Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBOBR:2017:1671 ECLI:NL:RBOBR:2017:1671 AI generated

ECLI:NL:RBOBR:2017:1671 · Rechtbank Oost-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBOBR:2017:1671
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 16/3000 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2017 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. C.J. Driessen), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder (gemachtigde: P. Coenen). Procesverloop Bij besluit van 10 februari 2016 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres per 11 februari 2016 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBOBR:2017:1671 · Rechtbank Oost-Brabant: Eiseres voert – kort samengevat – aan dat verweerder haar beperkingen heeft onderschat. Met name dient een urenbeperking van twee uur per dag in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgenomen te worden. Afgezien van de urenbeperking is eiseres geschikt voor het eigen werk. Eiseres wijst in dit verband op de verklaring van haar werkgeefster op de hoorzitting en het rapport van arbeidsdeskundige H.C. Grimm-Bloemendaal.

Keywords

AI generated
entitlement condition for benefits eligibility for unemployment benefits incapacity for work access to a profession employment status qualification admission to health insurance practice

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank heeft het onderzoek op grond van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht heropend en eiseres een vraag voorgelegd.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2016:2805
14/278 WWB Datum uitspraak: 26 juli 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 december 2013, 13/3855 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas (college) PROCESVERLOOP Appellanten hebben hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 14/279 WWB, 14/1133 WWB, 14/1134 WWB, 14/2262 WWB en 14/2263 WWB, plaatsgevonden op 14 juni 2016.
ECLI:NL:CRVB:2015:53
12/1084 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 januari 2012, 10/3522 en 11/1587 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 9 januari 2015 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. D.S. Muller, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak waarin is beslist op twee beroepen van appellante, namelijk het beroep geregistreerd onder 10/3522 en het beroep geregistreerd onder 11/1587.
ECLI:NL:CRVB:1993:ZB1266
ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5455
05/6444 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2005, 05/4313 en 05/4314 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en [betrokkene] (hierna: betrokkene). Datum uitspraak: 20 december 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.
ECLI:NL:CRVB:2014:2817
12/4241 WIA Datum uitspraak: 22 augustus 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 juni 2012, 12/620 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.W. Dijke, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 16/3000 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2017 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. C.J. Driessen), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder (gemachtigde: P. Coenen). Procesverloop Bij besluit van 10 februari 2016 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres per 11 februari 2016 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Bij besluit van 22 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en A. Vruggink, arbeidsdeskundige. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op grond van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht heropend en eiseres een vraag voorgelegd.

Eiseres heeft bij brief van 1 maart 2017 op deze vraagstelling gereageerd. Met toestemming van partijen is het onderzoek ter tweede zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek op 20 maart 2017 gesloten. Overwegingen 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres was werkzaam als telefonisch consulent intake en consultatie bij [bedrijf] (de werkgeefster) voor 40,15 uur per week. Op 14 februari 2013 heeft zij zich ziek gemeld wegens klachten die zijn ontstaan als gevolg van een bedrijfsongeval (lekkende accu’s, waarbij zwaveldampen, lood en waterglas zijn vrijgekomen).

Eiseres heeft op 25 november 2014 een WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 23 januari 2015 heeft verweerder de loondoorbetalingsverplichting van de werkgeefster verlengd tot 11 februari 2016. De behandeling van de WIA-aanvraag is daarom uitgesteld. Bij besluit van 16 juni 2015 is de aanvraag van de werkgeefster om verkorting van de zogenoemde loonsanctie afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres minder dan 35% (namelijk 5,36%) arbeidsongeschikt is, zodat zij niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Eiseres moet in staat worden geacht de functies soldering operator (SBC-code 111180), bestucker (SBC-code 267050) en operator assemblage (SBC-code 271130) te verrichten, met als reservefunctie handmatig uitvoerder afwerking (SBC-code 271093). Indien op grond van de inkomsten uit het huidige werk van eiseres geschat wordt, is sprake van een loonverlies van 31,44%.

