Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBOVE:2014:2871 ECLI:NL:RBOVE:2014:2871 AI generated

ECLI:NL:RBOVE:2014:2871 · Rechtbank Overijssel

Case Number ECLI:NL:RBOVE:2014:2871
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

CHTBANK OVERIJSSEL Team bestuursrecht Zittingsplaats Zwolle Registratienummer: Awb 13/2044 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde: H.P. Olthof en de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder. Procesverloop Op 30 augustus 2013 heeft H.P. Olthof (hierna te noemen: Olthof) op naam van [naam], voornoemd, bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een bezwaarschrift van 1 juli 2013. Op 29 oktober 2013 heeft verweerder alsnog op het bezwaar beslist. Het beroep is ter zitting van 18 april 2014 behandeld. Ter zitting was Olthof aanwezig. Eiser zelf is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A. Luschen. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:24, tweede lid, van de Awb kan de rechtbank van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. Uit de toelichting bij dit artikel (zie “Algemene wet bestuursrecht Toelichting en commentaar”) blijkt dat een machtiging voldoende specifiek dient te zijn.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:5 van de Awb, artikel 3:62 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek; ECLI:NL:RBOVE:2014:2871 · Rechtbank Overijssel: Ter zitting van 18 april 2014 heeft Olthof dit standpunt onverkort gehandhaafd. Hij stelt dat de overgelegde machtiging voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat de rechtbank in redelijkheid geen twijfel kan hebben aan de overgelegde machtiging en de daaruit voortvloeiende vertegenwoordigingsbevoegdheid nu uit geen enkel feit of enkele omstandigheid blijkt dat die vertegenwoordigingsbevoegdheid is geëindigd. Olthof heeft zich daarbij heeft beroepen op jurisprudentie van de Afdeling en de Hoge Raad. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Keywords

AI generated
authorization to sue conferral of power of attorney power of representation special power of attorney delegation of power standing of shareholder

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:5 van de Awb
Artikel 6:6 aanhef en onder a van de Awb bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gestelde vereiste voor het in behandeling nemen van een beroep.
artikel 3:62 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek
Ook de verwijzing van Olthof naar artikel 3:62 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek en de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2005 (JB 2005/127) leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2004:AO1987
Procesverloop Bij besluit van 3 maart 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Marne (hierna: het college) aan de [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO, zoals dat luidde tot 3 april 2000, en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een windturbine op het perceel, kadastraal bekend gemeente Leens, sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel). Bij besluit van 30 september 1998 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de verleende vrijstelling en bouwvergunning ingetrokken (herroepen).
ECLI:NL:RBOVE:2014:446
RECHTBANK OVERIJSSEL Bestuursrecht Zittingsplaats Zwolle Registratienummer: Awb 13/2356 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] wonende te Zwartsluis, eiser, beweerdelijk gemachtigde: H.P.
ECLI:NL:RVS:2008:BD8321
Procesverloop Bij besluit van 2 januari 2007 heeft de operationeel chef van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Spoorwegpolitie Unit Zuid, geweigerd de door [appellante] opgevraagde documenten openbaar te maken.
ECLI:NL:RVS:2009:BH3232
Procesverloop Bij afzonderlijke besluiten heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) de door [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2], [wederpartij sub 3] en [wederpartij sub 4] (hierna: [wederpartijen]) tegen het niet tijdig nemen van een besluit gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard en de verzoeken om vergoeding van de door hen gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand afgewezen. Bij uitspraak van 1 augustus 2008, verzonden op 1 augustus 2008, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank), voor zover van belang, de door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd, voor zover daarbij de verzoeken om kostenvergoeding zijn afgewezen, bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten en de minister veroordeeld in de proceskosten in bezwaar.
ECLI:NL:HR:2014:446
7 maart 2014 nr. 13/01366 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 1 februari 2013, nr. AWB 12/2841, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ).
ECLI:NL:HR:2014:346
21 februari 2014 nr. 13/02302 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 25 april 2013, nr. 12/490, betreffende een beslissing inzake de kosten van behandeling van het bezwaar. Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Eindhoven opgelegd. De naheffingsaanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven verminderd tot nihil. Bij die uitspraak heeft de Inspecteur een vergoeding van de kosten van de behandeling van het bezwaar toegekend. De Rechtbank Oost-Brabant (nr. AWB 11/3275) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak het hoger beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

