Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBOVE:2017:869 ECLI:NL:RBOVE:2017:869 AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2017:869 · Rechtbank Overijssel

Case Number ECLI:NL:RBOVE:2017:869
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer : 5421517 \ CV EXPL 16-7235 Vonnis van 14 februari 2017 in de zaak van [eiser] ,wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen [eiser] , gemachtigde: mr. E.M. Hol, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE HARDENBERG, zetelend te Hardenberg, gedaagde partij, hierna te noemen de gemeente, gemachtigde: mr. drs. B.E.G. Wiskerke, werkzaam bij Melior Verzekeringen B.V. te Oldenzaal. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 27 - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7 - de conclusie van repliek met producties 1 en 2 - de conclusie van dupliek met (1) productie. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

art. 6:174 BW, art. 6:174 lid 6 BW, artikel 6:174 lid 1 BW, artikel 6:119 BW; ECLI:NL:RBOVE:2017:869 · Rechtbank Overijssel: Niet duidelijk is of de gemeente een andere oplossing heeft gevonden voor het geschetste probleem van derden die het paaltje verwijderen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de weg ten tijde en ter plaatse van het ongeval niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Nu dit gevaar zich in het geval van [eiser] heeft verwezenlijkt is de gemeente op grond van het bepaalde in artikel 6:174 lid 1 BW aansprakelijk voor de door [eiser] in verband daarmee geleden schade. 4.8. De kantonrechter zal de gevorderde schadeposten hierna achtereenvolgens bespreken. 4.8.1. beschadigde kleding Niet betwist is dat broek en schoenen van [eiser] door het ongeval beschadigd zijn. [eiser] noemt als aanschafwaarde van de broek € 100,00 en van de schoenen € 250,00.

Keywords

AI generated
bicycle accident foot injury traffic violation traffic accident liability extreme speeding offence negligent bodily harm

