Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBOBR:2026:751 ECLI:NL:RBOBR:2026:751 AI generated

ECLI:NL:RBOBR:2026:751 · Rechtbank Oost-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBOBR:2026:751
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK OOST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/2479 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar), en de heffingsambtenaar van de gemeente Boxtel, de heffingsambtenaar (L.F. Broumels). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem vastgestelde WOZ-waarde van de woning aan [adres] in [woonplaats] (de woning) niet te hoog is. 1.1. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning met de beschikking van 20 februari 2025 vastgesteld voor het kalenderjaar 2025 op € 455.000.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBOBR:2026:751 · Rechtbank Oost-Brabant: Eiser doet een beroep op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waardering van de woning leiden. Dan is het aan hem te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt eiser daarin, dan moet de heffingsambtenaar aannemelijk maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden. De rechtbank kan vaststelling van de consequenties van genoemde feiten en omstandigheden door een taxateur – zoals in een taxatie tot uitdrukking kan worden gebracht in een correctie(factor) – niet op ‘juistheid’ beoordelen.

Keywords

AI generated
building plan revision of spatial plan building plot residential quota plan special land-use plan building dimensions

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2011:BQ7597
Het geding in feitelijke instanties Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Q (hierna: de woning) voor het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 vastgesteld. Voorts is aan belanghebbende in verband met de woning voor het jaar 2008 een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente 's-Gravenhage opgelegd naar de waarde vastgesteld bij voormelde beschikking. Na door belanghebbende daartegen gemaakte bezwaren heeft de directeur der Gemeentebelastingen van de gemeente 's-Gravenhage (hierna: de heffingsambtenaar) bij in één geschrift vervatte uitspraken de waarde en de aanslag gehandhaafd. De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 09/69 WOZ) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2015:1776
10 juli 2015 nr. 14/05141 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 september 2014, nr. 13/00043, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Hertogenbosch (nr. AWB 11/357) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2009 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1 en 1a] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2024:571
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/03770 Datum 12 april 2024 ARREST in de zaak van [X] B.V.
ECLI:NL:GHSHE:2022:3914
is de beschikte waarde te hoog? 2) heeft de heffingsambtenaar artikel 7:4, lid 4, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en/of artikel 40 Wet WOZ geschonden door de secundaire objectgegevens niet toe te sturen in de bezwaarfase en heeft belanghebbende om die reden recht op een proceskostenvergoeding? 3.2. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd (i) dat indien de eerste deelvraag bij vraag 2) bevestigend wordt beantwoord, geen terugwijzing hoeft te volgen en het hof de WOZ-waarde kan beoordelen, en (ii) dat niet in geschil is het oordeel van de rechtbank inzake het verzoek om vergoeding van immateriële schade. 3.3.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK OOST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/2479 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar), en de heffingsambtenaar van de gemeente Boxtel, de heffingsambtenaar (L.F. Broumels). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem vastgestelde WOZ-waarde van de woning aan [adres] in [woonplaats] (de woning) niet te hoog is. 1.1. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning met de beschikking van 20 februari 2025 vastgesteld voor het kalenderjaar 2025 op € 455.000.

De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum waarbij ook de aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) is bekendgemaakt. 1.2. Met de uitspraak op bezwaar van 20 augustus 2025 heeft de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde gehandhaafd. 1.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. 1.4. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Feiten 2. Eiser is eigenaar van de woning. Dit is een hoekwoning met bouwjaar 1977. De woning bestaat uit een hoofdbouw van 121 m², een dakopbouw van 20 m² en een hobbyruimte/atelier van 64 m². De grond bij de woning heeft een oppervlakte van 220 m². Beoordeling door de rechtbank 3. In beroep is het aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar hierin geslaagd. 3.1. De heffingsambtenaar verwijst ter onderbouwing van de vastgestelde waarde naar de getaxeerde waarde van (afgerond) € 467.000, zoals opgenomen in de door hem overgelegde waardematrix die op 23 oktober 2025 is opgesteld door taxateur W.J.

