Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBOVE:2016:4630 ECLI:NL:RBOVE:2016:4630 AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2016:4630 · Rechtbank Overijssel

Case Number ECLI:NL:RBOVE:2016:4630
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer : C/08/174012 / HA ZA 15-366 Vonnis van 13 juli 2016 in de zaak van [eiseres] , wonende te [plaats] , Duitsland, eisende partij, hierna te noemen [eiseres] , gemachtigde: mr. S.W. van Dijk, advocaat, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE PROVINCIE OVERIJSSEL, gevestigd te Zwolle, gedaagde partij, hierna te noemen de Provincie, gemachtigde: mr. E. Bos-van den Berg. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 3 juli 2015 - de akte overlegging producties - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek tevens akte overlegging producties - de conclusie van dupliek - de akte uitlating producties tevens akte overlegging producties. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

artikel 612 Rv, artikel 6:119 BW, artikel 6:162 BW, artikel 6:174 BW; ECLI:NL:RBOVE:2016:4630 · Rechtbank Overijssel: Op grond van artikel 2 Herschikte EEX-Verordening komt deze rechtbank in de onderhavige zaak rechtsmacht toe, nu de Provincie als gedaagde partij gevestigd is in Zwolle. Toepasselijk recht 4.3. Partijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De rechtbank begrijpt uit het feit dat partijen in hun stellingen aansluiting zoeken bij het Nederlandse recht, dat zij voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen, hetgeen in casu is toegestaan. Derhalve zal het Nederlandse recht worden toegepast. Aansprakelijkheid 4.4. [eiseres] is tijdens haar vakantie in Nederland in de zomer van 2014 een ongeval overkomen, als gevolg waarvan zij het bovenste deel van haar rechterduim moet missen. [eiseres] ervaart sinds het ongeval tot op heden de restgevolgen daarvan.

Keywords

AI generated
water damage insurance insured event foot injury direct claim against the insurer insurance of third party marine insurance

