Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBOVE:2022:102 ECLI:NL:RBOVE:2022:102 AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2022:102 · Rechtbank Overijssel

Case Number ECLI:NL:RBOVE:2022:102
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08/179893-21 Datum vonnis: 18 januari 2022 Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] (Suriname), wonende aan de [adres] , nu verblijvende in de P.I. Almelo te Almelo. 1De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 15.610,50.

Legislator headnote

AI generated

artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, artikel 36e Sr, artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering; ECLI:NL:RBOVE:2022:102 · Rechtbank Overijssel: De rechtbank: stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 17.400,00; legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 15.610,50 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 312 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. W.B. Bruins, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. R.M. van Vuure, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2022. Buiten staat Mr. W.B. Bruins is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Keywords

AI generated
cost recovery counsel fees procedural costs legal aid costs disability-related expenses legal representation costs

Cited Legislation

AI generated
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
artikel 36e Sr
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08/179893-21 Datum vonnis: 18 januari 2022 Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] (Suriname), wonende aan de [adres] , nu verblijvende in de P.I. Almelo te Almelo. 1De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 15.610,50.

2De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 4 januari 2022. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E.A.W. Nabbe, advocaat in Arnhem, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord. Op de terechtzitting van 4 januari 2022 heeft de officier van justitie mr. M. ten Velde haar vordering gehandhaafd. De raadsvrouw heeft het volgende aangevoerd, zakelijk weergegeven. De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering dient te worden gematigd, omdat de periode dient te worden ingekort tot zes maanden. Omdat geenszins vaststaat dat verdachte degene is geweest die alle 65 aangevers heeft opgelicht en bestolen, dient voor vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel te worden uitgegaan van de lijst met geconcretiseerde bedragen van ten hoogste € 14.071,06.

De raadsvrouw betwist de hoogte van de uitgaven bij [bedrijf] , [bedrijf] nl, de [bedrijf] en [bedrijf] , en komt vervolgens tot een totaal bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel, na aftrek van de kosten, van € 4.737,00. Verdachte heeft ter terechtzitting van 4 januari 2022 verklaard, dat hij gedurende zes maanden ongeveer € 3.000,00 per maand heeft verdiend. 3De beoordeling van de vordering 3.1 Veroordeling De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 18 januari 2022 veroordeeld, voor zover van belang, voor de strafbare feiten: feit 1 het misdrijf: medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd feit 2 het misdrijf: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd feit 3 het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd 3.2 De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel Op grond van het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan op vordering van het Openbaar Ministerie bij afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit dat feit.

Daartoe moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van het bewezen verklaarde. De rechtbank is van oordeel dat de veroordeelde door het oplichten van meerdere aangevers, het plegen van computervredebreuk om vervolgens met behulp van een valse sleutel geld van de rekening van genoemde aangevers te stelen, voordeel heeft verkregen. De rechtbank komt tot deze beslissing op grond van de feiten en omstandigheden uit de bewijsmiddelen, zoals die in het vonnis van 18 januari 2022 in de onderliggende strafzaak zijn opgenomen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 4 januari 2022 verklaard dat hij gedurende zes maanden, € 3.000,00 per maand heeft verdiend. Met aftrek van de gemaakte kosten van € 600,00 voor het huren van een panel à € 100,00 per maand, komt het wederrechtelijk verkregen voordeel dat verdachte volgens zijn eigen verklaring heeft genoten op een bedrag van € 17.400,00. De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 17.400,00. 3.3 De vaststelling van de betalingsverplichting De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag, zoals gevorderd door de officier van justitie, van € 15.610,50.

4De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5De beslissing

De rechtbank: stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 17.400,00; legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 15.610,50 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 312 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. W.B. Bruins, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. R.M. van Vuure, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2022. Buiten staat Mr. W.B. Bruins is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.