3. Eiseres voert – kort samengevat – aan dat verweerder haar beperkingen heeft onderschat. Met name dient een urenbeperking van twee uur per dag in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgenomen te worden. Afgezien van de urenbeperking is eiseres geschikt voor het eigen werk. Eiseres wijst in dit verband op de verklaring van haar werkgeefster op de hoorzitting en het rapport van arbeidsdeskundige H.C. Grimm-Bloemendaal.

4. De rechtbank dient zich ambtshalve eerst uit te laten over de vraag of eiseres procesbelang heeft. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2805) vloeit voort dat pas sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of (hoger) beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.

5. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat zij procesbelang heeft, omdat een verzekeringskwestie speelt in verband met het bedrijfsongeval en de mate van arbeidsongeschiktheid van belang is voor de verzekeringsuitkering die eiseres zal ontvangen. Bij brief van 21 februari 2017 heeft de rechtbank eiseres in de gelegenheid gesteld haar stelling te onderbouwen, zo mogelijk met stukken.

6. In zijn uitspraak van 9 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:53) heeft de CRvB zijn tot dan toe bestaande rechtspraak (namelijk dat het resultaat dat wordt nagestreefd in een tussen het Uwv en de betrokkene bestaande rechtsverhouding moet zijn gelegen) verruimd, in die zin dat ook procesbelang wordt aangenomen indien de betrokkene stelt dat het bestreden besluit een rechtstreeks feitelijk gevolg heeft waarvan hij in een andere rechtsverhouding nadeel zal ondervinden en de in de voorliggende zaak op bestuursrechtelijke gronden te nemen beslissing voor het al dan niet intreden van dit gevolg beslissend is.

7. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak geen sprake is van een situatie als waarvan sprake was in de zaak waarop de uitspraak van de CRvB van 9 januari 2015 betrekking heeft. Eiseres heeft in reactie op de brief van de rechtbank van 21 februari 2017 gesteld dat “(i)n deze … de exacte hoogte van het arbeidsongeschiktheidspercentage van invloed [kan] zijn en/of belang [kan] zijn voor de hoogte van de schade-uitkering”. Deze stelling is echter op geen enkele wijze onderbouwd. Ook uit de bijgevoegde stukken blijkt op geen enkele wijze dat de mate van arbeidsongeschiktheid die door het Uwv wordt vastgesteld, van invloed is of kan zijn op de hoogte van de (civielrechtelijke) schadevergoeding.

Blijkens de uitspraak van de CRvB van 9 januari 2015 was in die zaak volstrekt duidelijk dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid rechtstreeks gevolg had voor de door appellante in die zaak te betalen pensioenpremie. Dat in de onderhavige zaak ook van een dergelijk rechtstreeks gevolg sprake is, is door eiseres niet aannemelijk gemaakt, ook niet nadat zij daartoe expliciet door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld. In deze zin ontbreekt daarom in de onderhavige zaak procesbelang.

8. In verschillende uitspraken heeft de CRvB voorts geoordeeld dat procesbelang aanwezig is als de betrokkene stelt dat hij geschikt is voor het eigen werk en die geschiktheid door het Uwv wordt ontkend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 november 1993, ECLI:NL:CRVB:1993:ZB1266; de uitspraak van 20 december 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5455; en de uitspraak van 22 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2817). Van een dergelijke situatie is hier echter ook geen sprake: beide partijen zijn het erover eens dat eiseres haar werk in volle omvang niet meer kan verrichten, maar dat zij in de praktijk haar werkzaamheden wel gedurende 6 uur per dag, 30 uur per week kan uitoefenen. Een praktische schatting leidt echter evenmin tot de vaststelling dat eiseres recht heeft op een WIA-uitkering. Ook in deze zin ontbreekt hier procesbelang.

9. Nu beide partijen het er verder over eens zijn dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering, is de rechtbank van oordeel dat eiseres met deze procedure geen resultaat kan bereiken dat feitelijk voor haar nog van betekenis is. Ook anderszins ontbreekt daarom het procesbelang.

10. Het beroep is niet-ontvankelijk.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.S. Klerk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.A. Stadhouders griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2017. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.