Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBOBR:2018:3476 ECLI:NL:RBOBR:2018:3476 AI generated

ECLI:NL:RBOBR:2018:3476 · Rechtbank Oost-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBOBR:2018:3476
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 17/3463 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2018 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, de heffingsambtenaar (gemachtigde: mr. L.J. Boone). Procesverloop De heffingsambtenaar heeft aan eiser op 3 juli 2016, een naheffingsaanslag parkeerbelasting (met aanslagnummer [aanslagnummer] ) opgelegd ter hoogte van € 61,20 bestaande uit € 60,– parkeerbelasting en € 1,20 kosten naheffing (de naheffingsaanslag).

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBOBR:2018:3476 · Rechtbank Oost-Brabant: Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb kan een natuurlijke persoon slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Een dergelijke situatie doet zich in dit geval voor, omdat het beroep van eiser niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens misbruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen. De rechtbank zal eiser niet in de proceskosten veroordelen, aangezien de heffingsambtenaar hierom niet heeft verzocht en deze mogelijkheid ter zitting niet aan de orde is gesteld. Voor een proceskostenveroordeling bestaat dan ook geen aanleiding.

Keywords

AI generated
time limits for seeking redress excessive procedural duration timeliness of filing violation of speedy trial principle statute of limitations bar one-week time limit

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2015:1759
201405560/1/A3. Datum uitspraak: 3 juni 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 juli 2014 in zaak nr. 13/4236 in het geding tussen: [appellant] en de korpschef van politie. Procesverloop Bij besluit van 16 mei 2013 heeft de korpschef een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen. Bij brief van 19 juni 2013 heeft de korpschef geweigerd het door [appellant] hiertegen ingediende bezwaarschrift van 16 juni 2013 inhoudelijk te behandelen.
ECLI:NL:RVS:2016:1950
201503418/1/A3. Datum uitspraak: 13 juli 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 maart 2015 in zaak nr. 14/3324 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Goes. Procesverloop Bij besluit van 24 januari 2014 heeft het college een verzoek van [appellante] om krachtens de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) documenten openbaar te maken (hierna: het Wob-verzoek) ten dele ingewilligd.
ECLI:NL:RVS:2016:2050
201503001/1/A3. Datum uitspraak: 20 juli 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 maart 2015 in zaak nr. 14/3741 in het geding tussen: [wederpartij], wonend te [woonplaats], en de minister. Procesverloop Bij besluit van 29 januari 2014 heeft de minister naar aanleiding van een verzoek van [wederpartij] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) documenten openbaar gemaakt. Bij besluit van 18 juli 2014 heeft de minister het besluit van 29 januari 2014 ingetrokken en het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2016:2577
201600977/1/A3. Datum uitspraak: 28 september 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 december 2015 in zaak nr. 15/2722 in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en anderen en de minister. Procesverloop Bij besluiten van 1 juni 2015 en later heeft de minister door [appellant] en anderen ingediende verzoeken om openbaarmaking van informatie gedeeltelijk toegewezen. Bij besluit van 4 september 2015 heeft de minister de door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaren deels gegrond en deels ongegrond verklaard en de bestreden besluiten onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.
ECLI:NL:RVS:2016:2578
de minister van Veiligheid en Justitie, 2.
ECLI:NL:RVS:2018:1587
201703503/1/A3. Datum uitspraak: 9 mei 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2017 in zaak nr. 16/3472 in het geding tussen: [wederpartij], wonend te [woonplaats], en het college. Procesverloop Bij besluit van 5 november 2015 heeft het college [wederpartij] geweigerd als gemachtigde van [persoon]. Bij besluit van 8 april 2016 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 17/3463 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2018 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, de heffingsambtenaar (gemachtigde: mr. L.J. Boone). Procesverloop De heffingsambtenaar heeft aan eiser op 3 juli 2016, een naheffingsaanslag parkeerbelasting (met aanslagnummer [aanslagnummer] ) opgelegd ter hoogte van € 61,20 bestaande uit € 60,– parkeerbelasting en € 1,20 kosten naheffing (de naheffingsaanslag).

Bij uitspraak op bezwaar van 20 december 2017 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard, de naheffingsaanslag vernietigd en bepaald dat hij geen dwangsom aan eiser heeft verbeurd. Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2018. Eiser is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Feiten 1.