Cited Legislation

AI generated
artikel 612 Rv
artikel 6:119 BW
veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, aan de zijde van de Provincie tot op heden begroot op € 2.813,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.3.
artikel 6:162 BW
Daarnaast voert de Provincie aan dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6:174 dan wel artikel 6:162 BW.
artikel 6:174 BW
Op grond van artikel 6:174 BW is de Provincie als beheerder van de sluis aansprakelijk voor schade die het gevolg is van een gebrek aan de sluis.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2010:BN6236
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a.
ECLI:NL:HR:2014:831
4 april 2014 Eerste Kamer nr.
ECLI:NL:HR:1965:AB7079
dat hij, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, tegelijkertijd met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; dat het voor hem niet mogelijk was door de zich ter plaatse bevindende coca-colakistjes aan de rechterzijde te passeren, omdat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, en dat de kistjes en de zich aldaar bevindende personen bovendien het zicht op het keldergat hebben ontnomen; (3a) ‘’dat – wat het probandum sub 1 betreft – het Hof bewezen acht, dat Duchateau, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, (3b) dat immers uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom blijkt, dat het voor Duchateau niet mogelijk is geweest, om rechts achter de coca-colakistjes om te lopen, daar reeds de van het luik af naar voren geschoven stoelen en de daaronder geschoven opgerolde mat dit beletten; (4) ‘’dat – wat dit deel van het probandum betreft – het Hof niet bewezen acht, dat Duchateau daarop met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; (5) ‘’dat het Hof echter niet van overwegend belang acht, wat Duchateau in de laatste ogenblikken vóór zijn val na het passeren van de kistjes heeft gedaan, nu door de wederpartij niet is bestreden, dat hij per ongeluk in het kelderruim is gevallen en niet als gevolg van een gewaagde poging, om over het kelderruim heen toch in het herentoilet te komen; (6) ‘’wat het tweede deel van het probandum betreft: (6a) dat niet is bewezen, dat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, (6b) dat integendeel dit volgens de verklaring van getuige Sjouwerman niet het geval was, terwijl getuige Boom deze verklaring heeft bevestigd met zijn verklaring, dat volgens zijn herinnering aan dit tafeltje geen mensen zaten, (6c) dat daarmede allereerst een der redenen is komen te vervallen, waarom Duchateau volgens zijn posita niet rechts van de kistjes kon passeren, doch dat dit niet meer van belang is, nu is gebleken, dat hij dit uit anderen hoofde niet kon doen, (6d) dat verder echter door dit niet-bewezen zijn niet is gebleken, dat voormeld aanwezig zijn van mensen voor Duchateau het zicht op het keldergat heeft ontnomen, (6e) dat hiermede van de door Duchateau gestelde en in het probandum overgenomen redenen, waarom hij het keldergat niet heeft kunnen waarnemen, alleen de aanwezigheid der op elkaar gestapelde coca-colakistjes overblijft, (6f) dat echter, zoals de door de politie na het ongeval gemaakte en in het geding gebrachte foto’s duidelijk uitwijzen, de omvang van deze coca-colakistjes niet zodanig was, dat daarmede het gat geheel onzichtbaar werd gemaakt, terwijl voorts – naar uit die foto’s blijkt – het openstaande luik duidelijk boven de kistjes zichtbaar moet zijn geweest; (7) ‘’dat hieruit volgt, dat Duchateau niet op de omgeving van het herentoilet heeft gelet, toen hij daarbij was gekomen, en het nu de vraag is, of er reden voor hem bestond, om dit te doen; (8a) ‘’dat – al neemt men aan, dat Duchateau vóór het ongeval het openstaande luik niet heeft opgemerkt, gelijk hij beweert, doch de wederpartij betwist – toch voor Duchateau reden bestond bij het naderen van het toilet om zich heen te zien, alvorens verder te gaan, (8b) dat de deur van het herentoilet, naar Coca-Cola heeft gesteld, getuige Sjouwerman heeft verklaard en op de overgelegde situatiefoto’s is te zien, ingevolge de stand van de meergenoemde kistjes slechts gedeeltelijk open kon, (8c) dat dit feit, hetwelk Duchateau niet kan zijn ontgaan, hem zeker tot een opnemen van de omgeving had moeten brengen, zo hem de vreemde plaats van de kistjes daar – gedeeltelijk op het pad – al niet een waarschuwing had moeten zijn, om op die omgeving te letten; (9) ‘’dat, indien hij dit had gedaan, hem het zich daar ter plaatse bevindende keldergat niet had kunnen ontgaan, hetwelk naar uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom moet worden afgeleid, voldoende verlicht was; (10) ‘’dat hieruit volgt, dat hij schuld aan het ongeval heeft, en het thans nog slechts de vraag is, of hier van alle schuld, gelijk de Rechtbank heeft aangenomen, dan wel slechts van medeschuld aan zijn zijde sprake is; (11a) ‘’dat volgens de verklaring van de toenmalige eigenaar van de zaak, getuige Boom, deze in geval hij het luik moest openen, het keldergat barricadeerde met stoelen, (11b) dat getuige Sjouwerman ook gemakkelijk dit gat op deze wijze had kunnen barricaderen, (11c) dat hij dit niet heeft gedaan, maar zich volgens zijn eigen verklaring en die van getuige Boom bepaald heeft tot een opstapelen van de kistjes met lege flessen naast het keldergat, zonder de toegang tot de toiletten geheel af te sluiten; (11d) dat Sjouwerman er rekening mede had behoren te houden, dat bezoekers aan de toegang tot het toilet wellicht niet hun volledige aandacht zouden besteden, (11e) dat, gelet op de eenvoudige middelen, waarmede Sjouwerman – als voormeld – de toegang tot het keldergat afdoende had kunnen barricaderen, zo hij meende zich vandaar te moeten verwijderen, ook hem schuld aan het ongeval treft; (12) ‘’dat het Hof, de schuld van Duchateau en die van Sjouwerman tegen elkaar afwegende, van oordeel is, dat ieder van hen voor de helft aansprakelijk is voor het ongeval; (13) ‘’dat derhalve de door Duchateau aangevoerde grief gedeeltelijk is gegrond en Coca-Cola voor de helft van de door het ongeval geleden schade aansprakelijk is te stellen;’’ Overwegende dat Coca-Cola ’s Hofs arrest bestrijdt met het volgende middel van cassatie:
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer : C/08/174012 / HA ZA 15-366 Vonnis van 13 juli 2016 in de zaak van [eiseres] , wonende te [plaats] , Duitsland, eisende partij, hierna te noemen [eiseres] , gemachtigde: mr. S.W. van Dijk, advocaat, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE PROVINCIE OVERIJSSEL, gevestigd te Zwolle, gedaagde partij, hierna te noemen de Provincie, gemachtigde: mr. E. Bos-van den Berg. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 3 juli 2015 - de akte overlegging producties - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek tevens akte overlegging producties - de conclusie van dupliek - de akte uitlating producties tevens akte overlegging producties. 1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiseres] voer op 7 augustus 2014 samen met haar echtgenoot op een door hen gehuurde boot. De door de echtgenoot van [eiseres] bestuurde boot is de Beukersluis ingevaren, komend vanuit de richting Wanneperveen. Deze sluis is eigendom van en wordt beheerd door de Provincie. 2.2. In de wanden van de sluis bevindt zich een verdiept ingebouwde stalen ladder. De ladder hangt in een beugel aan een horizontaal ingebouwde metalen stang. Tussen de verticaal lopende linkerzijwand van de ladder en de sluiswand aan de linkerzijde bevindt zich een opening. 2.3.