CHTBANK OVERIJSSEL Team bestuursrecht Zittingsplaats Zwolle Registratienummer: Awb 13/2044 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde: H.P. Olthof en de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder. Procesverloop Op 30 augustus 2013 heeft H.P. Olthof (hierna te noemen: Olthof) op naam van [naam], voornoemd, bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een bezwaarschrift van 1 juli 2013. Op 29 oktober 2013 heeft verweerder alsnog op het bezwaar beslist. Het beroep is ter zitting van 18 april 2014 behandeld. Ter zitting was Olthof aanwezig. Eiser zelf is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A. Luschen. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:24, tweede lid, van de Awb kan de rechtbank van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. Uit de toelichting bij dit artikel (zie “Algemene wet bestuursrecht Toelichting en commentaar”) blijkt dat een machtiging voldoende specifiek dient te zijn.

2. Olthof heeft een op 18 april 2013 door eiser ondertekende machtiging ingezonden. De tekst van de volmacht luidt als volgt: “Hierbij machtig ik, [naam] (…), H.P. Olthof, Olthof Consultancy en door deze gemachtigde medewerkers, gevestigd te Zoeterwoude (hierna: Opdrachtnemer), om zich te laten vertegenwoordigen in procedures tegen boetes, parkeerbelasting, gemeentelijke belastingen en woz-aanslagen. Ondergetekende machtigt Opdrachtnemer om alle handelingen te ondernemen die Opdrachtnemer hiertoe nodig acht (Bijvoorbeeld: Het uitvoeren van informatieverzoeken in het kader van de Wob).

De machtiging strekt tot het doen van alle nodige aanvragen, bezwaren en beroepen bij alle Nederlandse gerechtelijke instanties en bestuursorganen. Daarnaast machtigt ondergetekende Opdrachtnemer tot het aannemen van sommen ten behoeve van griffierechten, proceskostenvergoedingen bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, dwangsommen en andere sommen die redelijkerwijs op het pad van de procedure liggen. Ondergetekende doet aan gemachtigde een vergoeding toekomen welke gelijk is aan de toegewezen proceskostenvergoeding in de gevoerde procedure(s), welke door gemachtigde gefactureerd zal worden.

Dit is slechts van toepassing indien de procedure gegrond is verklaard. Tot slot gaat ondergetekende akkoord met de voorwaarden van de Opdrachtnemer met betrekking tot de behandeling van de aangebrachte zaken”. De rechtbank is van oordeel dat de door Olthof overgelegde machtiging niet voldoende specifiek is, omdat de door hem gebruikte standaard machtiging zodanig ruim is geformuleerd dat daaruit op geen enkele wijze blijkt dat hij eiser vertegenwoordigt in een/deze specifieke zaak. Artikel 6:6 aanhef en onder a van de Awb bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gestelde vereiste voor het in behandeling nemen van een beroep.

De indiener van het beroepschrift moet dan wel gelegenheid hebben gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn. Bij brief van 7 februari 2014 heeft de rechtbank Olthof verzocht binnen drie weken na dagtekening van deze brief een specifieke volmacht in te zenden, voorzien van een originele handtekening van eiser. Tevens is er op gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien de gevraagde volmacht niet wordt ingezonden. Bij brief van 28 februari 2014 heeft Olthof meegedeeld dat eiser geen aanleiding ziet een nadere machtiging in te zenden, waarbij hij heeft verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 21 januari 2004, nummer ECLI:NL:RVS:2004:AO1987.

Ter zitting van 18 april 2014 heeft Olthof dit standpunt onverkort gehandhaafd. Hij stelt dat de overgelegde machtiging voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat de rechtbank in redelijkheid geen twijfel kan hebben aan de overgelegde machtiging en de daaruit voortvloeiende vertegenwoordigingsbevoegdheid nu uit geen enkel feit of enkele omstandigheid blijkt dat die vertegenwoordigingsbevoegdheid is geëindigd. Olthof heeft zich daarbij heeft beroepen op jurisprudentie van de Afdeling en de Hoge Raad. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Zoals reeds eerder is overwogen in een uitspraak van deze rechtbank van 30 januari 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:446, heeft de rechtbank Overijssel, gelet op het grote aantal zaken dat Olthof in relatief korte tijd bij deze rechtbank aanhangig heeft gemaakt en gezien het feit dat niet duidelijk is of de betrokken eisers zich er wel van bewust zijn dat er één of meerdere zaken namens hen zijn aangespannen, besloten dat bij een zodanig ruim geformuleerde machtiging als ook in deze zaak is ingezonden, alsnog om een specifieke volmacht zal worden gevraagd.