Cited Legislation

AI generated
art. 6:174 BW
De aansprakelijkheid van de wegbeheerder op grond van art. 6:174 BW betreft (de toestand van) de openbare weg, waaronder ingevolge art.
art. 6:174 lid 6 BW
6:174 BW betreft (de toestand van) de openbare weg, waaronder ingevolge art. 6:174 lid 6 BW mede zijn te verstaan het weglichaam en de weguitrusting.
artikel 6:174 lid 1 BW
Nu dit gevaar zich in het geval van [eiser] heeft verwezenlijkt is de gemeente op grond van het bepaalde in artikel 6:174 lid 1 BW aansprakelijk voor de door [eiser] in verband daarmee geleden schade.
artikel 6:119 BW
De aansprakelijkheid van de wegbeheerder op grond van art. 6:174 BW betreft (de toestand van) de openbare weg, waaronder ingevolge art.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2010:BN6236
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a.
ECLI:NL:HR:1965:AB7079
dat hij, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, tegelijkertijd met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; dat het voor hem niet mogelijk was door de zich ter plaatse bevindende coca-colakistjes aan de rechterzijde te passeren, omdat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, en dat de kistjes en de zich aldaar bevindende personen bovendien het zicht op het keldergat hebben ontnomen; (3a) ‘’dat – wat het probandum sub 1 betreft – het Hof bewezen acht, dat Duchateau, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, (3b) dat immers uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom blijkt, dat het voor Duchateau niet mogelijk is geweest, om rechts achter de coca-colakistjes om te lopen, daar reeds de van het luik af naar voren geschoven stoelen en de daaronder geschoven opgerolde mat dit beletten; (4) ‘’dat – wat dit deel van het probandum betreft – het Hof niet bewezen acht, dat Duchateau daarop met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; (5) ‘’dat het Hof echter niet van overwegend belang acht, wat Duchateau in de laatste ogenblikken vóór zijn val na het passeren van de kistjes heeft gedaan, nu door de wederpartij niet is bestreden, dat hij per ongeluk in het kelderruim is gevallen en niet als gevolg van een gewaagde poging, om over het kelderruim heen toch in het herentoilet te komen; (6) ‘’wat het tweede deel van het probandum betreft: (6a) dat niet is bewezen, dat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, (6b) dat integendeel dit volgens de verklaring van getuige Sjouwerman niet het geval was, terwijl getuige Boom deze verklaring heeft bevestigd met zijn verklaring, dat volgens zijn herinnering aan dit tafeltje geen mensen zaten, (6c) dat daarmede allereerst een der redenen is komen te vervallen, waarom Duchateau volgens zijn posita niet rechts van de kistjes kon passeren, doch dat dit niet meer van belang is, nu is gebleken, dat hij dit uit anderen hoofde niet kon doen, (6d) dat verder echter door dit niet-bewezen zijn niet is gebleken, dat voormeld aanwezig zijn van mensen voor Duchateau het zicht op het keldergat heeft ontnomen, (6e) dat hiermede van de door Duchateau gestelde en in het probandum overgenomen redenen, waarom hij het keldergat niet heeft kunnen waarnemen, alleen de aanwezigheid der op elkaar gestapelde coca-colakistjes overblijft, (6f) dat echter, zoals de door de politie na het ongeval gemaakte en in het geding gebrachte foto’s duidelijk uitwijzen, de omvang van deze coca-colakistjes niet zodanig was, dat daarmede het gat geheel onzichtbaar werd gemaakt, terwijl voorts – naar uit die foto’s blijkt – het openstaande luik duidelijk boven de kistjes zichtbaar moet zijn geweest; (7) ‘’dat hieruit volgt, dat Duchateau niet op de omgeving van het herentoilet heeft gelet, toen hij daarbij was gekomen, en het nu de vraag is, of er reden voor hem bestond, om dit te doen; (8a) ‘’dat – al neemt men aan, dat Duchateau vóór het ongeval het openstaande luik niet heeft opgemerkt, gelijk hij beweert, doch de wederpartij betwist – toch voor Duchateau reden bestond bij het naderen van het toilet om zich heen te zien, alvorens verder te gaan, (8b) dat de deur van het herentoilet, naar Coca-Cola heeft gesteld, getuige Sjouwerman heeft verklaard en op de overgelegde situatiefoto’s is te zien, ingevolge de stand van de meergenoemde kistjes slechts gedeeltelijk open kon, (8c) dat dit feit, hetwelk Duchateau niet kan zijn ontgaan, hem zeker tot een opnemen van de omgeving had moeten brengen, zo hem de vreemde plaats van de kistjes daar – gedeeltelijk op het pad – al niet een waarschuwing had moeten zijn, om op die omgeving te letten; (9) ‘’dat, indien hij dit had gedaan, hem het zich daar ter plaatse bevindende keldergat niet had kunnen ontgaan, hetwelk naar uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom moet worden afgeleid, voldoende verlicht was; (10) ‘’dat hieruit volgt, dat hij schuld aan het ongeval heeft, en het thans nog slechts de vraag is, of hier van alle schuld, gelijk de Rechtbank heeft aangenomen, dan wel slechts van medeschuld aan zijn zijde sprake is; (11a) ‘’dat volgens de verklaring van de toenmalige eigenaar van de zaak, getuige Boom, deze in geval hij het luik moest openen, het keldergat barricadeerde met stoelen, (11b) dat getuige Sjouwerman ook gemakkelijk dit gat op deze wijze had kunnen barricaderen, (11c) dat hij dit niet heeft gedaan, maar zich volgens zijn eigen verklaring en die van getuige Boom bepaald heeft tot een opstapelen van de kistjes met lege flessen naast het keldergat, zonder de toegang tot de toiletten geheel af te sluiten; (11d) dat Sjouwerman er rekening mede had behoren te houden, dat bezoekers aan de toegang tot het toilet wellicht niet hun volledige aandacht zouden besteden, (11e) dat, gelet op de eenvoudige middelen, waarmede Sjouwerman – als voormeld – de toegang tot het keldergat afdoende had kunnen barricaderen, zo hij meende zich vandaar te moeten verwijderen, ook hem schuld aan het ongeval treft; (12) ‘’dat het Hof, de schuld van Duchateau en die van Sjouwerman tegen elkaar afwegende, van oordeel is, dat ieder van hen voor de helft aansprakelijk is voor het ongeval; (13) ‘’dat derhalve de door Duchateau aangevoerde grief gedeeltelijk is gegrond en Coca-Cola voor de helft van de door het ongeval geleden schade aansprakelijk is te stellen;’’ Overwegende dat Coca-Cola ’s Hofs arrest bestrijdt met het volgende middel van cassatie:
NJ 1966/136
Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’ (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136 (Kelderluik) en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:47, NJ 2013, 366).
ECLI:NL:HR:2013:47
28 juni 2013 Eerste Kamer nr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer : 5421517 \ CV EXPL 16-7235 Vonnis van 14 februari 2017 in de zaak van [eiser] ,wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen [eiser] , gemachtigde: mr. E.M. Hol, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE HARDENBERG, zetelend te Hardenberg, gedaagde partij, hierna te noemen de gemeente, gemachtigde: mr. drs. B.E.G. Wiskerke, werkzaam bij Melior Verzekeringen B.V. te Oldenzaal. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 27 - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7 - de conclusie van repliek met producties 1 en 2 - de conclusie van dupliek met (1) productie. 1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Op 13 juni 2015 fietste [eiser] vanuit het centrum van Hardenberg richting de Amaliabrug. Omdat hem drie fietsters uit tegenovergestelde richting tegemoet kwamen is [eiser] zoveel mogelijk aan de rechterkant van het fietspad gaan rijden. [eiser] heeft daarbij het aan de zijkant van het fietspad geplaatste paaltje over het hoofd gezien. [eiser] heeft met zijn rechterbeen een aan het paaltje gezeten uitsteeksel geraakt. Als gevolg van de aanrijding heeft [eiser] letsel opgelopen in de vorm van een wond aan zijn rechterbeen en zijn zijn broek en schoenen beschadigd. 2.2.