In de sluis aangekomen wilde [eiseres] , die voor op de boot stond, de boot vastmaken aan een bolder of een ander zich op de wal of in de sluiswand bevindend bevestigingspunt. Daarvoor heeft zij houvast gezocht aan de zich in de sluiswand bevindende ladder. Op enig moment is de bovenkant van de ladder naar links verschoven, waarbij de rechterduim van [eiseres] bekneld is geraakt tussen de ladder en de sluiswand en later gedeeltelijk is afgescheurd. 2.4. In het ziekenhuis kon het afgescheurde deel niet meer aan de duim worden vastgezet. 2.5. Bij brief van 2 december 2014 heeft (de gemachtigde van) [eiseres] de Provincie aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiseres] en haar echtgenoot als gevolg van het ongeval lijden en zullen lijden. 2.6.

De Provincie heeft de zaak in handen gesteld bij haar aansprakelijkheidsverzekeraar, Centraal Beheer Achmea. Bij brief van 19 maart 2015 heeft de verzekeraar de aansprakelijkheid van de Provincie afgewezen. 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank: a.

a) zal verklaren voor recht dat de Provincie aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en te lijden schade als gevolg van het [eiseres] op 7 augustus 2014 in de Sluis Beukers te Wanneperveen overkomen ongeval, b) de Provincie zal veroordelen om aan [eiseres] te betalen schadevergoeding, nader op te maken bij staat, althans subsidiair de Provincie zal veroordelen om aan [eiseres] te betalen een door de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 612 Rv te begroten bedrag aan schadevergoeding, steeds vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over deze bedragen vanaf 7 augustus 2014, althans vanaf 16 december 2014, tot de dag der algehele voldoening, c) de Provincie zal veroordelen om aan [eiseres] te betalen € 6.975,65 wegens buitengerechtelijke advocaatkosten, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 16 december 2014, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening, d) de Provincie zal veroordelen in de proceskosten, waaronder nasalaris. 3.2. [eiseres] baseert haar vordering op de stelling dat de Provincie op grond van de artikelen 6:174 en 6:162 BW als eigenaar, beheerder en bezitter van de sluis aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden.

