Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNNE:2020:3495 ECLI:NL:RBNNE:2020:3495 AI generated

ECLI:NL:RBNNE:2020:3495 · Rechtbank Noord-Nederland

Case Number ECLI:NL:RBNNE:2020:3495
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 19/511, LEE 19/512 en LEE 19/513 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 oktober 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. [gemachtigde van eiser] ), en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, verweerder (gemachtigden: [gemachtigde 1 van verweerder] , mr. [gemachtigde 2 van verweerder] en [gemachtigde 3 van verweerder] ). Procesverloop Zaaknummer LEE 19/511 Verweerder heeft voor het jaar 2010 met dagtekening 7 februari 2013 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.900.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBNNE:2020:3495 · Rechtbank Noord-Nederland: Op grond van de Rijnvarendenovereenkomst gelden voor Rijnvarenden per 1 mei 2010 niet de aanwijsregels zoals opgenomen in titel II van Vo 883/2004 (artikelen 11 tot en met 15). In plaats daarvan gelden voor Rijnvarenden de in artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst opgenomen aanwijsregels. Partijen bij de Rijnvarendenovereenkomst zijn: Duitsland, België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Zwitserland (per 1 april 2012) en Liechtenstein (per 1 september 2018). Zowel het Rijnvarendenverdrag als de Rijnvarendenovereenkomst zijn van toepassing op alle personen die als Rijnvarenden aan de wetgeving van één of meer van de verdragsluitende partijen onderworpen zijn of zijn geweest (artikel 2, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag en artikel 2, eerste lid, van de Rijnvarendenovereenkomst).

Keywords

AI generated
refund of contributions to foreigners special provisions for Luxembourg prohibition on accepting foreign pensions collection of premiums exemption from contributions health insurance premium subsidies

