. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat in dit geval aan toewijzing van deze vordering in de weg dat Phinion door in te schrijven op de aanbesteding ermee heeft ingestemd dat inschrijvingen vertrouwelijk worden behandeld en alleen worden getoond aan medewerkers die direct bij de aanbestedingsprocedure zijn betrokken.

Daar komt bij dat WDOD op grond van artikel 2.57 lid 1 Aanbestedingswet gehouden is de door Phinion verzochte stukken niet openbaar te maken. 5.23. Zoals de voorzieningenrechter hiervoor al heeft geoordeeld, is er geen reden om aan te nemen dat WDOD niet enkel op basis van het bij inschrijving door Haskoning ingediende Client Satisfaction Statement tot gunning van de opdracht aan Haskoning heeft kunnen en mogen komen. De bij Phinion gerezen vragen en twijfels hebben WDOD en Haskoning afdoende weerlegd en de voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling, dan wel procedurele of inhoudelijke onjuistheden en/of onduidelijkheden. 5.24.

Net zoals de voorzieningenrechter de beslissing van WDOD maar aan een beperkte toets kan onderwerpen, heeft voor de verliezende inschrijver te gelden dat uitgangspunt in het aanbestedingsrecht is dat zij recht heeft op zodanige informatie van de aanbestedende dienst, dat zij daaruit kan begrijpen waarom zijn inschrijving niet als de winnende uit de beoordeling is gekomen, en niet meer dan dat. Het is niet aan de verliezende inschrijver of de rechter om aan de hand van opgevraagde informatie het beoordelingsproces over te doen. Daar komt bij dat een aanbestedende dienst in beginsel geen informatie mag openbaren die de rechtmatige commerciële belangen van een inschrijver zouden kunnen schaden.

Met haar vordering om ook inzage te krijgen in onleesbaar gemaakte gedeeltes van stukken vraagt Phinion om informatie op de verstrekking waarvan zij geen recht heeft. Die vordering zal dan ook worden afgewezen. Datzelfde geldt voor de gevorderde afgifte van een deel van de overeenkomst. WDOD stelt niet over dit document te beschikken en om die reden al niet aan de vordering te kunnen voldoen. Maar daarnaast heeft WDOD er terecht op gewezen dat Phinion geen belang meer heeft bij deze vordering, omdat inmiddels al duidelijk geworden is dat de overeenkomst niet met Haskoning, maar met Tecsa is gesloten. 5.25.

Met betrekking tot het (subsidiaire) verzoek aan de voorzieningenrechter om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om op grond van de artikelen 22 Rv van de bescheiden kennis te nemen overweegt de voorzieningenrechter dat hij, met inachtneming van wat hiervoor is overwogen, geen aanleiding ziet om gebruik te maken van deze bevoegdheid. slotsom en proceskosten 5.26. De slotsom is dat er geen grond bestaat voor toewijzing van de vorderingen van Phinion. Nu WDOD van plan is de opdracht ook definitief te gunnen aan Haskoning, brengt die beslissing mee dat de Haskoning geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vordering, zodat deze worden afgewezen.

Haskoning zal worden veroordeeld in de kosten van WDOD, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat WDOD als gevolg van deze vordering extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet Phinion in haar verhouding tot Haskoning worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van Haskoning was immers te voorkomen dat de opdracht aan Phinion zou worden gegund, welk doel is bereikt. Phinion zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van de Haskoning. Voorts zal Phinion, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, waaronder de nakosten, aan de zijde van WDOD.

6De beslissing

De voorzieningenrechter in de hoofdzaak en in de incidenten 6.1. wijst de vorderingen van Phinion af; 6.2. veroordeelt Haskoning wat betreft de door haar ingestelde vorderingen jegens WDOD in de kosten van WDOD, begroot op nihil; 6.3. veroordeelt Phinion in de overige proceskosten, tot dusver aan de zijde van zowel WDOD als Haskoning begroot op € 1.999,--, waarvan € 714,-- aan griffierecht, € 1.107,-- aan salaris advocaat en € 178,-- aan nakosten, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Phinion niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 6.4. bepaalt dat de verschuldigde proceskosten dienen te worden voldaan binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken en dat bij gebreke daarvan daarover de wettelijke rente verschuldigd is; 6.5. verklaart de veroordelingen onder 6.3. en 6.4. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Haarhuis en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2025. Vgl. overwegingen (1) en (2) van Richtlijn 2014/24/EU en Kamerstukken II 2009-2010, 32440, nr. 3(memorie van toelichting), pp. 3 en 6. HvJ EU, 10 oktober 2013, C336/12, ECLI:EU:C:2013:647, punt 29 en HvJ EU 6 november 2014, C-42/13, ECLI:EU:C:2014:2345, punten 42-46. Vgl. Rb. Midden-Nederland 30 juli 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:3251, rov. 4.25.