Nieuwenhuis. Daarin is de vergelijkingsmethode toegepast. Dat betekent in dit geval dat de woning is vergeleken met drie andere woningen, te weten [adres] , [adres] en [adres] , alle in [woonplaats] . Deze woningen worden de vergelijkingsobjecten genoemd. In de waardematrix heeft de heffingsambtenaar de uit de transactiecijfers van de vergelijkingsobjecten afgeleide m²-prijzen gecorrigeerd voor de door hem benoemde waarderelevante verschillen. 3.2. Eiser vindt dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de verminderde staat van onderhoud van de woning. 3.2.1.

Eiser doet een beroep op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waardering van de woning leiden. Dan is het aan hem te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt eiser daarin, dan moet de heffingsambtenaar aannemelijk maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden. De rechtbank kan vaststelling van de consequenties van genoemde feiten en omstandigheden door een taxateur – zoals in een taxatie tot uitdrukking kan worden gebracht in een correctie(factor) – niet op ‘juistheid’ beoordelen.

Dit is een taxatie-technische waardering en de vaststelling daarvan ligt op het terrein van een taxateur als de deskundige. De rechtbank waardeert een taxatierapport (als bewijsstuk) wel en kan de vaststelling – voor zover deze wordt betwist en wat in het kader van die betwisting wordt aangevoerd – bijvoorbeeld beoordelen op begrijpelijkheid. 3.2.2. De rechtbank overweegt dat eiser wel een conclusie trekt ten aanzien van de onderhoudstoestand van de woning, maar dat hij geen feiten stelt (die deze conclusie kan dragen). Eiser heeft daarom strikt genomen niet voldaan aan zijn stelplicht.

Wel heeft eiser foto’s overgelegd van zijn woning waarop schimmelplekken waarneembaar zijn. Welwillend opgevat begrijpt de rechtbank dat eiser dit als feit stelt in het kader van de door hem bepleite verminderede onderhoudstoestand. De heffingsambtenaar merkt op dat hij het met eiser eens is dat het onderhoud van de woning moet worden gewaardeerd op matig (correctiefactor 2). De heffingsambtenaar heeft dat ook in zijn waardematrix gedaan. De heffingsambtenaar vindt dat op deze manier voldoende rekening is gehouden met het onderhoudsniveau van de woning en de rechtbank kan dat volgen. 3.3.

Eiser bepleit een lagere waarde van € 394.000. Ter onderbouwing van dit waardestandpunt verwijst eiser naar de door hem overgelegde waardematrix die is opgesteld door Woning Waarderingsmeesters B.V. Ook daarin is de vergelijkingsmethode toegepast. De woning is vergeleken met drie andere woningen, te weten [adres] , [adres] en [adres] , alle in [woonplaats] . In de waardematrix zijn de uit de transactiecijfers van de vergelijkingsobjecten afgeleide m²-prijzen gecorrigeerd voor de aldaar benoemde waarderelevante verschillen. Naar het oordeel van de rechtbank zaait eiser met dit waardestandpunt en de onderbouwing daarvan geen twijfel over de juistheid van de vastgestelde waarde.

Allereerst blijkt uit de waardematrix niet door wie deze is opgesteld en dus of de opsteller wel een deskundige (taxateur) is. En zelfs als dat laatste het geval is, dan overtuigt de taxatie van de heffingsambtenaar meer dan die van eiser. Dat heeft met name te maken met het (gebrek aan) inzichtelijkheid van eisers taxatie. In de waardematrix van eiser is niet inzichtelijk gemaakt hoe de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten doorwerken in de prijs per eenheid (ofwel prijs per m²). Voor de waarde van de bijgebouwen is een verder niet onderbouwd totaalbedrag opgenomen en ook de grondwaarde is niet inzichtelijk opgebouwd.

Evenmin is duidelijk op basis van welke uitgangspunten de indexering van de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten heeft plaatsgevonden. De taxatie van de heffingsambtenaar biedt dit inzicht wel. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Mutsaers, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch. Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Hoge Raad 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7597, overweging 3.2.4, Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1776, overweging 2.4, en Hoge Raad 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571, overweging 4.2.3. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 november 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3914, overweging 4.5.