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:PHR:2020:511
Op 7 mei 2020 heeft A‑G Wattel in deze zaak conclusie genomen (ECLI:NL:PHR:2020:511).
ECLI:NL:HR:2020:1237
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/04565 Datum 10 juli 2020 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 augustus 2019, nrs. 18/00299 en 18/00300, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 13/1378 en 13/1379) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2007 en 2009 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2020:1235
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/02988 Datum 10 juli 2020 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 29 mei 2019, nrs. BK-18/00549 en 18/00550, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 17/5588 en 17/5966) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2013 en 2014 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2020:1150
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/04564 Datum 10 juli 2020 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) en de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op de beroepen in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2019, nrs. 17/00725 tot en met 17/00727, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 16/4332 tot en met 16/4334) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2011 tot en met 2013 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:PHR:2020:499
Verweerder wijst hierbij op onderdeel 5.1 van de conclusie van A-G Wattel van 7 mei 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:499).
ECLI:NL:GHSHE:2020:1472
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 19/00355 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 23 mei 2019, nummer BRE 17/2052 in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst hierna: de inspecteur, en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid), hierna: de Minister. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. 1.3. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.5. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Het hof heeft een brief verzonden op 23 december 2019 met het verzoek tot het overleggen van stukken. Belanghebbende heeft hierop gereageerd per fax ontvangen op 31 januari 2020. 1.7. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd aan de andere partij. 1.8. De zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2020 in ‘s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Nadat partijen kenbaar hebben gemaakt geen bezwaar te hebben tegen gelijktijdige behandeling met andere zaken zijn op deze zitting gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak, de zaak met nummer 19/00121 van belanghebbende [A] en de zaak met de nummers 19/00265, 19/00266, 19/00272 en 19/00273 van belanghebbende [B] . 1.9. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. 1.10. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.11. Van de zitting is met uitdrukkelijke toestemming van partijen één proces-verbaal van het onderzoek in alle zaken opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. 2Feiten 2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1978 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij woont in het onderhavige jaar in [woonplaats] , [adres] . 2.2. In het jaar 2014 was belanghebbende werkzaam aan boord van het binnenvaartschip [C] (hierna: het binnenvaartschip). Belanghebbende was gedurende de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 augustus 2014 in dienstbetrekking bij [D] (hierna: [D] ), gevestigd in Luxemburg. Van 1 september 2014 tot en met 31 december 2014 was belanghebbende in dienstbetrekking bij [E] (hierna: [E] ), gevestigd in Luxemburg. Belanghebbende is een zogenoemde Rijnvarende. 2.3. Aan belanghebbende is door de bevoegde Luxemburgse autoriteiten op 19 november 2004 een E106-verklaring afgegeven. Deze verklaring geldt met ingang van 19 oktober 2004 totdat de verklaring wordt ingetrokken. Volgens deze verklaring hebben belanghebbende en zijn bij hem wonende familie recht op prestaties uit hoofde van ziekte en moederschap. 2.4. Aan belanghebbende is door de bevoegde Luxemburgse autoriteiten op 24 maart 2006 een E101-verklaring afgegeven. Deze op de voet van de Verordening EEG nr. 1408/71 gegeven verklaring betreft: ‘attestation concernant la législation applicable’. Deze verklaring geldt met ingang van 1 januari 2005 voor onbepaalde tijd. In de verklaring is opgenomen dat [D] de sociale verzekeringspremies van belanghebbende betaalt en dat belanghebbende onderworpen is aan de Luxemburgse sociale zekerheidswetgeving. De inspecteur heeft bij brief van 1 augustus 2016 het bevoegde orgaan in Luxemburg verzocht de E101-verklaring ongeldig te verklaren. In antwoord daarop heeft het bevoegde orgaan in Luxemburg bij brief van 2 augustus 2016 aan de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) bericht dat de E101-verklaring met ingang van 1 januari 2007 zou zijn ingetrokken. 2.5. Op 29 april 2015 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 34.050 en bestaat uit: [D] € 27.100 Af: 8% pensioenpremie € 2.168 [E] € 14.800 Af: 8% pensioenpremie € 1.184 Loon dienstbetrekking buitenland € 38.548 Af: saldo eigen woning € 4.498 Box 1-inkomen/Verzamelinkomen € 34.050 In de aangifte 2014 heeft belanghebbende voor het gehele jaar vrijstelling van de premies volksverzekeringen gevraagd. 2.6. Naar aanleiding van de aangifte 2014 is op 10 februari 2016 nadere informatie opgevraagd. Op 16 maart 2016 is deze informatie ontvangen. De inspecteur is vervolgens afgeweken van de gedane aangifte 2014. Belanghebbende is als verzekerde voor de volksverzekeringen aangemerkt van 1 januari 2014 tot en met 16 november 2014. Het binnenvaartschip werd gedurende de periode 17 november 2014 tot en met 31 december 2014 geëxploiteerd door [E] (Rijnvaartverklaring afgegeven op 17 november 2014). 2.7. De definitieve aanslag 2014 is vastgesteld op 28 mei 2016. Het verzamelinkomen / box 1‑inkomen is conform de gedane aangifte 2014 vastgesteld. Belanghebbende is verzekerd en dus premieplichtig voor de volksverzekeringen in de periode 1 januari 2014 tot en met 16 november 2014. Het herleide premie-inkomen is vastgesteld op € 28.500. De geheven premie volksverzekeringen bedraagt € 8.877 en de heffingskorting voor deze premie € 2.944. 2.8. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Bij uitspraak op bezwaar van 8 februari 2017 heeft de inspecteur het inkomen uit werk en woning als volgt vastgesteld: Loon [D] Bruto arbeidsloon 27.100,48 Caisse de pension volgens loonstroken 2.168,00 Caisse de Maladie 50% x € 758,80 volgens loonstroken 379,40 Caisse Maladie Espèces 50% x € 67,76 volgens loonstroken 33,88 ----------- 2.581,28 ------------ Fiscaal loon 24.519,20 Loon [E] Bruto arbeidsloon 14.800,00 Pensionfund volgens loonstroken 1.184,00 Health Insurance 50% x € 414,40 volgens loonstroken 207,20 Health Cash Benefit 50% x € 37,00 volgens loonstroken 18,50 ----------- 1.409,70 ------------ Fiscaal loon 13.390,30 Het belastbaar inkomen uit woning en werk is nader vastgesteld op € 33.411 en het herleid premie-inkomen op € 28.389, de geheven premie volksverzekeringen op € 8.843 en de heffingskorting voor deze premie € 2.954. 2.9. Over de periode 1 januari 2014 tot en met 16 november 2014 zijn door de werkgever € 4.342,29 aan Luxemburgse sociale verzekeringspremies ingehouden. 2.10. De SVB heeft met dagtekening 19 september 2018 een A1-verklaring afgegeven, inhoudende dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing is over de periode van 1 januari 2011 tot en met 16 november 2014. Nadat belanghebbende hiertegen bezwaar had gemaakt heeft de SVB met dagtekening 28 februari 2019 twee nieuwe A1-verklaringen afgegeven. Voor de periode 1 januari 2011 tot en met 31 augustus 2014 is de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving aangewezen. Dat is de periode dat belanghebbende op de loonlijst stond van [D] . Voor de periode 1 september 2014 tot en met 16 november 2014 is de Nederlandse wetgeving aangewezen. Dat is de periode dat belanghebbende op de loonlijst stond van [E] . Door de rechtbank Zeeland-West-Brabant (sociale zekerheidsrechter) is bij uitspraak van 28 februari 2020, nummer BRE 19/1596 BESLU (niet gepubliceerd) het beroep tegen de A1-verklaringen van de SVB van 28 februari 2019 ongegrond verklaard, met onder meer afwijzing van het beroep op verrekening van premies overeenkomstig artikel 73 Vo 987/2009 en met het oordeel dat met de procedure van artikel 16 Vo 987/2009 geen doel of belang wordt gediend. Belanghebbende heeft medegedeeld dat daartegen hoger beroep zal worden aangetekend bij de Centrale Raad van Beroep (hierna ook wel: CRvB). 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. In geschil is of belanghebbende een vrijstelling toekomt voor de heffing van de premie volksverzekeringen voor de periode 1 januari 2014 tot en met 16 november 2014. Tevens is in geschil of de rechtbank de vergoeding van griffierecht juist heeft vastgesteld. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vrijstelling van de heffing van premies volksverzekeringen en een hogere vergoeding van griffierecht. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank uitsluitend ten aanzien van het oordeel over de vergoeding van het griffierecht. 4Gronden Ten aanzien van het geschil Vooraf 4.1. De SVB heeft met dagtekening 28 februari 2019 twee A1-verklaringen ten name van belanghebbende afgegeven. Hieruit volgt, dat belanghebbende over de in geschil zijnde periode 1 januari 2014 tot en met 16 november 2014 verzekerings- en premieplichtig is in Nederland voor de volksverzekeringen. 4.2. De belastingrechter is aan die A1-verklaringen gebonden, ook al staan die nog niet onherroepelijk vast. 4.3. Daarmee staat voor deze belastingprocedure vast, dat belanghebbende verzekerings- en premieplichtig is voor de volksverzekeringen in Nederland. 4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende Rijnvarende is in de zin van Rijnvarendenovereenkomst. Bevoegdheid inspecteur 4.5. Anders dan belanghebbende in eerste aanleg heeft aangevoerd is de inspecteur bevoegd te heffen. Dit volgt uit de artikelen 57 en 58 van de Wet financiering sociale verzekeringen en artikel 11, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. 4.6. Dat de inspecteur naar nationaal recht bevoegd is te heffen betekent echter niet dat de inspecteur bij die heffing Unierechtelijke en internationale regels kan negeren. Ter vergelijking: de omstandigheid dat de inspecteur bevoegd is inkomstenbelasting te heffen betekent niet dat hij een voorkoming van dubbele belasting ingevolge een belastingverdrag achterwege kan laten, terwijl daar wel recht op bestaat. 4.7. Zowel uit artikel 11 van de basisverordening als artikel 4 van Rijnvarendenovereenkomst volgt dat belanghebbende slechts aan de wetgeving van één lidstaat kan worden onderworpen. 4.8. In het onderhavige jaar is belanghebbende (feitelijk) onderworpen aan de sociale verzekeringswetgeving van Luxemburg en zijn sociale verzekeringspremies in Luxemburg betaald. 4.9. Als in Nederland van belanghebbende zonder meer premie volksverzekeringen zou mogen worden geheven dan zou belanghebbende aan de wetgeving van twee lidstaten zijn onderworpen. 4.10. Dit is zowel in strijd met artikel 11 van de basisverordening als artikel 4 van Rijnvarendenovereenkomst. 4.11. In artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is verankerd dat verordeningen, zoals de basisverordening, verbindend zijn in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat. 4.12. Uit artikel 94 van de Grondwet volgt, dat binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen. 4.13. Het feit, dat de inspecteur bevoegd is te heffen kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat de inspecteur in afwijking van zowel artikel 11 van de basisverordening als artikel 4 van Rijnvarendenovereenkomst belanghebbende (feitelijk) onderwerpt aan de wetgeving van twee lidstaten zonder acht te slaan op die Unierechtelijke en internationale bepalingen. Procedurevoorschriften in geval van meningsverschillen tussen lidstaten 4.14. De procedurevoorschriften in het Besluit A1 en artikel 6, artikel 16 en artikel 73 van de toepassingsverordening zijn erop gericht te voorkomen dat twee of meer lidstaten van dezelfde persoon sociale verzekeringspremies heffen. Daartoe moeten lidstaten met elkaar in overleg treden en in overleg tot het oordeel komen in welke lidstaat een persoon verzekerings- en premieplichtig is. Om het resultaat te bereiken dat een belanghebbende slechts aan de wetgeving van één lidstaat wordt onderworpen, als er een meningsverschil bestaat tussen lidstaten met betrekking tot de vaststelling van de toepasselijke wetgeving, is in de toepassingsverordening en het Besluit A1 voorzien in de mogelijkheid de zaak aan de Administratieve Commissie voor te leggen indien de betrokken organen of autoriteiten het niet eens kunnen worden en in een dialoog- en bemiddelingsprocedure die daaraan voorafgaat. 4.15. De inspecteur heeft gesteld, dat voorafgaande aan het moment van afgifte van de A1-verklaring door de SVB geen sprake is van een meningsverschil tussen de organen of autoriteiten van twee of meer lidstaten inzake de vaststelling van de toepasselijke wetgeving, die noopt tot overleg tussen de lidstaten. 4.16. Het hof verwerpt dit standpunt. Als twee lidstaten feitelijk heffen is er sprake van een meningsverschil tussen lidstaten, die ertoe noopt dat die lidstaten in overleg treden om die dubbele heffing ongedaan te maken om het doel te bereiken dat met de basisverordening en de Rijnvarendenovereenkomst wordt beoogd: onderwerping van belanghebbende aan de sociale zekerheidswetgeving van en de heffing in één lidstaat (in plaats van twee of meer lidstaten). 4.17. De inspecteur heeft gesteld, dat de toepassing van artikel 6 van de toepassingsverordening pas aan de orde komt als alle procedurele regels van de verordening worden gevolgd maar de organen van twee lidstaten het niet met elkaar eens worden. Artikel 6 is, aldus de inspecteur, niet van toepassing als in een lidstaat premies worden afgedragen zonder dat de toepasselijke procedures in acht worden genomen. Dit laatste doet zich bijvoorbeeld voor, aldus de inspecteur, als een werknemer die in meerdere lidstaten werkzaam is, zich niet houdt aan het in artikel 16, eerste lid, van de toepassingsverordening vervatte voorschrift dat hij zich moet melden bij het bevoegde orgaan van de lidstaat van de woonplaats. 4.18. Het hof verwerpt ook dit standpunt van de inspecteur. 4.18.1. In de preambule van de toepassingsverordening is, voor zover te dezen van belang, het volgende opgenomen: ‘(2) Een efficiëntere en nauwere samenwerking tussen de socialezekerheidsorganen is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat de onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallende personen zo spoedig mogelijk en onder de meest gunstige voorwaarden hun rechten kunnen gaan uitoefenen. (…) (6) De versterking van sommige procedures moet de gebruikers van Verordening (EG) nr. 883/2004 meer rechtszekerheid en transparantie bieden. (…) (9) Omdat de sociale zekerheid nu eenmaal een complexe materie is, moet van alle organen van de lidstaten een bijzondere inspanning ten behoeve van de verzekerden worden verlangd om de betrokkenen die hun aanvraag of bepaalde informatie aan het bevoegd orgaan niet volgens de voorschriften en procedures van Verordening (EG) nr. 883/2004 of de onderhavige verordening hebben ingediend, niet te benadelen. (10) Voor de vaststelling van het bevoegd orgaan, dat wil zeggen het orgaan waarvan de wetgeving van toepassing is of dat bepaalde uitkeringen verschuldigd is, moet de feitelijke situatie van een verzekerde en van de gezinsleden door de organen van een of meer lidstaten worden onderzocht. (…).’ Uit de deze preambule bij de toepassingsverordening volgt dat als een belanghebbende zijn aanvraag of bepaalde informatie aan het bevoegde orgaan niet volgens de voorschriften en procedures van de basisverordening of de toepassingsverordening heeft ingediend dit niet tot gevolg mag hebben dat die belanghebbende wordt benadeeld. Dit uitgangspunt is uitgewerkt in artikel 16, zesde lid, van de toepassingsverordening, waarin is bepaald dat dit artikel wordt toegepast op initiatief van het door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats aangewezen orgaan, zodra het, eventueel via een ander betrokken orgaan, in kennis is gesteld van de situatie van de betrokkene. Hieruit concludeert het hof, dat, ook indien belanghebbende zelf de procedurevoorschriften niet heeft nageleefd, de bevoegde autoriteit uit hoofde van de preambule bij de toepassingsverordening onder (9) een bijzondere inspanningsverplichting ten behoeve van de verzekerden heeft om het doel van de basisverordening en de toepassingsverordening, namelijk dat iemand slechts aan de wetgeving van één lidstaat wordt onderworpen, te bereiken. 4.18.2. Het hof wijst verder hierbij op de volgende overwegingen van de Centrale Raad van Beroep: ‘8.5. Het Unierecht verzet zich ertegen dat Lidstaten zich onttrekken aan het bepaalde in artikel 73 van Vo 987/2009 op, bijvoorbeeld, de grond dat de toepasselijke wetgeving in afwijking van artikel 6 van Vo 987/2009 en van artikel 16 van Vo 987/2009 niet eerst uitdrukkelijk voorlopig is vastgesteld, en/of de grond dat ontvangen premies niet zijn geoormerkt als voorlopig ontvangen premies. Indien aangewezen organen van de Lidstaten procedurevoorschriften van Vo 987/2009 niet in acht nemen en artikel 73 van Vo 987/2009 alleen daarom naar de letter niet van toepassing zou zijn, moeten de betrokken organen in onderling overleg bezien hoe zij, in overeenstemming met de ratio van deze bepaling, toch adequaat invulling kunnen geven aan het hieraan ten grondslag liggende uitgangspunt. 8.6. De Raad herinnert in dit verband aan punt 34 van het arrest van het HvJ EU van 21 maart 2018, Klein Schiphorst, C‑551/16, ECLI:EU:C:2018:200, waar is overwogen dat bij de uitleg van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. Verder herinnert de Raad aan het arrest van het HvJ EU van 19 juni 2003, Sante Pasquini, C‑34/02, ECLI:EU:C:2003:366, punt 70 e.v., waarbij – in essentie – is bevestigd dat migrerende werknemers er niet de dupe van mogen worden dat regels die de betrekkingen tussen socialezekerheidsorganen van verschillende lidstaten beheersen, niet of niet volledig worden nageleefd. (…) 11.3.2. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat de procedurevoorschriften van artikel 6 van Vo 987/2009 en artikel 16 van Vo 987/2009 door de nationale socialezekerheidsrechter niet buiten beschouwing mogen worden gelaten bij de beoordeling van besluiten die zijn gebaseerd op artikel 13 van Vo 883/2004 en de Rijnvarendenovereenkomst. De Raad ziet daarom geen grond om hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het HvJEU. 11.3.3.1. De Raad is van oordeel dat moet worden aangenomen dat de Svb de procedurevoorschriften van artikel 6 van Vo 987/2009, van artikel 16 van Vo 987/2009 en van het Besluit A1 (…) niet op een toereikende wijze in acht heeft genomen. Daartoe is overwogen dat aan de hand van de beschikbare gedingstukken niet kan worden geverifieerd of, wanneer en hoe de aangewezen organen van alle (mogelijk) betrokken werklanden door de Svb op de hoogte zijn gebracht van de (…) besluiten. 11.3.3.2. Verder is in aanmerking genomen dat indien wordt aangenomen dat de aangewezen organen van alle (mogelijk) betrokken werklanden wel door de Svb op de hoogte zijn gebracht van de onder 1.2 vermelde besluiten, niet kan worden uitgesloten dat deze organen daarbij door de Svb op het verkeerde been zijn gezet. De Raad herinnert er in dit verband aan dat de (…) besluiten niet onverwijld zijn genomen, dat deze besluiten voor een aanzienlijk gedeelte zijn gebaseerd op een onjuist toetsingskader, en dat in deze besluiten niet correct is aangeduid in hoeverre sprake is van vaststellingen met een voorlopig karakter als bedoeld in artikel 6 van Vo 987/2009. 11.3.4.1. Voor zover aan het standpunt van de Svb dat de procedurevoorschriften van artikel 16 van Vo 987/2009 geen rol mogen spelen in nationale procedures over de toepassing van artikel 13 van Vo 883/2004 (mede) de gedachte ten grondslag ligt dat bij toepassing van de Rijnvarendenovereenkomst niet (meer) sprake is van toepassing van artikel 13 van Vo 883/2004, maar (alleen) van de Rijnvarendenovereenkomst, wordt dit door de Raad verworpen. Op grond van artikel 16 van Vo 883/2004 kan de Rijnvarendenovereenkomst immers slechts uitzonderingen bevatten op de artikelen 11 tot en met 15 van Vo 883/2004, die betrekking hebben op de materieel toepasselijk te achten wetgeving. Deze overeenkomst doet niet af aan de procedurevoorschriften van artikel 6 van Vo 987/2009, van artikel 16 van Vo 987/2009 en van het Besluit A1, welke erop zijn gericht op correcte wijze tot vaststelling van de toepasselijke wetgeving te komen, met vermijding van dubbele premieheffing of prestaties.’ 4.19. Vaststaat dat Nederland de procedureregels in het Besluit A1 en artikel 6, artikel 16 en artikel 73 van de toepassingsverordening niet heeft nageleefd, waardoor nu dubbele heffing dreigt. 4.20. Kort samengevat komt de situatie neer op het volgende: - de inspecteur is niet het bevoegde orgaan om in overleg te treden met Luxemburg, dus hij stelt zonder overleg met de andere lidstaat bevoegd te zijn de premie volksverzekeringen te heffen ongeacht of in Luxemburg al is geheven; - de SVB is wel het bevoegde orgaan om in overleg te treden met Luxemburg, maar omdat zij in Nederland niet over de heffing gaat treedt zij niet in overleg met Luxemburg om de aldaar reeds geheven sociale verzekeringspremies door Luxemburg aan Nederland op de voet van artikel 73 van de toepassingsverordening te laten betalen en deze Luxemburgse premies (door de inspecteur) te (laten) verrekenen met de aanslag. 4.21. Aldus wordt doordat in Nederland de bevoegdheden zijn verdeeld over de SVB en de Belastingdienst belanghebbende geconfronteerd met een dubbele heffing. 4.22. In het kader van de sinds 1 mei 2010 geldende basis- en toepassingsverordening moeten Nederland en Luxemburg samen actief optrekken. De inspecteur heeft erop gewezen dat inmiddels op ambtelijk niveau contact is geweest tussen de Nederlandse en de Luxemburgse autoriteiten. Dat wijkt in positieve zin af van de opstelling, die blijkt uit eerdere antwoorden op vragen in de Tweede Kamer, die erop neer kwamen dat overleg tussen de lidstaten niet aan de orde was. Omdat de inspecteur heeft opgemerkt dat op dit moment nog geen voorspelling kan worden gedaan of de poging de dubbele premieheffing voor de betrokkenen zoals belanghebbende ongedaan te maken ook (geheel) gaat lukken, gaat het hof aan dit overleg op ambtelijk niveau verder voorbij. 4.23. Zoals belanghebbende in wezen betoogt wordt hij van het kastje naar de muur gestuurd. De inspecteur wijst naar de SVB, de SVB naar de inspecteur. Over wat de inspecteur doet of nalaat oordeelt de belastingrechter en over wat de SVB doet of nalaat oordeelt de Centrale Raad van Beroep. Het doorlopen van beide bestuursrechtelijke kolommen door belanghebbende heeft (tot nu toe) niet geleid tot het voorkomen van dubbele heffing. 4.24. In dit verband wijst het hof op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 juni 2003, Sante Pasquini, C-34/02, ECLI:EU:C:2003:366, randnummer 70 e.v., waarbij – in essentie – is bevestigd dat migrerende werknemers er niet de dupe van mogen worden dat regels die de betrekkingen tussen socialezekerheidsorganen van verschillende lidstaten beheersen niet of niet volledig worden nageleefd. Uit het arrest van het HvJ van 2 april 2020, Vueling, C‑370/17 en C‑37/18, ECLI:EU:C:2020:260, randnummer 68, 69, 70, 74 en 75, volgt voorts onder meer dat wanneer door het niet naleven van de Unierechtelijke procedurevoorschriften sociale verzekeringspremies dubbel worden geheven en/of de in een andere lidstaat ten onrechte betaalde premies niet terug kunnen worden gekregen sprake is van het ondermijnen van het Unierecht. 4.25. Het hof is van oordeel dat de belastingrechter deze impasse - die ontstaan is doordat bestuursorganen en lidstaten niet samenwerken en overleggen en het Unierecht dreigt te worden ondermijnd - dient te doorbreken. Eventuele dubbele premieheffing kan niet worden hersteld door de Belastingdienst of de belastingrechter. 4.26. De inspecteur heeft erop gewezen dat de Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld, dat eventuele dubbele premieheffing in beginsel niet kan worden hersteld door de Belastingdienst of de belastingrechter. Zoals de Centrale Raad van Beroep heeft overwogen is dit in beginsel juist. Maar zolang de SVB als bevoegd bestuursorgaan niet adequaat en effectief optreedt om de dubbele heffing ongedaan te maken, en in verlengde daarvan de sociale zekerheidsrechter (in de onder 2.10 vermelde uitspraak) er geen oog voor heeft dat, zoals de Centrale Raad van Beroep heeft overwogen, het naleven van de procedurevoorschriften ertoe dient dubbele heffing (en uitkeringen) te voorkomen of ongedaan te maken en dus wél een doel of belang dient, is er voor het hof aanleiding op dit beginsel een uitzondering te maken om te voorkomen dat het Unierecht wordt ondermijnd en de impasse te doorbreken. 4.27. Het hof zal de impasse doorbreken door op de voet van artikel 73, tweede lid, van de toepassingsverordening de in Luxemburg geheven premies te verrekenen met de geheven premie volksverzekeringen. Verrekening op de voet van artikel 73, tweede lid, van de toepassingsverordening 4.28. De inspecteur heeft gesteld, dat gelet op de bewoordingen van artikel 73 van de toepassingsverordening een verrekening van de in Luxemburg geheven premies met de geheven premie volksverzekeringen een invorderingskwestie zou kunnen zijn. Het hof is van oordeel, dat als een belanghebbende drie (nationaal)rechterlijke kolommen zou moeten doorlopen om aan een dubbele heffing te ontkomen geen sprake meer is van een doeltreffende voorziening in rechte die voldoet aan de normen van het Unierecht. Namelijk: - de sociale zekerheidskolom (sociale zekerheidsrechter bij de rechtbank en Centrale Raad van Beroep); - de fiscale kolom (belastingrechter bij de rechtbank, bij het gerechtshof en bij de Hoge Raad); en - de civielrechtelijke kolom (civiele rechter bij de rechtbank, bij het gerechtshof en bij de Hoge Raad). 4.29. Voorts heeft de inspecteur gesteld, dat de Wet IB 2001, met name artikel 9.2, eerste lid, in ieder geval niet voorziet in de verrekening van buitenlandse sociale zekerheidspremies als te verrekenen voorheffingen. Dat is natuurlijk juist, maar irrelevant. Uit artikel 288 van het VWEU volgt dat verordeningen, zoals de basis- en toepassingsverordening, verbindend zijn in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat. Als de nationale wet strijdt met rechtstreeks werkend Unierecht dan moet deze buiten toepassing blijven. 4.30. De inspecteur heeft tevens gesteld, dat verrekening met de premie volksverzekeringen van de in Luxemburg ingehouden en aldaar afgedragen sociale verzekeringspremies niet mogelijk is, omdat naar Luxemburgs recht eventuele afgedragen sociale verzekeringspremies worden terugbetaald aan de werkgever in Luxemburg en niet aan Nederland, zoals volgt uit artikel 73, tweede lid, van de toepassingsverordening. Dat Luxemburgs recht een betaling aan Nederland niet mogelijk zou maken is irrelevant. Uit artikel 288 van het VWEU volgt immers dat verordeningen, zoals de basis- en toepassingsverordening, verbindend zijn in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat. Als de Luxemburgse nationale wet strijdt met rechtstreeks werkend Unierecht dan moet deze buiten toepassing blijven. 4.31. De inspecteur heeft tevens gesteld, dat op belanghebbende de bewijslast rust aannemelijk te maken dat de door de Luxemburgse werkgever ten onrechte ingehouden premies niet alleen zijn ingehouden, maar ook daadwerkelijk zijn afgedragen aan de Luxemburgse fondsen. Deze stelling roept associaties op met de zogenoemde ‘toeslagenaffaire’ van de Belastingdienst. Op basis van een vage notie en suggestie van fraude moet kennelijk aan belastingplichtigen, die aan die (vermeende) fraude van de werkgever part noch deel hebben, (Unierechtelijke) rechten worden ontzegd. Namelijk in het bijzonder het recht om binnen de Europese Unie niet met een dubbele heffing te worden geconfronteerd. Bovendien volgt uit vaste jurisprudentie, dat loonheffingen die door de werkgever op het loon zijn ingehouden door de werknemer verrekend mogen worden zelfs indien de werkgever de ingehouden loonheffing niet afdraagt, omdat het redelijker is dat het risico, dat de werkgever zijn verplichtingen veronachtzaamt, ten laste van de overheid komt dan dat het wordt gebracht ten laste van een werknemer die te goeder trouw is. Naar het oordeel van het hof geldt deze lijn ook voor de toepassing van artikel 73 van de toepassingsverordening. 4.32. Ook heeft de inspecteur gesteld dat de in Luxemburg ingehouden bedragen niet kunnen worden verrekend, omdat de aard van die bedragen heel anders is dan de premie volksverzekeringen. 4.33. Als de inspecteur bedoeld heeft te stellen dat de in Luxemburg ingehouden bedragen niet onder de materiële werkingssfeer van de basisverordening vallen omdat die bedragen niet vergelijkbaar zijn met de Nederlandse volksverzekeringen wordt dit standpunt verworpen. Zoals belanghebbende stelt, is de benaderingswijze van de inspecteur volstrekt in strijd met de bedoeling van de Europese sociale zekerheidsverordeningen, welke beogen coördinatie van sociale zekerheidsstelsels en niet van harmonisatie daarvan. Het feit, dat de andere lidstaat de sociale zekerheid totaal anders heeft geregeld dan Nederland kan niet de conclusie rechtvaardigen dat aan de hoofdregel in de basisverordening, dat iemand alleen in één lidstaat wordt onderworpen aan de sociale zekerheidswetgevingen en recht heeft op verrekening, afbreuk wordt gedaan. Belanghebbende heeft hierbij terecht gewezen op artikel 3, eerste lid, van de basisverordening, waarin de materiële werkingssfeer omschreven is als volgt: ‘Deze verordening is van toepassing op alle wetgeving betreffende de volgende takken van sociale zekerheid: a) prestaties bij ziekte; b) moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen; c) uitkeringen bij invaliditeit; d) uitkeringen bij ouderdom; e) uitkeringen aan nabestaanden; f) prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten; g) uitkeringen bij overlijden; h) uitkeringen bij werkloosheid; i) uitkeringen bij vervroegde uittreding; j) gezinsbijslagen.’ 4.34. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft de inspecteur uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk verklaard, dat de in Luxemburg ingehouden 8% pensionkasse het meest overeenkomt met de premie voor de AOW en in die zin ten onrechte in aftrek is gebracht op het loon. Het hof zal desbetreffende bedrag verrekenen. 4.35. Voor de overige bedragen heeft de inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk verklaard, dat omtrent de kwalificatie van die bedragen alleen duidelijkheid kan worden verkregen door overleg met de andere lidstaat. Nu Nederland daartoe geen overleg heeft gepleegd met Luxemburg dient deze onduidelijkheid voor rekening en risico van de inspecteur te komen. Het hof zal ook de overige bedragen verrekenen. 4.36. Het hof is met belanghebbende van oordeel, dat de volledige betaalde sociale verzekeringspremies moeten worden verrekend. Anders dan belanghebbende wil volgt hier wel uit, dat de op het loon in aftrek gebrachte bedragen moeten worden gecorrigeerd. 4.37. Het voorgaande betekent dat het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt moet worden vastgesteld: - loon [D] € 27.100 - loon [E] € 14.800 - eigen woning € 4.498 -/- Totaal € 37.402. Aangezien voor de inkomstenbelasting is uitgegaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.411, maar dit geen onderwerp van geschil is in deze procedure, blijft dit deel van de aanslag in stand, zoals dit luidt na de uitspraak op bezwaar. Wat betreft de premieheffing dient uitgegaan te worden van een herleid maximaal premie-inkomen van 315/360 x € 33.363 = € 29.192. De toe te passen heffingskorting premieheffing dient evenzeer tijdsevenredig te worden berekend. Het hieruit voortvloeiende bedrag aan premieheffing dient vervolgens te worden verminderd met de in Luxemburg over de periode 1 januari 2014 tot en met 16 november 2014 geheven premies van € 4.342,29. E101 en E106 4.38. Voor hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd met betrekking tot de E101 en E106 verklaringen verwijst het hof naar zijn uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3140. De overwegingen onder 4.3 tot en met 4.10 moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. De stellingen van belanghebbende worden verworpen. Overige stellingen 4.39. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel. Tussenconclusie 4.40. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Ten aanzien van het griffierecht 4.41. Het hof is van oordeel dat aanleiding bestaat om het griffierecht aan belanghebbende te laten vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Voorts heeft belanghebbende terecht geklaagd over de onjuiste vergoeding van het griffierecht dat in het dictum van de uitspraak van de rechtbank is opgenomen. Het dictum van de uitspraak gaat ten onrechte uit van 2 x € 11,50. Het totale betaalde griffierecht bedraagt € 46. Deze vergoeding komt volledig voor rekening van de inspecteur, omdat het beroep op inhoudelijke gronden gegrond is. Aangezien de rechtbank heeft bepaald dat de Minister wordt veroordeeld in het vergoeden van het griffierecht tot een bedrag van € 11,50 en de Minister geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het hof de uitspraak van de rechtbank op dit punt in zoverre in stand laten en de inspecteur veroordelen tot het vergoeden van € 34,50 aan griffierecht voor de procedure bij de rechtbank. Voorts dient de inspecteur het bij het hof betaalde griffierecht van € 128 geheel te vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.42. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is. 4.43. De tegemoetkoming in de kosten in verband met de behandeling van het beroep stelt het hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), op 2 (punten voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting) x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.050. Deze kosten komen volledig voor rekening van de inspecteur, omdat het beroep op inhoudelijke gronden gegrond is. Aangezien de rechtbank heeft bepaald dat de Minister wordt veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 256 en de Minister geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het hof de uitspraak van de rechtbank op dit punt in stand laten en de inspecteur veroordelen tot het vergoeden van € 794 aan proceskosten voor de procedure bij de rechtbank. 4.44. De tegemoetkoming in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep stelt het hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2,5 (punten voor het indienen van het hogerberoepschrift, het verstrekken van schriftelijke inlichtingen en het verschijnen ter zitting) x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.312,50. 4.45. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt. 5Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank met uitzondering van de beslissingen over de immateriële schadevergoeding, de proceskosten en het griffierecht ten laste van de Minister; verklaart het tegen de uitspraak van de inspecteur ingestelde beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar, met uitzondering van de beslissing over de vergoeding van de kosten van bezwaar; vermindert de aanslag 2014 maar uitsluitend voor wat betreft de premieheffing tot een aanslag berekend naar een herleid premie-inkomen uitgaande van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.402 en rekening houdend met een tijdsevenredige berekening van de heffingskorting premieheffing en vermindert het aldus berekende premiedeel van de aanslag met € 4.343; vermindert de beschikking belastingrente evenredig; veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van, in totaal, € 2.106,50; bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 162,50 (€ 34,50 + € 128) vergoedt. De uitspraak is gedaan door P. Fortuin, voorzitter, T.A. Gladpootjes en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van I.H.M. Fluitsma, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. Het aanwenden van een rechtsmiddel: Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2. ( Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3. Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Bijlage relevante regelgeving Heffing in één lidstaat In de basisverordening is, voor zover te dezen van belang, het volgende opgenomen: ‘(15) Het is noodzakelijk dat personen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen aan de wetgeving van een enkele lidstaat onderworpen zijn, om de samenloop van toepasbare nationale wetgevingen en de verwikkelingen die daaruit ontstaan, te vermijden. (…) (32) Teneinde de mobiliteit van werknemers te bevorderen, is het met name aangewezen om het zoeken naar werk in de verschillende lidstaten te vergemakkelijken; het is derhalve nodig tot de een volledigere en effectievere coördinatie tussen de regelingen inzake werkloosheidsverzekering en de diensten voor arbeidsvoorziening van alle lidstaten te komen. (…) TITEL II VASTSTELLING VAN DE TOEPASSELIJKE WETGEVING Artikel 11 Algemene regels 1. Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld.’. In de Rijnvarendenovereenkomst is, voor zover te dezen van belang, het volgende opgenomen: ‘Artikel 4 Toepasselijke wetgeving (1) Op de Rijnvarende is slechts de wetgeving van één enkele Ondertekenende Staat van toepassing.’ Procedurevoorschriften in geval van meningsverschillen tussen lidstaten In het Besluit A1 is, voor zover te dezen van belang, het volgende opgenomen: ‘Gelet op Artikel 6 van Verordening (EG) nr. 987/2009 betreffende de voorlopige toepassing van wetgeving en de voorlopige toekenning van uitkeringen in gevallen waar tussen de organen van twee of meer lidstaten een meningsverschil bestaat over de vaststelling van de toepasselijke wetgeving, Gelet op artikel 16 van Verordening (EG) nr. 987/2009 betreffende de invoering van een procedure voor de toepassing van artikel 13 van Verordening (EG) nr. 883/2004, Overwegende hetgeen volgt: (1) Een van de sleutelfactoren voor het efficiënt functioneren van de communautaire regels betreffende de coördinatie van nationale socialezekerheidsstelsels, is nauwe en efficiënte samenwerking tussen de autoriteiten en organen van de verschillende lidstaten. (4) Het beginsel van loyale samenwerking, zoals vastgelegd in artikel 10 van het Verdrag, vereist ook dat organen de voor de toepassing van de verordeningen relevante feiten zorgvuldig en juist dienen vast te stellen. (…) als er een meningsverschil bestaat tussen lidstaten met betrekking tot de vaststelling van de toepasselijke wetgeving (…), is het in het belang van de onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallende personen dat de organen of autoriteiten van de betrokken lidstaten binnen een redelijke termijn tot overeenstemming kunnen komen. (…) (11) De lidstaten hebben te kennen gegeven dat zij behoefte hebben aan een standaardprocedure die gevolgd dient te worden voordat een kwestie aan de Administratieve Commissie kan worden voorgelegd, en aan een nadere precisering van de rol van de Administratieve Commissie bij het oplossen van meningsverschillen tussen organen met betrekking tot de toepasselijke wetgeving. (…) BESLUIT: 1. In dit besluit zijn de regels vastgelegd voor de toepassing van een dialoog- en bemiddelingsprocedure, waarvan gebruik kan worden gemaakt in de volgende gevallen: (…) b) gevallen waar een meningsverschil bestaat tussen lidstaten met betrekking tot het vaststellen van de toepasselijke wetgeving.’. In de toepassingsverordening is, voor zover te dezen van belang, het volgende opgenomen: ‘(2) Een efficiëntere en nauwere samenwerking tussen de socialezekerheidsorganen is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat de onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallende personen zo spoedig mogelijk en onder de meest gunstige voorwaarden hun rechten kunnen gaan uitoefenen. (…) (6) De versterking van sommige procedures moet de gebruikers van Verordening (EG) nr. 883/2004 meer rechtszekerheid en transparantie bieden. (…) (9) Omdat de sociale zekerheid nu eenmaal een complexe materie is, moet van alle organen van de lidstaten een bijzondere inspanning ten behoeve van de verzekerden worden verlangd om de betrokkenen die hun aanvraag of bepaalde informatie aan het bevoegd orgaan niet volgens de voorschriften en procedures van Verordening (EG) nr. 883/2004 of de onderhavige verordening hebben ingediend, niet te benadelen. (10) Voor de vaststelling van het bevoegd orgaan, dat wil zeggen het orgaan waarvan de wetgeving van toepassing is of dat bepaalde uitkeringen verschuldigd is, moet de feitelijke situatie van een verzekerde en van de gezinsleden door de organen van een of meer lidstaten worden onderzocht. (…) (…) (13) Deze verordening voorziet in maatregelen en procedures om de mobiliteit van werknemers en werklozen te bevorderen. (…) (…) HOOFDSTUK II Bepalingen inzake samenwerking en gegevensuitwisseling Artikel 2 Tussen de organen uit te wisselen informatie en wijze waarop deze uitwisseling moet plaatsvinden (…) 2. Door de organen worden onverwijld alle gegevens verstrekt of uitgewisseld die nodig zijn voor de vaststelling van de rechten en plichten van degenen op wie de basisverordening van toepassing is. (…) Artikel 6 Voorlopige toepassing van een wetgeving en voorlopige betaling van uitkeringen 1. Tenzij in de toepassingsverordening anders is bepaald, wordt in geval van een meningsverschil tussen de organen of autoriteiten van twee of meer lidstaten inzake de vaststelling van de toepasselijke wetgeving, op de betrokkene voorlopig de wetgeving van een van deze lidstaten toegepast, waarbij de rangorde als volgt wordt bepaald: (…) c) in alle andere gevallen, de wetgeving van de lidstaat waar het eerst om toepassing van de wetgeving is verzocht, indien de betrokkene in twee of meer lidstaten werkzaamheden verricht. (…) 3. Worden de betrokken organen of autoriteiten het niet eens, dan kan door de bevoegde autoriteiten de zaak aan de Administratieve Commissie worden voorgelegd, zulks op zijn vroegst één maand na de datum waarop het meningsverschil als bedoeld in lid 1 en lid 2 is ontstaan. De Administratieve Commissie tracht binnen zes maanden na de datum waarop de zaak aan haar is voorgelegd, een voor beide zijden aanvaardbare oplossing te vinden. (…) HOOFDSTUK III Overige algemene bepalingen voor de toepassing van de basisverordening (…) TITEL II VASTSTELLING VAN DE TOEPASSELIJKE WETGEVING Artikel 16 Procedure voor de toepassing van artikel 13 van de basisverordening 1. Degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden verricht, stelt het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats, daarvan in kennis. 2. Het aangewezen orgaan van de woonplaats stelt onverwijld de op de betrokkene toepasselijke wetgeving vast, met inachtneming van artikel 13 van de basisverordening en artikel 14 van de toepassingsverordening. Deze aanvankelijke vaststelling heeft een voorlopig karakter. Het orgaan brengt de aangewezen organen van elke lidstaat waar werkzaamheden worden verricht op de hoogte van zijn voorlopige vaststelling. 3. De voorlopige vaststelling van de toepasselijke wetgeving, bedoeld in lid 2, wordt definitief binnen twee maanden nadat de door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten aangewezen organen ervan in kennis zijn gesteld overeenkomstig lid 2,tenzij de wetgeving reeds definitief is vastgesteld op basis van lid 4, of tenzij ten minste een van de betrokken organen de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats aangewezen organen aan het eind van de periode van twee maanden ervan in kennis stelt dat het nog niet met de vaststelling kan instemmen of hierover een ander standpunt inneemt. (…) 6. Indien de betrokkene nalaat de in lid 1 vermelde informatie te verstrekken, wordt dit artikel toegepast op initiatief van het door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats aangewezen orgaan, zodra het, eventueel via een ander betrokken orgaan, in kennis is gesteld van de situatie van de betrokkene. (…) HOOFDSTUK III Terugvordering van ten onrechte verstrekte prestaties, terug- en invordering van voorlopige betalingen en premies, verrekening en bijstand bij terug- en invordering (…) Afdeling 2 Verrekening (…) Artikel 73 Voorlopige betaalde prestaties in geld of voorlopig betaalde premies (…) 2. Het orgaan dat van een rechtspersoon en/of natuurlijke persoon voorlopige premies heeft ontvangen, gaat pas over tot terugbetaling van de bedragen in kwestie aan de persoon die deze heeft betaald, nadat het bij het als bevoegd aangemerkte orgaan navraag heeft gedaan naar de bedragen die op grond van artikel 6, lid 4, van de toepassingsverordening eventueel aan dit orgaan verschuldigd zijn. Op verzoek van het als bevoegd aangemerkte orgaan, welk verzoek uiterlijk drie maanden na de vaststelling van de toepasselijke wetgeving wordt ingediend, maakt het orgaan dat voorlopige premies heeft ontvangen, deze premies aan dit orgaan over, opdat deze worden verrekend met de over dezelfde periode door de betrokken rechts- of natuurlijke persoon aan het voor de betrokken periode als bevoegd aangemerkte orgaan verschuldigde premies. De overgemaakte premies worden met terugwerkende kracht geacht betaald te zijn aan het als bevoegd aangemerkte orgaan. Indien de voorlopig betaalde premies meer bedragen dan de betrokken natuurlijke of rechtspersoon aan het als bevoegd aangemerkte orgaan verschuldigd is, betaalt het orgaan dat de premies voorlopig had ontvangen, het teveel betaalde bedrag aan de betrokken natuurlijke of rechtspersoon terug.’ Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. De hierna genoemde toepassingsverordening. Hoge Raad 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1838. Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004 van 23 december 2010, Stcrt. 2011, 3397. Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. Besluit A1 van 12 juni 2009 betreffende de instelling van een dialoog- en bemiddelingsprocedure met betrekking tot de geldigheid van documenten, het bepalen van de toepasselijke wetgeving en het verlenen van prestaties uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (Pb. 2010/C 106/01) van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels. Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees parlement en de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. Hof ’s-Hertogenbosch 27 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2018:3983, onder 4.18. CRvB 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817. Vgl. HvJ 11 juli 2018, Commissie-België, C-356/15, ECLI:EU:C:2018:555, r.o. 95, 96 en 105 en HvJ van 2 april 2020, Vueling, C‑370/17 en C‑37/18, ECLI:EU:C:2020:260, randnummer 74 en 75. Antwoord op vragen van het lid van de Tweede Kamer Lodders van de staatssecretaris van Financiën bij brief van 14 mei 2019 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2659) en antwoord op vragen van de leden van de Tweede Kamer Omtzigt en Van Helvert van de staatssecretaris van Financiën bij brief van 14 mei 2019 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2666). CRvB 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817, onder 8.7. CRvB 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817, onder 11.3.4.1. Artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Zie ook: HvJ 19 juni 2003, Sante Pasquini, C-34/02, ECLI:EU:C:2003:366. HvJ van 2 april 2020, Vueling, C‑370/17 en C‑37/18, ECLI:EU:C:2020:260, randnummer 74. Zie ook antwoorden op vragen 2 en 3 in Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2659. Hoge Raad 22 juli 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9782; Hoge Raad 22 juli 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9784 en Hoge Raad 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3038. Zie ook: https://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=868&intPageId=2285&langId=en
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 19/511, LEE 19/512 en LEE 19/513 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 oktober 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. [gemachtigde van eiser] ), en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, verweerder (gemachtigden: [gemachtigde 1 van verweerder] , mr. [gemachtigde 2 van verweerder] en [gemachtigde 3 van verweerder] ). Procesverloop Zaaknummer LEE 19/511 Verweerder heeft voor het jaar 2010 met dagtekening 7 februari 2013 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.900.

