Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBOVE:2016:3340 ECLI:NL:RBOVE:2016:3340 AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2016:3340 · Rechtbank Overijssel

Case Number ECLI:NL:RBOVE:2016:3340
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: AWB 16/444 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] te Kampen, eiser, gemachtigde: mr. E. Schriemer, en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder gemachtigde: W. Prins. Procesverloop Bij besluit van 4 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW) met een dagloon van € 74,87. Bij besluit van 11 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2016:3340 · Rechtbank Overijssel: Artikel 12e, vierde lid, van het Dagloonbesluit bepaalt dat D, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden, één of meer aangiftetijdvakken kent waarin geen loon is genoten anders dan vanwege verlof, arbeidsongeschiktheid of ziekte, in afwijking van het eerste lid, staat voor het aantal dagloondagen van de aangiftetijdvakken waarin wel loon is genoten. 4.2 De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder een te hoog aantal dagloondagen heeft gehanteerd. De rechtbank verwijst in dat kader naar het bepaalde in artikel 12e, vierde lid, van het Dagloonbesluit.

Keywords

AI generated
calculation of daily allowance calculation and rates of reimbursement recalculation of income customs tariff statement of insurance benefits weighting of the starting amount

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2016:1955
14/6974 WW, 15/1171 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep en op het incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 december 2014, 13/7337 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) [Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) Datum uitspraak: 18 mei 2016 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. G. Wind, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Appellant heeft gereageerd op het verweerschrift en de gronden van incidenteel hoger beroep van betrokkene. Appellant heeft enkele vragen van de Raad beantwoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Wind. OVERWEGINGEN 1.1. Betrokkene is bij besluit van 11 juni 2013 met ingang van 3 juni 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het dagloon is daarbij vastgesteld op € 169,89. 1.2. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 juni 2013. De gronden van zijn bezwaar hebben zich daarbij uitsluitend gericht tegen de hoogte van het dagloon, dat naar zijn mening hoger had moeten zijn. 1.3. Bij besluit van 5 november 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 11 juni 2013 herroepen, zelf in de zaak voorzien door het dagloon vast te stellen op € 183,76 en bepalingen gegeven ten aanzien van de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat, naar tussen partijen niet in geschil is, de referteperiode liep van mei 2012 tot en met april 2013. Appellant is terecht uitgegaan van het in deze periode volgens de polisadministratie (Suwinet) door de werkgever verantwoorde sv-loon. Appellant heeft echter naar het oordeel van de rechtbank een onjuiste toepassing gegeven aan artikel 6 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit). In verband daarmee heeft de rechtbank het dagloon gecorrigeerd. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid betwist van de uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan artikel 6 van het Dagloonbesluit en vastgehouden aan het door hem vastgestelde dagloon van € 169,89. 3.2. Betrokkene heeft in hoger beroep een iets hoger dagloon bepleit dan door de rechtbank vastgesteld. Hij heeft daartoe een vijftal berekeningen overgelegd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1.1. In artikel 44 van de WW is bepaald dat de uitkering op grond van hoofdstuk II van de WW wordt berekend naar het dagloon. 4.1.2. Artikel 45 van de WW is per 1 juni 2013 gewijzigd. Vanaf die datum tot 1 juli 2015 luidde dit artikel: 1. Voor de berekening van de uitkering waarop op grond van dit hoofdstuk recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, is ingetreden, verdiende in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag. 