Het fietspad is op de plaats van het ongeval 3,5 meter breed. Aan weerszijden van het fietspad is een RVS paaltje geplaatst. Aan de rechterzijde van de weg (bezien vanuit de rijrichting van [eiser] ) staat het paaltje op de grens tussen fietspad en voetpad. Het uitsteeksel betreft een op het paaltje aangebracht pijpje waaraan een slot kon worden bevestigd zodat het paaltje niet door derden kon worden verwijderd. 2.3. [eiser] heeft de gemeente aansprakelijk gesteld voor geleden schade. Tot op heden heeft de gemeente geen aansprakelijkheid aanvaard voor het ongeval. 2.4.

Na het ongeval is het uitsteeksel afgeslepen. Het paaltje zelf is gehandhaafd. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert - samengevat - dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente zal veroordelen tot betaling van: een hoofdsom van € 4.592,63, de buitengerechtelijke kosten van € 1.190,00, de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 16 juni 2015 en over de buitengerechtelijke kosten vanaf datum verzuim tot aan de dag van volledige betaling, e proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. De gemeente voert verweer. 3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Op de gemeente als wegbeheerder rust de plicht ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt. Deze verplichting is in artikel 6:174 leden 1 en 2 BW verwoord als een risicoaansprakelijkheid. 4.2. Bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, komt het aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236 (Wilnis)).

Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’ (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136 (Kelderluik) en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:47, NJ 2013, 366). 4.3. De aansprakelijkheid van de wegbeheerder op grond van art. 6:174 BW betreft (de toestand van) de openbare weg, waaronder ingevolge art. 6:174 lid 6 BW mede zijn te verstaan het weglichaam en de weguitrusting. 4.4. De stelplicht en de bewijslast dat de gemeente als wegbeheerder aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade, berust bij laatgenoemde. 4.5.

Het hiervoor overwogene in aanmerking nemend is de kantonrechter van oordeel dat de aanwezigheid van een paaltje op de grens tussen voetpad en fietspad op zichzelf niet tot het oordeel leidt dat de weginrichting ter plaatse niet voldeed aan de daaraan te stellen veiligheidseisen. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat het paaltje volgens de gemeente is geplaatst om te voorkomen dat andersoortig verkeer van het fietspad gebruik maakt. Dit is door [eiser] ook niet betwist. Hiermee is met de aanwezigheid van genoemd paaltje (dat ter hoogte van een kruispunt is aangebracht) de functionaliteit en veiligheid van het fietspad gediend.