Volgens [eiseres] voldeden de ladder en de sluis niet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. Zij onderbouwt dit standpunt als volgt. [eiseres] stelt dat zij om houvast te hebben met haar rechterhand de bovenste horizontaal lopende trede van de ladder aan de linkerzijde van deze trede heeft vastgehouden, waarbij haar rechterduim zich bevond in de holle ruimte tussen de ladder en de sluiswand. Verder stelt zij dat plotseling, als gevolg van een voor haar niet zichtbare en niet voorzienbare oorzaak, de metalen ladder in één klap naar links is geslagen.

Het gevolg was dat haar duim klem kwam te zitten. Haar echtgenoot riep haar toe dat zij de ladder moest loslaten omdat de boot zich van de sluiswand af bewoog, maar [eiseres] kon de ladder niet loslaten omdat haar duim vastgeklemd zat. Haar echtgenoot heeft geprobeerd de boot weer naar de sluiswand te varen, maar dat lukte niet. De boot voer van de sluiswand af en het bovenste deel van de rechterduim van [eiseres] is afgescheurd en tussen de ladder en de sluiswand blijven zitten. [eiseres] betoogt dat de ladder en de sluis als gebrekkig zijn aan te merken omdat de zich in de zijwand van de sluis bevindende ladder kan verschuiven hetzij als gevolg van de constructie van de ladder hetzij (of eveneens) als gevolg van een defect aan de ladder.

Deze gebrekkigheid levert tevens een gevaar op, dat zich in dit geval heeft verwezenlijkt. Waarschuwingen dat de ladder kan verschuiven en/of om geen hand of vinger te steken in de ruimte tussen de ladder en de sluiswand ontbreken. 3.3. De Provincie voert de navolgende verweren aan. De Provincie betwist de door [eiseres] gestelde toedracht. Volgens de Provincie is het onmogelijk dat de duim van [eiseres] op de door haar gestelde wijze in de ruimte tussen de ladder en de sluiswand terecht is gekomen. De trapbomen zijn namelijk zodanig breed (ca. 8 cm) dat ook wanneer iemand zich aan een trede vasthoudt de duim niet in de ruimte tussen de ladder en de sluiswand kan komen.

Verder is het onmogelijk dat de trap, die loodzwaar is, zonder extra externe krachten naar links verschuift. Sluiswachters [A] en [B] hebben gezien dat de boot aanvankelijk met de rechtervoorzijde schuin tegen de kade aanlag. Zij zagen vervolgens aan het schroefwater dat de echtgenoot van [eiseres] gas gaf. Omdat het roer niet in de juiste richting stond, leidde dit ertoe dat de boot zich van de kademuur af bewoog. Vermoedelijk is dit de oorzaak van het naar links schuiven van de trap geweest. Daarnaast voert de Provincie aan dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6:174 dan wel artikel 6:162 BW.

In geval van aansprakelijkheid beroept de Provincie zich voorts op eigen schuld van [eiseres] . Voor dat geval betwist de Provincie ook de gestelde schade.

4De beoordeling

Rechtsmacht 4.1. In de verhouding tussen [eiseres] en de Provincie geldt dat partijen zijn gevestigd op het grondgebied van verschillende staten, namelijk Duitsland en Nederland, waardoor deze zaak een internationaal karakter draagt. 4.2. De rechtsmacht wordt in dit geval bepaald door de Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke zaken en handelszaken (de Herschikte EEX-Verordening), aangezien Duitsland en Nederland beide lidstaten zijn van de Europese Unie.

Op grond van artikel 2 Herschikte EEX-Verordening komt deze rechtbank in de onderhavige zaak rechtsmacht toe, nu de Provincie als gedaagde partij gevestigd is in Zwolle. Toepasselijk recht 4.3. Partijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De rechtbank begrijpt uit het feit dat partijen in hun stellingen aansluiting zoeken bij het Nederlandse recht, dat zij voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen, hetgeen in casu is toegestaan. Derhalve zal het Nederlandse recht worden toegepast. Aansprakelijkheid 4.4. [eiseres] is tijdens haar vakantie in Nederland in de zomer van 2014 een ongeval overkomen, als gevolg waarvan zij het bovenste deel van haar rechterduim moet missen. [eiseres] ervaart sinds het ongeval tot op heden de restgevolgen daarvan.