Aan eiser is de naheffingsaanslag opgelegd naar aanleiding van de constatering dat op 3 juli 2017 omstreeks 16:41 uur het voertuig met kenteken [kenteken] op een parkeerplaats aan [adres] stond geparkeerd zonder duidelijk zichtbaar geldig betaalbewijs. Tussen partijen is niet in geschil dat op deze locatie betaald parkeren geldt en eiser in verband met het parkeren aldaar parkeerbelasting verschuldigd was. Op 18 november 2017 heeft eiser aan de heffingsambtenaar een overzicht van Parkmobile verstrekt. In de begeleidende e-mail is aangegeven dat de parkeerbelasting is voldaan op een ander kenteken.

Naar aanleiding daarvan heeft de heffingsambtenaar door middel van de bestreden uitspraak de naheffingsaanslag vernietigd. Geschil 2. Op 4 en 14 januari 2017 ontving de heffingsambtenaar van de gemachtigde van eiser een ingebrekestelling vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift. De heffingsambtenaar is van oordeel dat deze ingebrekestelling prematuur is, omdat hij per e-mailbericht van 30 december 2016 de beslistermijn heeft verdaagd met zes weken. Eisers gemachtigde voert in beroep aan dat hij het bericht van 30 december 2016 niet heeft ontvangen, dat zijn ingebrekestelling derhalve tijdig was en dat de heffingsambtenaar een dwangsom heeft verbeurd.

In geschil is of de heffingsambtenaar een dwangsom heeft verbeurd. Beoordeling door de rechtbank 3. De wettelijke regels die van belang zijn voor de beoordeling van de zaak zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

4. De rechtbank dient ambtshalve te overwegen of eiser in zijn beroep kan ontvangen. Op grond van artikel 3:13, gelezen in samenhang met artikel 3:15, van het Burgerlijk Wetboek, kan de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst, en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

5. Het doel van de dwangsomregeling in de Awb is, zo volgt uit de wetsgeschiedenis, om burgers een effectiever rechtsmiddel te geven tegen te trage besluitvorming door het bestuur. De regeling beoogt het bestuur te sanctioneren met het opleggen van een dwangsom bij het niet naleven van de wettelijke voorgeschreven beslistermijnen (Kamerstukken II 2004-05, 29934 nr. 3, p.1).

6. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de gemachtigde van eiser als rechtsbijstandverlener heeft opgetreden in (hoger) beroepsprocedures die wegens misbruik van (proces)bevoegdheid niet-ontvankelijk zijn verklaard. De rechtbank verwijst in dit verband onder andere naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1759), van 8 juni 2016 (ECLI: NL:RVS:2016:1585), van 13 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1950 en ECLI:NL:RVS:2016: 1957), van 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2050) en van 28 september 2016 (ECLI:NL: RVS:2016:2576, ECLI:NL:RVS:2016:2577 en ECLI:NL:RVS:2016:2578).

7. Ook is de rechtbank ambtshalve bekend met de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1587). In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de gemachtigde van eiser terecht als vertegenwoordiger is geweigerd wegens het voortzetten van een patroon van misbruik van recht.

8. Het is de rechtbank verder ambtshalve bekend dat de gemachtigde van eiser een civiele procedure tegen de Staat der Nederlanden (de Staat) is gestart, waarin hij heeft gevorderd dat de onder 6. genoemde rechtspraak onrechtmatig wordt verklaard jegens (onder andere) hem en dat dat de Staat daarvoor aansprakelijk dient te worden gehouden. De rechtbank Den Haag heeft genoemde vorderingen bij uitspraak van 6 juni 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018: 6463) afgewezen, omdat de uitspraken van de Afdeling niet onrechtmatig zijn.

9. Het is de rechtbank voorts ambtshalve bekend dat de gemachtigde van eiser als rechtsbijstandverlener een groot aantal procedures voert betreffende verkeersboetes, informatieverzoeken met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en het niet tijdig nemen van besluiten. Hij maakt daarbij veelvuldig gebruik van zeer algemeen geformuleerde machtigingen, zoals hij ook in dit geval heeft gedaan. In de onder 6. genoemde uitspraak van 8 juni 2016 heeft de Afdeling reeds overwogen dat een zeer algemeen geformuleerde machtiging onder omstandigheden een aanwijzing kan vormen voor misbruik van recht.

10. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser het rechtsmiddel van de dwangsom heeft gebruikt overeenkomstig het onder 5. genoemde doel. De rechtbank overweegt dat eiser op 14 juli 2016 bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de heffingsambtenaar pas op 18 november 2017 – ruim zestien maanden na het maken van bezwaar – de gronden van bezwaar en de bewijsmiddelen ter hand heeft gesteld die tot de beslechting van het geschil hebben geleid, terwijl uit niets een rechtvaardiging voor een dusdanig groot tijdsverloop is gebleken.

Van de gemachtigde van eiser, een professionele rechtsbijstandverlener, mag worden verwacht dat hij zich realiseert dat deze zaken voor de heffingsambtenaar onmisbaar waren om tot een heroverweging van de naheffingsaanslag te kunnen komen. De langdurige besluitvorming in de bezwaarfase is naar het oordeel van de rechtbank dan ook in overwegende mate aan de proceshouding van eisers gemachtigde toe te rekenen. Van enige oprechte interesse aan de kant van eisers gemachtigde om het tussen partijen gerezen geschil zo spoedig mogelijk de wereld uit te helpen is de rechtbank verder niet gebleken.

De heffingsambtenaar heeft ter zitting nog aangegeven dat de gemachtigde van eiser in vele verschillende zaken als gemachtigde optreedt, en dat daarin veelvuldig het beeld naar voren komt dat het de gemachtigde met name te doen is om proceskostenveroordelingen en dwangsommen te incasseren. Eiser is niet ter zitting verschenen om hierop een toelichting te geven of dit verwijt te weerspreken, wat voor zijn eigen rekening en risico komt. In het licht van wat hiervoor onder 6. tot en met 9. is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van wat de heffingsambtenaar naar voren heeft gebracht.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat eiser het rechtsmiddel van de dwangsom niet heeft gebruikt overeenkomstig het onder 5. genoemde doel.

11. De rechtbank wijst er nog op dat het hof ’s-Hertogenbosch op 13 april 2018 in een zaak met een identiek inhoudelijk geschil uitspraak heeft gedaan (ECLI:NL:GHSHE:2018: 1591) waarin de gemachtigde van eiser ook als gemachtigde heeft opgetreden. Nadat de rechtbank eisers gemachtigde had verzocht om zich uit te laten over de toepasselijkheid van die uitspraak voor het onderhavige beroep, heeft eisers gemachtigde volstaan met de stelling dat “de uitspraak van het Hof (…) een zodanig fundamentele rechtsvraag [behandelt] dat deze nooit door een enkelvoudige kamer afgedaan had mogen worden.” Eiser heeft voorts bepleit dat ook de voorliggende zaak niet enkelvoudig kan worden afgedaan, maar is niet ter zitting verschenen om dat standpunt toe te lichten. Die toelichting kan evenmin worden verkregen uit het feit dat de gemachtigde van eiser tegen genoemde uitspraak cassatie heeft ingesteld, noch uit de door hem overgelegde cassatieschriftuur waarnaar is verwezen.

12. Uit het voorgaande volgt dat de bevoegdheid om de heffingsambtenaar in gebreke te stellen met het oog op het verkrijgen van een dwangsom is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, zodanig dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om bij de rechtbank beroep in te stellen, nu het beroep niet los kan worden gezien van het doel waarvoor de ingebrekestelling is ingediend. Er is misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Het namens eiser ingestelde beroep moet om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.

13. Het beroep is niet-ontvankelijk.

14. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb kan een natuurlijke persoon slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Een dergelijke situatie doet zich in dit geval voor, omdat het beroep van eiser niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens misbruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen. De rechtbank zal eiser niet in de proceskosten veroordelen, aangezien de heffingsambtenaar hierom niet heeft verzocht en deze mogelijkheid ter zitting niet aan de orde is gesteld. Voor een proceskostenveroordeling bestaat dan ook geen aanleiding.

Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van B.C.T. Rabou-Coort LL.B, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2018. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; een dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; e gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht. BIJLAGE – Relevante regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 8:75 De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing.

Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. (…) Burgerlijk Wetboek Artikel 3:13 Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. (…) Artikel 3:15 De artikelen 11-14 vinden buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.