Eiser is daarbij geen vrijstelling van de heffing premie volksverzekeringen verleend. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 322 aan heffingsrente in rekening gebracht. Zaaknummer LEE 19/512 Verweerder heeft voor het jaar 2011 met dagtekening 24 januari 2014 aan eiser een aanslag opgelegd in de IB/PVV berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.653. Eiser is daarbij geen vrijstelling van de heffing premie volksverzekeringen verleend. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 311 aan belastingrente in rekening gebracht.

Zaaknummer LEE 19/513 Verweerder heeft voor het jaar 2012 met dagtekening 14 november 2014 aan eiser een aanslag opgelegd in de IB/PVV berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.367. Eiser is daarbij geen vrijstelling van de heffing premie volksverzekeringen verleend. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 321 aan heffingsrente in rekening gebracht. Zaaknummers LEE 19/511, LEE 19/512 en LEE 19/513 Bij uitspraken op bezwaar van 18 januari 2019 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft in elke zaak een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen Feiten 1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 1.1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiser woonde in heel 2010, 2011 en 2012 in Nederland. 1.2.

Eiser was in 2010, 2011 en 2012 werkzaam in het internationaal vervoer over de Europese binnenwateren. 1.3. Eiser werkte heel 2010, 2011 en 2012 in loondienst voor [naam werkgever] (hierna: [naam werkgever] ), gevestigd in Luxemburg. 1.4. Eiser voerde zijn werkzaamheden voor [naam werkgever] uit aan boord van het binnenvaartschip [naam schip] dat hoofdzakelijk heeft gevaren in het stroomgebied van de Rijn. De [naam schip] is eigendom van [naam schip] B.V., gevestigd in Nederland. 1.5. Aan eiser is op 10 maart 2006 door de Luxemburgse autoriteit een E‑101‑verklaring afgegeven.