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden, onder meer wanneer de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, korter heeft geduurd dan het jaar, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld. 4.1.3. Met ingang van 1 juni 2013 is het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen ingetrokken en is het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) in werking getreden. In het Dagloonbesluit was ten tijde en voor zover hier van belang bepaald: Artikel 2. Refertejaar voor ZW en WW 1. Onder refertejaar wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van een jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte of het arbeidsurenverlies is ingetreden. Artikel 3. Loonbegrip voor ZW en WW 1. Onder loon wordt in dit hoofdstuk verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv, genoten in het refertejaar uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek of werkloos is geworden (…). Artikel 4. Algemene bepalingen over het loon voor ZW en WW 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. 2. Onder loon als bedoeld in artikel 3 wordt mede begrepen loon uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek of werkloos is geworden (…), waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Artikel 5. Dagloon voor ZW en WW 1. Het dagloon van uitkeringen op grond van de ZW en WW is de uitkomst van de volgende berekening: [(A-B) x 108/100 + C] / D waarbij: A staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten bij een werkgever die vakantiebijslag reserveert; B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in het refertejaar heeft genoten; C staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten bij een werkgever die geen vakantiebijslag reserveert; en D staat voor 261 dan wel, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek of werkloos is geworden is aangevangen na aanvang van het refertejaar, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van het refertejaar. Artikel 6 Loon in geval van ziekte of verlof tijdens een dienstbetrekking 1. Indien de werknemer in een aangiftetijdvak geen loon of minder loon heeft genoten (…) omdat hij de bedongen arbeid niet heeft verricht in verband met ziekte, wordt bij de berekening van het dagloon, bedoeld in artikel 5, eerste lid, als loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking genomen het loon, genoten in dezelfde dienstbetrekking in het laatste aan (…) die ziekte, voorafgaande en volledig in het refertejaar gelegen aangiftetijdvak, waarin die omstandigheid zich niet heeft voorgedaan. (…) 4. Dit artikel blijft buiten toepassing indien; a. de toepassing van dit artikel leidt tot een lager dagloon (…) 4.1.4. In artikel 33a, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is voor zover van belang bepaald: De gegevens, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden verkregen, worden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet verkregen van de in het eerste lid genoemde uitkeringsgerechtigden, voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 (…), tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. 4.2. Wat er in de relevante aangiftetijdvakken in het refertejaar is genoten aan loon wordt door het Uwv in beginsel vastgesteld aan de hand van de bedragen die door de werkgever zijn aangegeven en die met die aangifte in die polisadministratie zijn vastgelegd. Uit vaste rechtspraak (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2012:BX5848, ECLI:NL:CRVB:2014:631 en ECLI:NL:CRVB:2015:2789) volgt dat het Uwv mag uitgaan van de gegevens uit de polisadministratie, tenzij noodzakelijke gegevens ontbreken of wordt aangetoond dat deze gegevens onjuist zijn. Voor zover betrokkene heeft bedoeld te stellen dat de gegevens uit de polisadministratie onjuistheden bevatten is betrokkene er niet in geslaagd dit aan te tonen. Hierna wordt daarom uitgegaan van de volgende gegevens. 4.3. Uit de polisadministratie komt naar voren dat de werkgever van betrokkene over de in het refertejaar gelegen aangiftetijdvakken van een maand de volgende bedragen als sv-loon heeft verantwoord: - mei 2012 € 7.043,38 - juni 2012 € 3.428,16 - juli 2012 € 3.436,80 - augustus 2012 € 4.766,88 - september 2012 € 2.918,59 - oktober 2012 € 2.918,59 - november 2012 € 2.510,93 - december 2012 € 5.456,61 - januari 2013 € 2.255,83 - februari 2013 € 2.255,83 - maart 2013 € 2.681,18 - april 2013 € 3.270,18. 4.4. Uit de polisadministratie blijkt ook dat in het genoten sv-loon zijn begrepen (i) over mei 2012 € 3.615,12 vakantietoeslag, (ii) over augustus 2012 € 1.371,66 extra periodiek salaris en (iii) over december 2012 € 3.344,04 extra periodiek salaris. 