In de door Olthof aangehaalde uitspraken van de Afdeling respectievelijk de Hoge Raad, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. De rechtbank zal deze uitspraken hierna afzonderlijk bespreken. a. de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD8321: in deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat, gelet op de inhoud en ondertekening van de overgelegde machtiging, niet valt in te zien dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat, naar verweerder stelde, de machtiging niet voldoet. Nog daargelaten dat de Afdeling zich in deze uitspraak niet expliciet heeft uitgelaten over de formulering van de machtiging, bestond er kennelijk in die zaak geen aanleiding over twijfel over het feit dat eiser zich er van bewust was dat er namens hem beroep was ingesteld.

Zoals gezegd heeft de rechtbank die twijfel wel ten aanzien van de door Olthof ingestelde beroepen. Daar komt bij dat in de onderhavige procedure eiser niet ter zitting is verschenen om die twijfel weg te nemen. b. de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH3232: in deze uitspraak heeft de Afdeling zich evenmin expliciet uitgelaten over de inhoud en strekking van de machtiging, maar is in het kader van de proceskostenveroordeling overwogen dat het betoog van verweerder dat eisers geen weet hadden van de namens hen gevoerde procedures en dat de gemachtigde enkel procedures voert om van te kunnen leven niet kan leiden tot de conclusie dat zich een uitzonderlijk geval voordoet dat tot afwijking van het forfaitaire vergoedingsstelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht noopt.

Uit deze uitspraak blijkt niet dat onduidelijkheid bestond omtrent het antwoord op de vraag of de machtiging betrekking had op die specifieke zaak. c. de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO1987: in deze uitspraak heeft de Afdeling slechts overwogen dat er geen aanleiding bestond voor het oordeel dat vanwege het algemene en doorlopende karakter van de verleende proces-machtiging onvoldoende vast stond dat deze persoon gerechtigd was namens eisers het onderhavige hoger beroep in te stellen. Uit de bedoelde machtiging en het verloop van de in deze zaak gevoerde procedure kwam naar het oordeel van de Afdeling genoegzaam naar voren dat de betrokken persoon daartoe bevoegd was.

Uit deze uitspraak blijkt echter niet dat de Afdeling zich expliciet heeft uitgelaten over de formulering van de betreffende proces-machtiging. d. Ook de verwijzing van Olthof naar artikel 3:62 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek en de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2005 (JB 2005/127) leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. In die uitspraak is immers juist expliciet geoordeeld dat uit de in zeer algemene bewoordingen gestelde machtiging niet kon worden afgeleid dat betrokkene gerechtigd was om namens genoemde opdrachtgever hoger beroep in te stellen. e. de uitspraak van de HR van 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:446: in die uitspraak heeft de HR overwogen dat de overgelegde machtiging samengevat inhoudt dat belanghebbende de gemachtigde volmacht verleent hem in verband met het onderhavige geschil in en buiten rechte te vertegenwoordigen en daartoe zo nodig ook rechtsmiddelen in te stellen en dat hieronder ook het instellen van beroep in cassatie kan worden begrepen.

De HR geeft hierbij geen oordeel over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde als zodanig maar alleen over de reikwijdte van de machtiging. f. de uitspraak van de HR van 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:346: in deze uitspraak heeft de HR geoordeeld dat een machtiging niet hoeft te dateren van na de bestreden uitspraak op bezwaar. Dit is een aspect dat in deze zaak niet aan de orde is en ook niet de aanleiding is geweest voor het opvragen van een specifieke volmacht. Ook als een volmacht is afgegeven vóór de datum van het bestreden besluit kan deze toereikend zijn indien daaruit genoegzaam blijkt dat de gemachtigde bevoegd is om tegen dat besluit namens de betrokkene beroep in te stellen.

Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. g. de uitspraak van de HR van 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840: in deze uitspraak heeft de HR geoordeeld dat een machtiging niet per instantie hoeft te worden verleend en niet hoeft te dateren van na de bestreden uitspraak. Deze uitspraak kan eiser, om dezelfde redenen als ten aanzien van de zojuist onder f genoemde uitspraak, evenmin baten. De rechtbank heeft de aan Olthof gevraagde meer specifieke volmacht niet binnen de gestelde termijn ontvangen en niet is verzocht om een langere termijn voor het indienen van de gevraagde specifieke volmacht.

3. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, en door hem en G. Kootstra als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op Afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep. .