Volgens deze E‑101‑verklaring is op eiser vanaf 1 februari 2005 voor onbepaalde tijd de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving van toepassing. 1.6. Aan eiser is op 1 februari 2017 door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een A1‑verklaring afgegeven. Volgens deze A1‑verklaring is op eiser vanaf 1 mei 2010 tot en met 30 april 2013 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing. 1.7. Bij uitspraak van 8 maart 2018 heeft Rechtbank Noord-Nederland beslist in eisers beroepsprocedures ten aanzien van de premieheffing over de jaren 2007 en 2009.

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. 1.8. Bij uitspraak van 27 augustus 2019 heeft Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beslist op eisers hoger beroep tegen de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland (zie 1.7.) Het gerechtshof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. 1.9. Tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (zie 1.8.) heeft eiser beroep in cassatie ingesteld. Op 7 mei 2020 heeft A‑G Wattel in deze zaak conclusie genomen (ECLI:NL:PHR:2020:511). Op 10 juli 2020 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond verklaard (ECLI:NL:HR:2020:1237).

Geschil 2. In geschil is het antwoord op de vraag of de bedragen van de premie volksverzekeringen door verweerder juist zijn vastgesteld voor de jaren 2010, 2011 en 2012. Meer specifiek is in geschil of verweerder van eiser voor de jaren 2010, 2011 en 2012 terecht premies voor de Nederlandse volksverzekeringen heeft geheven.

3. Als de rechtbank beslist dat verweerder terecht premies heeft geheven is vervolgens in geschil of de op het Luxemburgse loon ingehouden premies verrekend moeten worden met de Nederlandse premieheffing dan wel dat deze premies in mindering gebracht moeten worden bij de bepaling van het belastbaar loon van eiser.

4. Daarnaast is in geschil of eiser recht heeft op een immateriële schadevergoeding (ISV) in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Juridisch kader 5. Bij de bepaling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving voor Rijnvarenden is onder meer de volgende regelgeving van belang: Het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (hierna: het Rijnvarendenverdrag), Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (ook wel aangeduid als de basisverordening, hierna:

Vo 883/2004) Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (ook wel aangeduid als de toepassingsverordening, hierna: Vo 987/2009) Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving (hierna: de Rijnvarendenovereenkomst); Besluit nr. A1 van 12 juni 2009 betreffende de instelling van een dialoog- en bemiddelingsprocedure met betrekking tot de geldigheid van documenten, het bepalen van de toepasselijke wetgeving en het verlenen van prestaties uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (hierna:

Besluit nr. A1) 6. Hierbij moet het volgende worden opgemerkt: In artikel 7, tweede lid, onder a, van Vo 1408/71 is bepaald dat, ongeacht het bepaalde in artikel 6 van Vo 1408/71, het Rijnvarendenverdrag van toepassing blijft. Ingevolge de regeling die is opgenomen in artikel 87, eerste lid, van Vo 883/2004 is artikel 7, tweede lid, onder a, van Vo 1408/71 van toepassing gebleven op tijdvakken gelegen vóór 1 mei 2010. Daarom is voor Rijnvarenden het Rijnvarendenverdrag tot 1 mei 2010 van toepassing. Partijen bij het Rijnvarendenverdrag zijn: Duitsland, België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Zwitserland.

Op grond van de Rijnvarendenovereenkomst gelden voor Rijnvarenden per 1 mei 2010 niet de aanwijsregels zoals opgenomen in titel II van Vo 883/2004 (artikelen 11 tot en met 15). In plaats daarvan gelden voor Rijnvarenden de in artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst opgenomen aanwijsregels. Partijen bij de Rijnvarendenovereenkomst zijn: Duitsland, België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Zwitserland (per 1 april 2012) en Liechtenstein (per 1 september 2018). Zowel het Rijnvarendenverdrag als de Rijnvarendenovereenkomst zijn van toepassing op alle personen die als Rijnvarenden aan de wetgeving van één of meer van de verdragsluitende partijen onderworpen zijn of zijn geweest (artikel 2, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag en artikel 2, eerste lid, van de Rijnvarendenovereenkomst).