4.5. In de polisadministratie is verder vermeld dat in de maanden augustus 2012 tot en met maart 2013 sprake is geweest van een incidentele inkomstenvermindering wegens ziekte. 4.6. In de overgelegde salarisspecificaties zijn de extra betaalde bedragen in augustus 2012 en in december 2012 verantwoord als bindingstoelage onderscheidenlijk als 7,4% eindejaarsuitkering. Daaruit blijkt ook dat over de maanden augustus 2012 tot en met maart 2013 een tot 30% oplopende korting op het maandloon van betrokkene is toegepast omdat betrokkene van eind augustus 2012 tot en met eind maart 2013 ziek is geweest. In de maanden mei tot en met juli 2012 en in de maand april 2013 is betrokkene niet ziek geweest en over deze maanden heeft hij zijn normale – ongekorte – maandloon ontvangen. 4.7. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de wijze waarop, gelet op de periode waarin betrokkene in verband met zijn ziekte minder loon heeft ontvangen, toepassing moet worden gegeven aan artikel 6 van het Dagloonbesluit. 4.8. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat over de gehele periode van augustus 2012 tot en met maart 2013 waarin in verband met ziekte minder loon is ontvangen ófwel het eerste ófwel het vierde lid van artikel 6 van het Dagloonbesluit moet worden toegepast. Volgens appellant leidt toepassing van het eerste lid hier tot het gunstigste resultaat voor betrokkene en heeft hij dit daarom toegepast. Appellant heeft in zijn berekening over de maanden augustus 2012 tot en met maart 2013 het loon van juli 2012 ter hoogte van € 3.436,80 in aanmerking genomen en heeft de bindingstoelage en de eindejaarsuitkering geheel buiten beschouwing gelaten. Betrokkene heeft zich achter de benadering van de rechtbank gesteld, volgens welke per aangiftetijdvak moet worden bezien of het eerste of het vierde lid van artikel 6 moet worden toegepast, maar is daarbij op onderdelen wel tot een iets andere uitwerking gekomen dan de rechtbank. Naar aanleiding hiervan wordt het volgende overwogen. 4.9. De tekst van artikel 6 van het Dagloonbesluit, zoals dat met ingang van 1 juni 2013 in werking is getreden, bevat een uitzondering op artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit en moet zo worden verstaan dat per aangiftetijdvak waarin in verband met ziekte minder loon is betaald, moet worden beoordeeld of toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Dagloonbesluit tot een gunstiger uitkomst leidt. Daarbij moet acht worden geslagen op de strekking van dat artikel, zoals die door de wetgever tot uitdrukking is gebracht. Aan de nota van toelichting (Stb. 2013, 185) wordt het volgende ontleend: “Als tijdens een periode van ziekte (…) in het refertejaar niet het volledige loon wordt betaald en ook geen uitkering wordt genoten uit hoofde van de dienstbetrekking, zou over die periode slechts dat lagere loon of geen loon worden meegenomen in de dagloonberekening. Dit zou een negatief effect hebben op de hoogte van een latere uitkering. Om dit te voorkomen is voor een afwijkende benadering gekozen. Gedurende de periode waarin als gevolg van ziekte (…) minder of geen loon wordt genoten, wordt rekening gehouden met het loon in dezelfde dienstbetrekking in het daaraan voorafgaande aangiftetijdvak. Het gaat hierbij om volledig binnen het refertejaar vallende tijdvakken en bovendien moet de werknemer ook het hele aangiftetijdvak bij de werkgever in dezelfde dienstbetrekking hebben gestaan. Bij de loonaangifte maakt de werkgever kenbaar dat hij wegens ziekte (…) het loon niet of niet volledig heeft betaald.” en “Toepassing van dit artikel beoogt te voorkomen dat de werknemer een uitkering naar een lager dagloon ontvangt (…) als gevolg van ziekte. Indien toepassing van dit artikel zou leiden tot een lager dagloon dan zonder toepassing van dit artikel, blijft het artikel buiten toepassing. (…)”. Met deze per 1 juli 2015 door de wetgever geschrapte uitzonderingsbepaling “werd beoogd dat bij de dagloonvaststelling werd uitgegaan van het loon dat een werknemer zou hebben verdiend als hij niet ziek was geweest” (aldus de nota van toelichting bij het Besluit van 9 april 2015, Stb. 2015, nr. 152). 