Het geschil van partijen betreft de vraag of de Provincie op grond van artikel 6:174 en/of artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog steeds lijdt. Of de Provincie aansprakelijk is, moet worden beoordeeld aan de hand van de volgende maatstaven. 4.5. Op grond van artikel 6:174 BW is de Provincie als beheerder van de sluis aansprakelijk voor schade die het gevolg is van een gebrek aan de sluis. Van een gebrek is sprake indien de sluis naar objectieve maatstaven gemeten niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor een gevaar oplevert voor personen of zaken.

Of dit het geval is hangt volgens vaste jurisprudentie af van het antwoord op de vraag of die sluis, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans is op verwezenlijking van het gevaar en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te verlangen zijn. In dat kader komt onder meer betekenis toe aan de beleidsvrijheid die de Provincie heeft en de haar ter beschikking staande financiële middelen (ECLI:NL:HR:2010:BN6236 en ECLI:NL:HR:2014:831). 4.6.

Het in het leven roepen van een gevaarzettende situatie kan, als dat gevaar zich verwezenlijkt, leiden tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW, indien is voldaan aan de criteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd in het zogenaamde Kelderluikarrest (ECLI:NL:HR:1965:AB7079). In dit arrest is bepaald dat alleen in het licht van de omstandigheden van het gegeven geval kan worden beoordeeld of en in hoeverre aan iemand, die een situatie in het leven roept welke voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt.

Daarbij dient te worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. Deze criteria dienen in onderling verband te worden beschouwd. 4.7. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot feiten en omstandigheden die ten grondslag worden gelegd aan een op 6:174 en/of 6:162 gebaseerde vordering rusten in beginsel op [eiseres] als eisende partij.

Tegen de achtergrond van de hiervoor in rechtsoverweging 4.5 en 4.6 omschreven maatstaven en hetgeen geldt in het kader van de stelplicht en de bewijslast, geldt in de onderhavige zaak het volgende. 4.8. Tussen partijen is niet in geschil dat de ladder op enig moment naar links is geschoven. Wat betreft de oorzaak van het verschuiven van de ladder, heeft de Provincie er op gewezen dat de stalen ladder, die loodzwaar is, niet handmatig en zonder extra externe kracht verschoven kan worden. Uit de waarnemingen van sluiswachters [A] en [B] leidt de Provincie verder af dat het naar links schuiven van de ladder vermoedelijk het gevolg is geweest van het feit dat gas werd gegeven en in de tegenovergestelde richting is gevaren dan de bedoeling was. [eiseres] is waarschijnlijk daardoor in de problemen gekomen, waarbij onduidelijk is wat zij met het touw van de boot heeft gedaan en hoe zij haar duim tussen de ladder en de sluiswand heeft gekregen. 4.9. [eiseres] erkent dat voor het verschuiven aanmerkelijke externe krachten nodig waren, veel groter dan de handkracht van [eiseres] . [eiseres] betwist echter dat de boot schuin in het water lag, dat haar echtgenoot gas heeft gegeven en dat hij de boot van de sluiswand heeft weggevaren.

Hoe de ladder wel plotseling naar links heeft kunnen schuiven is onduidelijk. Mogelijk is een andere boot vastgemaakt aan het touw dat is aangebracht tussen de diverse trappen aan een kant van de sluis, waardoor de trekkracht van die andere boot de ladder naar links heeft geslagen, aldus [eiseres] . 4.10. Of als externe kracht is aan te wijzen de plotselinge niet voor de hand liggende koerswijziging van de door [eiseres] en haar echtgenoot bevaren boot dan wel de aanleg van een touw (van een andere boot) aan de ladder, de rechtbank stelt vast dat een andere mogelijke oorzaak voor het verschuiven van de ladder – dan de uitoefening van extra externe krachten – in overeenstemming met de aard van de onderhavige ladder, die van staal is en niet door normale menskracht in beweging is te krijgen, door partijen niet is gesteld.

