Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBOVE:2020:976 ECLI:NL:RBOVE:2020:976 AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2020:976 · Rechtbank Overijssel

Case Number ECLI:NL:RBOVE:2020:976
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08-952282-14 Datum vonnis: 5 maart 2020 Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats] ( [land] ), wonend aan [adres] . 1De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 216.561,00.

Legislator headnote

AI generated

artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, artikel 36e Sr, artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering; ECLI:NL:RBOVE:2020:976 · Rechtbank Overijssel: De rechtbank: stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 216.561,00 legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 216.561,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op één dag. Dit vonnis is gewezen door mr. drs. H.M. Braam, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. C.A. Peterzon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Bakker, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2020.

Keywords

AI generated
customs tax fraud fraudulent concealment of defects missing case documents allegations of fraudulent behavior counterfeiting of goods concealment of assets

Cited Legislation

AI generated
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
artikel 36e Sr
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08-952282-14 Datum vonnis: 5 maart 2020 Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats] ( [land] ), wonend aan [adres] . 1De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 216.561,00.

2De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 20 februari 2020. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C.R. Pirone , advocaat in Rijen, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord. Op de terechtzitting van 20 februari 2020 heeft de officier van justitie mr. M. Hoekstra zijn vordering gehandhaafd. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen bedrag aannemelijk is en voor ontneming in aanmerking komt, met dien verstande dat de betalingsverplichting op nihil dient te worden gesteld, in verband met de financiële draagkracht en het faillissement van verdachte. 3De beoordeling van de vordering 3.1 Veroordeling De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 5 maart 2020 veroordeeld, voor zover van belang, voor de strafbare feiten: feit 1, 2, 3, 4 en 5 het misdrijf: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft. 3.2 De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier, het in de onderhavige zaak door de Politie IJsselland-Zuid op 8 februari 2019 opgemaakte “Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ” met de daarbij gevoegde bijlagen en de door de officier van justitie en de raadsvrouw van de veroordeelde ter zitting ingenomen standpunten.

De rechtbank neemt als grondslag voor de ontnemingsvordering de onder genoemd parketnummer door de rechtbank Overijssel, zittingslocatie Zwolle, bij vonnis van 5 maart 2020 tegen de veroordeelde bewezen verklaarde hiervoor genoemd strafbare feiten. De rechtbank acht op basis van de wettige bewijsmiddelen aannemelijk dat de veroordeelde voordeel heeft genoten uit het verduisteren van geld van zijn klanten uit hoofde van zijn bedrijf. Zij ontleent aan de inhoud van die bewijsmiddelen tevens de schatting van dat voordeel. In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij deze beslissing.

De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 216.561,00 3.3 De vaststelling van de betalingsverplichting De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 216.561,00.

4De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5De beslissing

De rechtbank: stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 216.561,00 legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 216.561,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op één dag. Dit vonnis is gewezen door mr. drs. H.M. Braam, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. C.A. Peterzon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Bakker, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2020.