4.10. Uit 4.9 volgt dat de ten tijde hier van belang geldende tekst van artikel 6 van het Dagloonbesluit ertoe strekte te voorkomen dat een werknemer die tijdens een periode van ziekte geen loon of niet zijn volledige loon doorbetaald krijgt daardoor ook een lagere uitkering zou ontvangen. Gelet op deze strekking dient artikel 6, eerste lid, hier alleen te worden toegepast ten aanzien van het reguliere loon, in dit geval het maandloon, waarop over de maanden augustus 2012 tot en met maart 2013 wegens ziekte een korting is toegepast. Anders dan de rechtbank heeft gedaan, dient ook in het refertejaar genoten extra periodiek salaris dat niet wegens ziekte is verminderd, zoals in dit geval de bindingstoelage en de eindejaarsuitkering, in de vaststelling van het dagloon te worden betrokken. Immers, alleen ten aanzien van het reguliere loon doet zich het probleem voor waarvoor artikel 6 van het Dagloonbesluit een oplossing beoogde te geven. Met het slechts vervangen van het gekorte maandloon door het laatste voor de ziekte genoten maandloon en het buiten beschouwing laten van de bindingstoelage en de eindejaarsuitkering die in het refertejaar volledig aan betrokkene zijn uitbetaald, wordt aan de strekking van het hier van toepassing zijnde artikel 6 van het Dagloonbesluit en aan artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit onvoldoende recht gedaan. Een en ander betekent dat met toepassing van artikel 6, eerste lid, over de maanden augustus 2012 tot en met maart 2013 het loon over maand juli 2012, het laatste aangiftetijdvak voorafgaand aan de ziekte, van € 3.436,80 in aanmerking moet worden genomen. Door artikel 6, eerste lid, in deze acht aangiftetijdvakken zo toe te passen wordt een verlagend effect van de korting op het maandloon van betrokkene wegens ziekte op het dagloon vermeden. Met inachtneming van artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit dient daar voor de maand augustus 2012 de bindingstoelage van € 1.371,66 bij opgeteld te worden en voor de maand december 2012 de eindejaarsuitkering van € 3.344,04. De voor die maanden in aanmerking te nemen bedragen komen dan op onderscheidenlijk € 4.808,46 en € 6.780,84. 4.11. Uitgaande van het voorgaande wordt het dagloon van de WW-uitkering van betrokkene als volgt berekend: - mei 2012 € 7.043,38 - juni 2012 € 3.428,16 - juli 2012 € 3.436,80 - augustus 2012 € 4.808,46 - september 2012 € 3.436,80 - oktober 2012 € 3.436,80 - november 2012 € 3.436,80 - december 2012 € 6.780,84 - januari 2013 € 3.436,80 - februari 2013 € 3.436,80 - maart 2013 € 3.436,80 - april 2013 € 3.270,18 ------------- + Totaal € 49.388,62 - Vakantietoeslag € 3.615,12 --------------- - € 45.773,50 108/100 x € 45.773,50 = € 49.435,38 Het dagloon komt daarmee op € 49.435,38 : 261 = € 189,41. Dit is hoger dan het door de rechtbank vastgestelde dagloon. 4.12. Uit 4.1 tot en met 4.11 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en het incidenteel hoger beroep wel. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover de rechtbank het dagloon heeft vastgesteld op € 183,76. Het dagloon zal worden vastgesteld op € 189,41. 5. Betrokkene heeft gevraagd om appellant te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente. Dit verzoek wordt toegewezen. De wettelijke rente zal moeten worden berekend zoals in de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958 is uiteengezet. 6. Er bestaat aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 992,- aan kosten van rechtsbijstand. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het dagloon is vastgesteld op € 183,76; stelt het dagloon van de WW-uitkering van betrokkene vast op € 189,41 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 5 november 2013; bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; veroordeelt appellant tot vergoeding van wettelijke rente zoals in onderdeel 9 van deze uitspraak aangegeven; veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 992,-. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en C.C.W. Lange en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2016. (getekend) G.A.J. van den Hurk (getekend) J.C. Borman GdJ
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: AWB 16/444 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] te Kampen, eiser, gemachtigde: mr. E. Schriemer, en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder gemachtigde: W. Prins. Procesverloop Bij besluit van 4 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW) met een dagloon van € 74,87. Bij besluit van 11 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser heeft zich op 28 oktober 2015 ziek gemeld vanuit zijn dienstverband bij Jobtrans Personeel en Opleiding B.V. (hierna: werkgever), alwaar hij sinds 7 februari 2011 werkzaam is. Tot en met 30 september 2014 was eiser ook werkzaam bij Containerterminal Utrecht B.V.

