Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBOVE:2024:3237 ECLI:NL:RBOVE:2024:3237 AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2024:3237 · Rechtbank Overijssel

Case Number ECLI:NL:RBOVE:2024:3237
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/2111 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, wettelijk vertegenwoordigd door [naam 4], gemachtigde: mr. R. Imkamp, en het college van burgemeester en wethouders van Enschede. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de gevraagde verlening van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Jeugdwet. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college van 30 januari 2024 op 19 juni 2024 op zitting behandeld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2024:3237 · Rechtbank Overijssel: De CRvB heeft in die uitspraken uiteengezet dat de Jeugdwet bepaalt dat gemeenten in hun verordening moeten regelen wat onder 'eigen mogelijkheden' en 'probleemoplossend vermogen' wordt verstaan. Op de zitting zijn deze uitspraken besproken. Namens het college is erkend dat uit de uitspraken volgt dat de verordening die aan de voorliggende besluitvorming ten grondslag ligt niet aan de gestelde voorwaarden voldoet. Ook is besproken dat het aanpassen van de verordening naar verwachting geruime tijd zal kosten. Het nemen van een beslissing door de gemeenteraad over voorwaarden waaronder sprake is van ‘eigen kracht’ vraagt immers om een ingewikkelde politiek-bestuurlijke afweging.

Keywords

AI generated
adjustment of child support need for special education medical care requirements child-raising credit period case of personal hardship adult child maintenance

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2024:1095
22/631 JW Datum uitspraak: 29 mei 2024 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 januari 2022, 21/463 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen (college) SAMENVATTING In deze uitspraak beoordeelt de Raad of het college van burgemeester en wethouders de aanvraag voor jeugdhulp heeft kunnen afwijzen. Daarvoor beantwoordt de Raad eerst de vraag of in de gemeentelijke verordening voldoende is uitgewerkt hoe de toegangsbeoordeling bij aanvragen voor jeugdhulp dient plaats te vinden in het wettelijke systeem.
ECLI:NL:CRVB:2024:1096
22/3327 JW Datum uitspraak: 29 mei 2024 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 september 2022, 21/4511 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Hollands Kroon (college) SAMENVATTING In deze uitspraak beoordeelt de Raad of een afwijzing van een aanvraag voor jeugdhulp vanwege de aanwezigheid van voldoende eigen mogelijkheden stand kan houden, nu de draaglast en de draagkracht van de moeder van appellant in evenwicht zijn.
ECLI:NL:CRVB:2024:1097
22/2689 JW Datum uitspraak: 29 mei 2024 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 juli 2022, 22/616 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) SAMENVATTING In deze uitspraak beoordeelt de Raad of de rechtbank terecht het bestreden besluit tot toekenning van jeugdhulp heeft vernietigd. De Raad concludeert dat dit het geval is, nu in het gemeentelijke regelstellende kader niet op de juiste wijze is neergelegd hoe invulling wordt gegeven aan de gebruikelijke hulp door de ouders.
ECLI:NL:CRVB:2023:1580
20/3307 WMO15, 20/3320 WMO15, 22/3799 WMO15 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 maart 2020, 19/1891 (aangevallen tussenuitspraak) en de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 14 augustus 2020, 19/1891 (aangevallen einduitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (college) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) Datum uitspraak: 16 augustus 2023 PROCESVERLOOP Met een besluit van 2 januari 2019 heeft het college op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) aan betrokkene voor de periode van 1 juli 2019 tot en met 31 december 2020 een maatwerkvoorziening individuele begeleiding verstrekt van elf uur per week in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/2111 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, wettelijk vertegenwoordigd door [naam 4], gemachtigde: mr. R. Imkamp, en het college van burgemeester en wethouders van Enschede. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de gevraagde verlening van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Jeugdwet. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college van 30 januari 2024 op 19 juni 2024 op zitting behandeld.

Voor eiser waren aanwezig zijn gemachtigde en [naam 1] . Namens het college zijn verschenen [naam 2] en [naam 3] . Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank De feiten 1.1. [eiser] (eiser) heeft vanwege een ernstig ongeluk op vierjarige leeftijd een hersenbeschadiging opgelopen. [eiser] is nu veertien jaar en heeft bij veel dagelijkse activiteiten ondersteuning nodig. Deze ondersteuning wordt thuis geboden door zijn ouders. De ouders van [eiser] zijn gescheiden en er is sprake van co-ouderschap. [eiser] volgt speciaal onderwijs. 1.2.