De omstandigheid dat het paaltje niet is voorzien van een opvallende rood/witte kleurstelling zoals is aanbevolen in de richtlijnen voor het Centrum voor Regelgeving en onderzoek in de Grond en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) brengt niet met zich dat de door de gemeente gekozen uitvoering - gezien de omstandigheden ter plaatse - niet deugdelijk is. In dat verband is van belang dat het hier een paaltje betreft aan de rand van het fietspad en dat het niet gaat om een in het midden van het fietspad geplaatst paaltje. Uit de door de gemeente overgelegde foto’s van de situatie ter plaatse blijkt dat het paaltje goed zichtbaar was.

Daarbij komt dat het paaltje was geplaatst ter hoogte van een kruispunt, waar het deel uitmaakte van een serie paaltjes van dezelfde soort, geplaatst in de hoeken van de kruising en op de scheiding voetpad/fietspad. 4.6. Het voorgaande betekent niet dat de gemeente bij de uitvoering van het paaltje geen rekening hoefde te houden met de mogelijkheid dat een verkeersdeelnemer toch met het paaltje in aanraking zou komen. Voor zover redelijkerwijs mogelijk is dient een paaltje zo te worden uitgevoerd dat bij een eventuele botsing (ernstig) letsel zoveel mogelijk wordt voorkomen.

In dat kader moet een afweging worden gemaakt van hoe groot de kans op (ernstig) letsel is en of dit met behoud van functionaliteit redelijkerwijs is te voorkomen. Evident is dat een op een paaltje aangebracht uitsteeksel met scherpe randen de kans op letsel vergroot. De gemeente betwist ook niet dat het letsel het gevolg is van het feit dat [eiser] met zijn rechterbeen het uitsteeksel met scherpe randen heeft geraakt. 4.7. De gemeente betoogt dat het paaltje uitneembaar diende te zijn met het oog op de doorgang van strooiwagens bij gladheid. Het uitstekende pijpje maakte het mogelijk dat aan het paaltje een slot werd bevestigd zodat deze niet door derden kon worden geopend met behulp van een driehoeksleutel.

Dat het uitstekend pijpje inmiddels is afgeslepen betekent volgens de gemeente niet dat het pijpje niet noodzakelijk was. Op het vervolgens in de conclusie van repliek ingenomen standpunt dat de noodzaak van het uitstekend element dus blijkbaar niet zó groot was, dat dit niet kon worden verwijderd, herhaalt de gemeente slechts haar standpunt dat uit de omstandigheid dat het pijpje inmiddels is weggeslepen niet blijkt dat het pijpje niet noodzakelijk was. Het verwijderen van het pijpje betekent, aldus de gemeente, niets meer dan dat zij daarmee wil voorkomen dat haar in de toekomst het verwijt treft dat zij niet aan haar zorgplicht als wegbeheerder heeft voldaan.

Mede gezien het door [eiser] in de conclusie van repliek op dit punt aangevoerde kon de gemeente hiermee naar het oordeel van de kantonrechter niet volstaan. Uit de omstandigheid dat de gemeente met het oog op haar zorgplicht heeft gekozen voor verwijdering van het uitstekend pijpje kan, zonder nadere toelichting, niet anders dan worden afgeleid dat de balans van de afweging tussen de noodzaak van de voorziening enerzijds en het belang van voorkoming van (ernstig) letsel anderzijds in het voordeel van die laatste is uitgevallen. De gemeente heeft nagelaten toe te lichten wat de consequentie is van het verwijderen van het pijpje.

Niet duidelijk is of de gemeente een andere oplossing heeft gevonden voor het geschetste probleem van derden die het paaltje verwijderen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de weg ten tijde en ter plaatse van het ongeval niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Nu dit gevaar zich in het geval van [eiser] heeft verwezenlijkt is de gemeente op grond van het bepaalde in artikel 6:174 lid 1 BW aansprakelijk voor de door [eiser] in verband daarmee geleden schade. 4.8. De kantonrechter zal de gevorderde schadeposten hierna achtereenvolgens bespreken. 4.8.1. beschadigde kleding Niet betwist is dat broek en schoenen van [eiser] door het ongeval beschadigd zijn. [eiser] noemt als aanschafwaarde van de broek € 100,00 en van de schoenen € 250,00.