Van 1 oktober 2014 tot en met 19 maart 2015 heeft eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Daarnaast heeft hij van 4 juni 2015 tot en met 16 juni 2015 een ZW-uitkering ontvangen omdat hij ziek was tijdens zijn dienstverband bij werkgever. Naar aanleiding van de ziekmelding op 28 oktober 2015 heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals die hierboven onder procesverloop is uiteengezet.

2. Verweerder is voor de berekening van het dagloon uitgegaan van de referteperiode van 7 september 2014 tot en met 6 september 2015. Het door eiser in deze periode bij werkgever genoten loon is door verweerder in de berekening betrokken, evenals de door eiser in die periode genoten ZW-uitkering. De inkomsten uit de dienstbetrekking bij Containerterminal Utrecht en de WW-uitkering die eiser in de referteperiode heeft ontvangen, heeft verweerder bij de berekening buiten beschouwing gelaten. Daarbij heeft verweerder het dagloon gemaximeerd op het minimumloon voor een 23-jarige.

3. Volgens eiser is het dagloon te laag vastgesteld. Als gevolg hiervan raakt hij in de financiële problemen. Het door verweerder gehanteerde SV-loon is te laag en het aantal dagloondagen te hoog. Er is volgens eiser geen sprake van 203 dagloondagen maar van 198, nu eiser in de periode van 9 maart 2015 tot en met 15 maart 2015 geen loon heeft genoten. Verweerder ziet geen aanleiding om zijn standpunt te wijzigen.

4. De rechtbank overweegt als volgt. 4.1 Artikel 15, eerste lid, van de ZW bepaalt dat voor de berekening van het ziekengeld waarop op grond van deze wet recht bestaat als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&afdeling=Tweede&artikel=19&z=2016-08-01&g=2016-08-01), is ingetreden, verdiende in de dienstbetrekking waaruit hij door ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=17) (Wfsv) met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

Artikel 12c, eerste lid, aanhef en onder a, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) bepaalt – voor zover hier van belang – dat onder loon in dit hoofdstuk wordt verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=16), genoten in de referteperiode uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden, met dien verstande dat niet onder loon worden begrepen uitkeringen op grond van de WW (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045). Op grond van artikel 12e, eerste lid, van het Dagloonbesluit is het dagloon van uitkeringen op grond van de ZW de uitkomst van de volgende berekening: [(A-B) x 108/100 + C] / D waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij een werkgever die vakantiebijslag reserveert; B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in de referteperiode heeft genoten; C staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij een werkgever die geen vakantiebijslag reserveert; en D staat voor 261 dan wel, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden, is aangevangen na aanvang maar voor het einde van de referteperiode, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode.

Artikel 12e, vierde lid, van het Dagloonbesluit bepaalt dat D, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden, één of meer aangiftetijdvakken kent waarin geen loon is genoten anders dan vanwege verlof, arbeidsongeschiktheid of ziekte, in afwijking van het eerste lid, staat voor het aantal dagloondagen van de aangiftetijdvakken waarin wel loon is genoten. 4.2 De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder een te hoog aantal dagloondagen heeft gehanteerd. De rechtbank verwijst in dat kader naar het bepaalde in artikel 12e, vierde lid, van het Dagloonbesluit.

Weliswaar heeft eiser in de periode van 9 maart 2015 tot en met 15 maart 2015 geen loon genoten, maar in het aangiftetijdvak waarbinnen deze periode valt, is door hem in overwegende mate wel loon genoten. Derhalve heeft verweerder deze periode terecht meegenomen bij de berekening van het dagloon. 4.3 Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder een te laag SV-loon heeft gehanteerd, overweegt de rechtbank het volgende. Wat er in de relevante aangiftetijdvakken in het refertejaar is genoten aan loon wordt door verweerder in beginsel vastgesteld aan de hand van de bedragen die door de werkgever zijn aangegeven en die met die aangifte in de polisadministratie zijn vastgelegd.

Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie onder meer de uitspraak van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1955) volgt dat verweerder mag uitgaan van de gegevens uit de polisadministratie, tenzij noodzakelijke gegevens ontbreken of wordt aangetoond dat deze gegevens onjuist zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de door hem in beroep overgelegde loonstroken, meer in het bijzonder de loonstrook van week 10 van 2015, een begin van bewijs geleverd dat de door verweerder gehanteerde gegevens onjuist zijn. Immers, op de betreffende loonstrook staat vermeld dat eiser over de periode van 2 maart 2015 tot en met 8 maart 2015 een bruto loon van € 500,52 heeft genoten, terwijl verweerder ten aanzien van deze periode op basis van de gegevens uit de polisadministratie in het geheel geen loon heeft meegerekend.

Als hiermee rekening wordt gehouden dan is de uitkomst een iets hoger dagloon dan door verweerder is vastgesteld. Nu eiser heeft doen twijfelen aan de juistheid van de gebruikte gegevens uit de polisadministratie, kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer van deze gegevens uitgaan en is het aan verweerder om nader te onderzoeken wat eisers loon in de betreffende periode is geweest. Verweerder heeft ter zitting opgemerkt dat de werkgever alle verloningen cumuleert en dat, nu het bedrag van € 500,52 niet is gecumuleerd op de loonstroken, er gerede twijfel bestaat in welk tijdvak dit bedrag thuishoort.

Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het door eiser geleverde begin van bewijs echter onvoldoende weerlegd.

5. Het beroep is gelet hierop gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem, voorzitter, en mr. A. Oosterveld en mr. G.M.J. Vijftigschild, leden, in aanwezigheid van mr. M.D. Moeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.