Zowel onder het Rijnvarendenverdrag als onder de Rijnvarendenovereenkomst wordt onder het begrip “Rijnvarende” een werknemer of zelfstandige verstaan, alsmede elke persoon die krachtens de van toepassing zijnde wetgeving met hen wordt gelijkgesteld, die behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt en dat is voorzien van het certificaat bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte, ondertekend te Mannheim op 17 oktober 1868, met inachtneming van de wijzigingen welke daarin zijn aangebracht of nog zullen worden aangebracht, alsmede van de daarop betrekking hebbende uitvoeringsvoorschriften (artikel 1, onderdeel m, van het Rijnvarendenverdrag en artikel 1, onderdeel a, van de Rijnvarendenovereenkomst).

Beoordeling Premieheffing volksverzekeringen 7. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiser Rijnvarende in de zin van het Rijnvarendenverdrag en de Rijnvarendenovereenkomst is, en dat op grond van de aanwijsregels van het Rijnvarendenverdrag en de Rijnvarendenovereenkomst op eiser de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is.

8. Eiser stelt dat voor heel 2010, 2011 en 2012 ten onrechte premie volksverzekeringen zijn geheven. Daartoe voert hij – kort weergegeven – de volgende gronden aan: Verweerder had bij het vaststellen van de verzekeringsplicht naast de aanwijsregels uit het Rijnvarendenverdrag en de Rijnvarendenovereenkomst ook de rechtstreeks werkende bepalingen van Vo 883/2004 en Vo 987/2009 moeten toepassen. Verweerder had voor de periode 1 januari 2010 tot en met 30 april 2010 artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag, en voor de periode 1 mei 2010 tot en met 31 december 2012 artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 moeten toepassen.

Bij het vaststellen van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving dient het belang van eiser voorop te staan. Eisers belang vergt dat de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving van toepassing wordt verklaard. De door het Rijnvarendenverdrag, Vo 883/2004 en Vo 987/2009 voorgeschreven procedureregels voor het vaststellen van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving zijn niet gevolgd. De rechtbank zal deze gronden hierna bespreken. i. Vaststelling premieplicht door verweerder 9. Eiser stelt dat op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1237) verweerder alle toepasselijke regelgeving moet betrekken bij het vaststellen van de verzekerings- en premieplicht van eiser.

Onder de toepasselijke regels vallen ook artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag (voor de periode tot 1 mei 2010) en artikel 16 van de Basisverordening en artikel 18 van de Toepassingsverordening (voor de periode vanaf 1 mei 2010). In eisers geval had verweerder middels toepassing van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag en van artikel 16 van de Basisverordening het Luxemburgse socialezekerheidsrecht van toepassing moeten verklaren, aldus eiser.

10. Verweerder stelt dat hij de regelgeving, in eisers geval voor de periode 1 januari 2010 tot en met 30 april 2010 het Rijnvarendenverdrag en voor de periode 1 mei 2010 tot en met 31 december 2012 de Rijnvarendenovereenkomst, juist heeft toegepast. Het sluiten van een (regularisatie)overeenkomst als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag of artikel 16, eerste lid, van de Basisverordening ten behoeve van eiser is een bevoegdheid van de SVB en haar Luxemburgse tegenhanger. Verweerder is daarvoor niet de bevoegde autoriteit.

11. De rechtbank overweegt als volgt. In zijn arrest van 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1235) heeft de Hoge Raad als volgt beslist: “2.2.4 Het standpunt van belanghebbende dat er sprake is van dubbele heffing van socialeverzekeringspremies en daarom artikel 16 Basisverordening dient te worden toegepast in het belang van belanghebbende, heeft het Hof van de hand gewezen. 2.3.1 Het eerste middel bevat onder meer de klacht dat in het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel is miskend dat onder de Rijnvarendenovereenkomst de procedure van artikel 16 Toepassingsverordening moet worden nageleefd.

Het derde middel is gericht tegen het hiervoor in 2.2.4 weergegeven oordeel van het Hof. Volgens het middel dient de Inspecteur bij de vaststelling van de verzekerings- en premieplicht ook artikel 16 Basisverordening te betrekken. 2.3.2 In zoverre falen de middelen op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 4.3.1 tot en met 4.3.10 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 19/04564 (ECLI:NL:HR:2020:1150) (...)” De rechtsoverwegingen 4.3.1 tot en met 4.3.10 van het arrest van de Hoge Raad waarnaar verwezen wordt luiden als volgt:

“4.3.1 In cassatie is de vraag aan de orde of er een rechtsgrond is die inhoudt dat door Luxemburg geheven premies moeten worden verrekend met door de Inspecteur te heffen premies. Bij de beantwoording van die vraag is het volgende van belang. 4.3.2 Artikel 13 Basisverordening regelt dat het antwoord op de vraag welke nationale wetgeving geldt voor een persoon die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst verricht, afhankelijk is van de omstandigheden van de in die bepaling omschreven gevallen. Artikel 16 Basisverordening biedt mogelijkheden tot afwijking van artikel 13 Basisverordening. 4.3.3 Het bestreden oordeel berust op het uitgangspunt dat op belanghebbende vanaf 1 april 2012 de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing is.

De Rijnvarendenovereenkomst is getiteld “Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004”. De EU-Rijnoeverstaten hebben met het sluiten van de Rijnvarendenovereenkomst dus gebruik gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 16 Basisverordening. 4.3.4 In de Rijnvarendenovereenkomst zijn de EU-Rijnoeverstaten voor de positie van rijnvarenden ter zake van sociale zekerheid afgeweken van het stelsel van artikel 13 Basisverordening.

In die overeenkomst is geregeld dat op een rijnvarende als bedoeld in de Rijnvarendenovereenkomst slechts de wetgeving van één enkele Rijnoeverstaat van toepassing is (artikel 4, lid 1, Rijnvarendenovereenkomst). Voor de vaststelling van de toepasselijke wetgeving bevat de Rijnvarendenovereenkomst in de artikelen 4 en 5 eigen regels, in afwijking van regels van de Basisverordening. Het stelsel van de Rijnvarendenovereenkomst laat, anders dan het stelsel van artikel 13 Basisverordening, geen ruimte voor het standpunt dat op een rijnvarende de wetgeving van meer dan één Rijnoeverstaat van toepassing zou kunnen zijn. 4.3.5 Artikel 16 Toepassingsverordening, onderdeel van Titel II, Vaststelling van de toepasselijke wetgeving, bevat een procedure voor de toepassing van artikel 13 Basisverordening.

De tekst van artikel 16 Toepassingsverordening (zie de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.30) laat zien dat die procedure erop is gericht eventuele onzekerheid in een geval waarin op grond van artikel 13 Basisverordening de wetgeving van meer dan één lidstaat van toepassing zou kunnen zijn, te beëindigen teneinde te waarborgen dat overeenkomstig de algemene regel van artikel 11, lid 1, Basisverordening slechts de wetgeving van één lidstaat van toepassing is. 4.3.6 Anders dan het Hof heeft geoordeeld, kan bij beantwoording van de vraag of er een rechtsgrond is voor verrekening van de in Luxemburg geheven premies, die rechtsgrond niet worden gevonden in artikel 16 Toepassingsverordening.

Deze bepaling bevat immers een procedure om bij de uitvoering van artikel 13 Basisverordening te waarborgen dat slechts de wetgeving van één lidstaat van toepassing zal zijn. Uit het voorgaande vloeit evenwel voort dat reeds op grond van de Rijnvarendenovereenkomst op een rijnvarende de wetgeving van slechts één Rijnoeverstaat van toepassing kan zijn. 4.3.7 Artikel 6 Toepassingsverordening bevat een rangorderegeling voor de periode waarin twee of meer lidstaten van mening verschillen over de vraag wiens socialezekerheidswetgeving van toepassing is en wetgeving van een lidstaat voorlopig wordt toegepast (zie onderdeel 4.35 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal).

Artikel 73 Toepassingsverordening bevat een regeling voor verrekening van in het ene land voorlopig betaalde premies met in het andere land verschuldigde premies (zie onderdeel 4.38 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal). 4.3.8 Aangezien het stelsel van de Rijnvarendenovereenkomst belet dat op een rijnvarende de wetgeving van meer dan één Rijnoeverstaat van toepassing zou kunnen zijn en niet voorziet in voorlopige toepassing van wetgeving van een Rijnoeverstaat, bieden de artikelen 6 en 73 Toepassingsverordening geen grondslag voor verrekening in een geval waarin op grond van de Rijnvarendenovereenkomst de wetgeving van slechts één Rijnoeverstaat van toepassing is en in de uitvoeringspraktijk desondanks in meer dan één Rijnoeverstaat premies worden geheven. 4.3.9 De Rijnvarendenovereenkomst voorziet voor een geval waarin een rijnvarende ondanks het stelsel van de Rijnvarendenovereenkomst gevolgen van dubbele heffing ondervindt, niet in een procedure om te waarborgen dat dubbele heffing achterwege blijft.