Bij het ontbreken van enige andere plausibele verklaring moet het ervoor worden gehouden dat de ladder op een of andere wijze is verschoven door de uitoefening van extra externe kracht. Gebrek of gevaarzetting 4.11. De rechtbank staat thans voor de vraag of sprake is van een gebrek aan de ladder en/of een gevaarzettende situatie. In dat verband is van belang dat gesteld noch gebleken is van een onderzoek naar de (on)deugdelijkheid van de constructie en de werkzaamheid van de ladder door een schade-expert. Bij gebreke daarvan neemt de rechtbank aan dat de ladder ten tijde van het ongeval geen constructiefout en/of defecten kende.

Bij deze stand van zaken impliceert de enkele omstandigheid dat de ladder op enig moment naar links is verschoven, ongeacht de oorzaak daarvan, niet de ondeugdelijkheid of het gevaarzettend karakter van de ladder. Veiligheidsmaatregelen 4.12. Daarmee ligt vervolgens ter beantwoording de vraag voor of het op de weg van de Provincie had gelegen om ter zake van de ladder en/of de ruimte tussen de ladder en de sluiswand te waarschuwen. Dienaangaande stelt de rechtbank vast dat gesteld noch gebleken is dat de Provincie op de hoogte was of had moeten zijn van de mogelijkheid dat de ladder door extra externe krachten zou kunnen verschuiven.

De rechtbank constateert verder dat de ladder bestemd is om uit de sluis te kunnen klimmen als iemand te water raakt. Bij de Provincie zijn tot slot geen andere ongevallen op die plek bekend, terwijl van de sluis reeds meer dan 60 jaar veelvuldig gebruik wordt gemaakt. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de Provincie geen rekening hoefde te houden met de mogelijkheid dat door verplaatsing van de ladder wegens daarop uitgeoefende externe krachten, iemands duim bekneld zou raken in de ruimte tussen de ladder en de sluiswand. Hieruit vloeit voort dat de Provincie niet gehouden was tot het nemen van (veiligheids)maatregelen. 4.13. [eiseres] heeft nog aangevoerd dat de bevestiging van een touw aan de ladder gevaarzetting creëert.

Volgens de Provincie is dit touw er juist voor de veiligheid. Men kan zich ermee naar de kant trekken en bij lage, kleine bootjes en kano’s wordt het gebruikt om zich tijdens het schutproces aan vast te houden. Wat daar verder ook van zij, de rechtbank overweegt dat onduidelijk is gebleven of er iets met dit touw is gebeurd en zo ja, of dit aan het ongeval heeft bijgedragen. Bij deze stand van zaken, kan [eiseres] niet worden gevolgd in haar stelling dat het aan de ladder bevestigde touw een gevaar oplevert. Slotsom 4.14. De rechtbank concludeert dat niet is komen vast te staan dat de ladder en de sluis niet voldeden aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden konden worden gesteld.

Dit betekent dat de Provincie niet aansprakelijk is op grond van artikel 6:174 en/of 6:162 BW. De vordering van [eiseres] zal worden afgewezen. 4.15. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de Provincie worden begroot op € 2.813,00 (€ 1.909,00 aan griffierecht en € 904,00 aan salaris advocaat op basis van 2 punten x tarief € 452,00). De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot.

De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5De beslissing

De rechtbank 5.1. wijst de vordering af, 5.2. veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, aan de zijde van de Provincie tot op heden begroot op € 2.813,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.3. veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.4. verklaart dit vonnis, wat betreft de onder 5.2 en 5.3 opgenomen kostenveroordelingen, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. M. Willemse en mr. F.E.J. Goffin, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2016.