Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBOVE:2017:4140 ECLI:NL:RBOVE:2017:4140 AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2017:4140 · Rechtbank Overijssel

Case Number ECLI:NL:RBOVE:2017:4140
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Overijssel Afdeling Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Almelo Parketnummers: 08/760196-16 (P) Datum vonnis: 3 november 2017 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] , wonende in [woonplaats] .

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2017:4140 · Rechtbank Overijssel: De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsoverwegingen 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht op basis van de verklaring van aangever [slachtoffer 1] , de als bijlage bij zijn verklaring gevoegde foto (pagina 78) en de verklaring van de getuige [getuige] , bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1] .

Keywords

AI generated
offences against public authority violent offenses offences causing public danger offences against the popular will government violence political violence
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Overijssel Afdeling Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Almelo Parketnummers: 08/760196-16 (P) Datum vonnis: 3 november 2017 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] , wonende in [woonplaats] .

1Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Weimar en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen tegen drie personen openlijk geweld heeft gepleegd. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: hij op of omstreeks 14 december 2015, in de gemeente Enschede, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, ter hoogte van het adres [adres] te Enschede, in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , welk geweld bestond uit het trappen/schoppen en/of slaan/stompen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , op/tegen het hoofd (gericht) en/of op/tegen het lichaam, terwijl dit door hem, verdachte, gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad bij [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] .

3De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4De bewijsoverwegingen 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht op basis van de verklaring van aangever [slachtoffer 1] , de als bijlage bij zijn verklaring gevoegde foto (pagina 78) en de verklaring van de getuige [getuige] , bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1] .

Ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] concludeert de officier van justitie, wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs, tot vrijspraak. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte weliswaar geweld heeft gebruikt tegen de in de tenlastelegging genoemde personen, maar dat die geweldshandelingen waren geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen en/of een anders lijf tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waardoor verdachte niet strafbaar is en hij ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt met betrekking tot het tenlastegelegde het volgende.

Tegenover de belastende verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] staan de andersluidende verklaringen van verdachte en diens medeverdachten over het gebeuren en de stelligheid waarmee zij het tenlastegelegde feit ontkennen. De rechtbank constateert dat niet alleen de verklaringen van aangevers ten opzichte van die van verdachte en diens medeverdachten op essentiële punten tegenstrijdig zijn, maar dat de verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ook onderling op onderdelen tegenstrijdig zijn.

De rechtbank is van oordeel dat deze verklaringen daarom onbetrouwbaar zijn en zal deze verklaringen bij de beoordeling van het bewijs buiten beschouwing laten. Wat betreft de (door de officier van justitie als objectief aangemerkte) verklaring van de getuige [getuige] constateert de rechtbank dat die verklaring eveneens als onbetrouwbaar dient te worden aangemerkt, nu die verklaring, gelet op de overige verklaringen in het procesdossier, op bepaalde punten aantoonbaar onjuist is. Om die reden zal de rechtbank die verklaring bij de beoordeling van het bewijs eveneens buiten beschouwing laten.

De rechtbank acht, gelet op vorenstaande, niet bewezen wat aan verdachte is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5De beslissing

De rechtbank: - verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. E.J.M. Bos en mr. A.A. Smit, rechters, in tegenwoordigheid van P.G.M. Klaassen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2017.