Ondanks het ontbreken van aankoopbonnen zijn de door [eiser] genoemde bedragen plausibel. Uit de door [eiser] overgelegde foto’s blijkt voorts dat broek en schoenen weliswaar gedragen, maar niet versleten zijn. De kantonrechter zal de schadevergoeding wegens beschadigde kleding en schoenen daarom toewijzen op de helft van het door [eiser] gevorderde bedrag, te weten € 175,00. Omdat deze schade is geleden op 16 juni 2015 is de gevorderde wettelijke rente vanaf die dag toewijsbaar. 4.8.2. kosten van ambulancevervoer ad € 168,97 en reiskosten ad € 73,66 Deze kosten zijn door de gemeente niet afzonderlijk betwist en de gevorderde schadevergoeding in verband met deze posten zal worden toegewezen.

De schade in verband met deze posten wordt geacht in juni/juli 2015 te zijn geleden. Omdat uit de stellingen [eiser] niet kan worden opgemaakt wanneer deze kosten precies zijn gemaakt zal de rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 1 augustus 2015. 4.8.3. immateriële schade Uit de door [eiser] als productie 1 bij zijn conclusie van repliek overgelegde brief van de bedrijfsarts blijkt dat hij op 10 juli 2015 (ongeveer 4 weken na het ongeval) door de bedrijfsarts is gezien. De bedrijfsarts verwacht dat [eiser] vanaf dat moment binnen 4 tot 6 weken zijn werk weer volledig kan verrichten.

Hiermee heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat hij als gevolg van het ongeval twee maanden arbeidsongeschikt is geweest. Daarnaast is onbetwist gebleven dat hij gedurende de eerste periode na het ongeval meerdere keren per week is behandeld door een wondverpleegkundige en dat hij gedurende langere tijd pijn heeft gehad. Voorts staat buiten twijfel dat de wond is gehecht met 15 hechtingen en dat een ontsierend litteken is overgebleven, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat het litteken zich bevindt op het been en daarmee een relatief geringe impact heeft.

Gesteld noch gebleken is dat [eiser] - afgezien van de noodzaak tot het dragen van een steunkous - nog blijvende (fysieke) beperkingen ondervindt van het ongeval. Gelet op het verweer dat de gemeente op dit punt heeft gevoerd en alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, zal de kantonrechter een bedrag van € 1.000,00 toewijzen aan smartengeld. De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 16 juni 2015. 4.8.4. buitengerechtelijke kosten De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten is slechts toewijsbaar indien deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang daarvan eveneens redelijk is. [eiser] heeft de hoogte van de buitengerechtelijke kosten beperkt tot een bedrag van € 1.990,00, gebaseerd op de staffel uit de PIV-overeenkomst buitengerechtelijke kosten, opgesteld door de stichting Personenschade Instituut van Verzekeraars (hierna:

PIV-staffel). Verweerder heeft de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke kosten niet betwist, terwijl voldoende onderbouwd is gesteld dat in totaal ongeveer 15 uur (ad € 145,00) is besteed aan werkzaamheden waarvan de kosten vallen onder de buitengerechtelijke incassokosten. De door [eiser] gevorderde vergoeding zal dan ook worden toegewezen. De rente over de buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarden. 4.9. De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten en de nakosten worden veroordeeld als na te melden.

5De beslissing

De kantonrechter 5.1. veroordeelt de gemeente tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 3.407,63 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over:  een bedrag van € 1.175,00 vanaf 16 juni 2015 tot de dag van volledige betaling,  een bedrag van € 242,63 vanaf 1 augustus 2015 tot de dag van volledige betaling,  een bedrag van € 1.990,00 vanaf 30 september 2015 tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt de gemeente op basis van het toegewezen bedrag in de kosten van het geding en de nakosten, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op:

 € 350,00 voor salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 175,00),  € 101,82 voor explootkosten,  € 223,00 voor griffierecht,  € 87,50 voor nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over deze kosten vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis, tot de dag van volledige betaling, 5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Willemse, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2017.