Aanvankelijk heeft het college voor de ondersteuning thuis een pgb op grond van de Jeugdwet verstrekt voor 80 uur per maand, wat neerkomt op ruim 18 uur per week. Dit pgb werd door de ouders onderling verdeeld. Omdat deze indicatie afliep op 30 juni 2023 heeft eisers moeder een aanvraag ingediend voor verlenging (verlening van een pgb voor een aansluitende periode). In het budgetplan is een beschrijving van de te verlenen ondersteuning gegeven en is ook verzocht om verhoging van de indicatie naar 27,5 uur per week. 1.3. Het college is na onderzoek gekomen tot de bestreden besluitvorming.

Eigen kracht 2. Volgens het college is er geen voorziening meer nodig omdat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders van eiser toereikend zijn. Uit onderzoek blijkt immers dat zij zelf oplossingen hebben gevonden om de vereiste ondersteuning te kunnen bieden. Er zijn afspraken gemaakt met de werkgever en er wordt hulp van derden geregeld op het moment dat de ouders zelf niet beschikbaar zijn. De uitspraken van 29 mei 2024 3. Op 29 mei 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) drie uitspraken gedaan over de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (hierna ook: eigen kracht) als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet.

De CRvB heeft in die uitspraken uiteengezet dat de Jeugdwet bepaalt dat gemeenten in hun verordening moeten regelen wat onder 'eigen mogelijkheden' en 'probleemoplossend vermogen' wordt verstaan. Op de zitting zijn deze uitspraken besproken. Namens het college is erkend dat uit de uitspraken volgt dat de verordening die aan de voorliggende besluitvorming ten grondslag ligt niet aan de gestelde voorwaarden voldoet. Ook is besproken dat het aanpassen van de verordening naar verwachting geruime tijd zal kosten. Het nemen van een beslissing door de gemeenteraad over voorwaarden waaronder sprake is van ‘eigen kracht’ vraagt immers om een ingewikkelde politiek-bestuurlijke afweging.

Namens het college is op de zitting voorgesteld in afwachting van de aanpassing van de verordening een pgb toe te kennen in de oude omvang, dus voor 80 uur per maand, tot aan 1 juli 2025. Eiser is het hiermee niet eens. Hij heeft om een pgb verzocht van 27,5 uur per week tot hij de leeftijd van 18 jaar bereikt. Partijen hebben de rechtbank vervolgens gevraagd na gegrondverklaring en vernietiging van het bestreden besluit zelf in de zaak te voorzien. Conclusie en gevolgen 4. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit wegens een gebrek in de verordening niet berust op een deugdelijke wettelijke grondslag en in strijd is met de wet.

Het beroep is gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak op de volgende wijze.

5. Eiser wordt over de periode 1 juli 2023 tot en met 31 december 2025 in aanmerking gebracht voor ondersteuning vanuit de Jeugdwet in de vorm van een pgb. De rechtbank houdt rekening met het feit dat het nog geruime tijd zal duren voordat de verordening is aangepast, waarna nog een aanvraag moet volgen en onderzoek moet worden gedaan door het college. Een periode van 1,5 jaar kan daarvoor toereikend zijn. De rechtbank vindt het echter niet juist toe te kennen tot eiser 18 jaar is. Toekenning voor een periode van drie jaar (totdat eiser 18 jaar wordt) zou kunnen leiden tot een situatie die niet in overeenstemming is met het door de raad te formuleren beleid op het gebied van de ‘eigen kracht’.

De rechtbank is van oordeel dat daardoor het politieke primaat van de gemeenteraad wordt doorkruist. De omvang van het pgb wordt bepaald op 27,5 uur per week. Namens eiser is er in dit verband terecht op gewezen dat uit het ondersteuningsplan van het college volgt dat de totale omvang van de benodigde ondersteuning meer is dan 27,5 uur per week. Voor eiser is een pgb met een omvang van 27,5 uur ondersteuning per week voldoende. Het tarief van het pgb wordt conform geldende rechtspraak vastgesteld overeenkomstig salarisschaal FWG30 van de voor de betreffende periode geldende CAO VVT.

6. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van de proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De kosten in bezwaar stelt de rechtbank vast op € 1.248,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 624,- en wegingsfactor 1). De kosten in beroep stelt de rechtbank vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1). De totale proceskosten stelt de rechtbank vast op € 2.998,-.

7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - herroept het primaire besluit; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit en kent eiser een pgb toe zoals hiervoor bepaald in rechtsoverweging 5; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 2.998,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2024 door mr. W.M.B. Elferink, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Uitspraken van 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1095, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en ECLI:NL:CRVB:2024:1097. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1580 (Wmo).