In het oordeel van het Hof is onderkend dat dit de Inspecteur en de belastingrechter voor een dilemma kan plaatsen in een geschil over premieheffing waarin een belanghebbende stelt dat sprake is van dubbele heffing en een beroep doet op verrekening. Uit al het voorgaande vloeit echter voort dat de belastingrechter slechts kan vaststellen of er een rechtsgrond is die de Inspecteur verplicht tot verrekening ingeval in meer dan één Rijnoeverstaat premieheffing plaatsvindt en dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, de artikelen 16 en 73 Toepassingsverordening die rechtsgrond niet bieden in een geval waarin de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing is. 4.3.10 Anders dan in het oordeel van het Hof besloten ligt, valt die rechtsgrond voor een geval als hier aan de orde niet te lezen in het arrest Sante Pasquini van het Hof van Justitie3 of in het Besluit A1 van 12 juni 2009 betreffende de instelling van een dialoog- en bemiddelingsprocedure met betrekking tot de geldigheid van documenten, het bepalen van de toepasselijke wetgeving en het verlenen van prestaties uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (Pb. 2010/C 106/01) van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (zie onderdeel 4.39 e.v. van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal en onderdeel 6.4 van die conclusie).” 12.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder artikel 16 van Vo 883/2004, en het daarmee verband houdende procedurevoorschrift van artikel 18 van Vo 987/2009, niet hoeft te betrekken bij het vaststellen van de verzekerings- en premieplicht voor de periode 1 mei 2010 tot en met 31 december 2012.

13. Artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag bevat een uitzonderingsmogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten van twee of meer Verdragsluitende Partijen om in onderlinge overeenstemming, ten behoeve van de betrokken rijnvarenden, uitzonderingen vast te stellen op de aanwijsregels van het Rijnvarendenverdrag. Het doel en de strekking van dit artikel is daarmee gelijk aan dat van artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004. Gelet op het hiervoor bij 11. aangehaalde arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1235) hoeft verweerder artikel 16 van Vo 883/2004 niet te betrekken bij het vaststellen van de verzekerings- en premieplicht.

Naar het oordeel van de rechtbank hoeft verweerder dan ook artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag niet te betrekken bij het vaststellen van de verzekerings- en premieplicht voor de periode 1 januari 2010 tot en met 30 april 2010. ii. Belang van eiser vergt toepassing Luxemburgse sociaalzekerheidsrecht 14. Eiser stelt dat voor de periode 1 mei 2010 tot en met 31 december 2012 op grond van artikel 16 van Vo 883/2004 het Luxemburgse socialezekerheidsrecht op hem toegepast moet worden nu zijn belang dat uitdrukkelijk vergt. Dat bij het aanwijzen van een toepasselijk sociaalzekerheidsrecht zijn belang voorop dient te staan volgt volgens eiser uit onder meer artikel 16 van Vo 883/2004, de door de Commissie voor Verzekeringsaangelegenheden opgestelde Toelichting op de Europese basisverordening sociale zekerheid, de door de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels opgestelde Praktische gids over de toepasselijke wetgeving, en de preambule bij Vo 987/2009.

Eiser stelt dat hij in Luxemburg premie heeft betaald, die hij onmogelijk terug kan krijgen. Zijn belang vergt daarom dat het Luxemburgse socialezekerheidsrecht op hem toegepast wordt. Voor de periode 1 januari 2010 tot en met 30 april 2010 geldt het voorstaande ook, maar dan op grond van artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag. Eiser wijst hierbij op de aan hem afgegeven E-101-verklaring (zie 1.5.). Die heeft weliswaar geen gelding, maar dient wel betrokken te worden bij de beslissing om te regulariseren. De Nederlandse premieheffing kan niet in stand blijven, aldus eiser.

Tot slot stelt eiser dat door de inwerkingtreding van de Rijnvarendenovereenkomst met terugwerkende kracht tot 1 mei 2010 ten aanzien van hem andere aanwijsregels dan die van Vo 883/2004 zijn gaan gelden. Als die terugwerkende kracht al toegestaan is, dan is dat temeer reden om ten aanzien van eiser regularisatie toe te passen.

15. Verweerder stelt dat artikel 16 van Vo 883/2004 de mogelijkheid schept voor bevoegde autoriteiten om in overleg te treden. Het betreft geen aanwijsregel. Verweerder stelt dat voor Nederland de SVB hiervoor de bevoegde autoriteit is. De SVB heeft in het geval van eiser geen gebruik gemaakt van die overlegmogelijkheid. Gelet daarop heeft artikel 16 van Vo 883/2004 geen betekenis in deze procedure. Verweerder stelt voorts dat artikel 16 van Vo 883/2004 niet het individuele belang dient, maar dat van een hele beroepsgroep. Daar is de Rijnvarendenovereenkomst voor gesloten. Verweerder wijst hierbij op onderdeel 5.1 van de conclusie van A-G Wattel van 7 mei 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:499).

16. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat volgens de op eiser van toepassing zijnde aanwijsregels (voor de periode 1 januari 2010 tot en met 30 april 2010: artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag, voor de periode 1 mei 2010 tot en met 31 december 2012: artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst) op hem de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. Als eiser het dan in zijn belang acht dat op grond van artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag en artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 de socialezekerheidswetgeving van een andere lidstaat op hem van toepassing wordt verklaard zal hij (of zijn werkgever) daartoe een verzoek moeten doen bij de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat (zie artikel 13, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag en artikel 18 van Vo 987/2009).

Voor Nederland is de SVB als bevoegde autoriteit aangewezen (zie artikel 1, onderdeel e, van het Rijnvarendenverdrag en artikel 1, onderdeel m, van Vo 883/2004 in samenhang met de Regeling mandaat, volmacht en machtiging internationale taken Sociale verzekeringsbank, Stcrt. 2018, 56044). Deze bevoegdheid komt, anders dan eiser lijkt te stellen, niet toe aan verweerder. Een dergelijk verzoek zou kunnen leiden tot het sluiten van een regularisatieovereenkomst tussen de bevoegde autoriteiten van (in dit geval) Luxemburg en Nederland waarin alsnog het Luxemburgse socialezekerheidsrecht van toepassing wordt verklaard.

Het sluiten van een dergelijke overeenkomst betreft echter een discretionaire bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten, zodat de uitkomst op voorhand niet zeker is.

17. Niet is gebleken dat eiser en/of zijn werkgever een dergelijk verzoek hebben gedaan, laat staan dat er een regularisatieovereenkomst is gesloten. Gelet daarop, en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de werking van artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag en artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004, faalt eisers beroepsgrond. De rechtbank verwijst in dit kader ook nog naar de hiervoor bij 11. vermelde overwegingen uit het arrest van 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1235). Uit deze overwegingen volgt eveneens dat het belang van eiser er niet toe leidt dat verweerder artikel 16 van de Vo 883/2004 zou moeten toepassen. iii.

Betekenis van de procedureregels van het Rijnvarendenverdrag en Vo 987/2009 18. Eiser wijst op artikel 16 van Vo 987/2009 waarin de procedure is opgenomen voor het vaststellen van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving. Nu het socialezekerheidsrecht niet volgens deze procedure is vastgesteld, is de premieheffing in strijd met het unierecht. Ook de procedureregels van Besluit A1 van de Administratieve Commissie en artikel 73 van Vo 987/2009 zijn niet nageleefd. Dat verweerder niet bevoegd is om de procedure van artikel 16 van Vo 987/2009 te volgen maakt dat niet anders.

Het Europeesrechtelijke doeltreffendheidsbeginsel vereist dat dat eiser zich in de procedure bij de belastingrechter ook kan beroepen op de bescherming die de procedures van artikel 16 van Vo 987/2009, Besluit A1 van de Administratieve Commissie en artikel 73 van Vo 987/2009 hem beogen te geven. Voor de periode voor 1 mei 2010 gaat het om de procedureregels van artikel 86 van het Rijnvarendenverdrag, aldus eiser.

19. Verweerder wijst voor de periode 1 januari 2010 tot en met 30 april 2010 op het Rijnvarendenverdrag. Gelet op artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van Vo 1408/71 bepaalt het Rijnvarendenverdrag welk sociaalzekerheidsrecht op eiser van toepassing is. Volgens het Rijnvarendenverdrag is dat de staat waar de exploitant van het schip waarop eiser werkte gevestigd is. Omdat in dit geval de eigenaar van het schip als exploitant aangemerkt moet worden, en de eigenaar/exploitant in Nederland is gevestigd, is op eiser van 1 januari 2010 tot en met 30 april 2010 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing. Voor de periode vanaf 1 mei 2010 wijst verweerder op de door de SVB afgegeven A1‑verklaring (zie 1.6.). Volgens deze verklaring is op eiser de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018 is hij daar aan gebonden, aldus verweerder.

20. Voor zover deze beroepsgrond ziet op de periode na 1 mei 2010 overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank komt – nu niet in geschil is dat eiser Rijnvarende is en de op hem toepasselijke wetgeving dient te worden vastgesteld middels de aanwijsregels in de Rijnvarendenovereenkomst – geen betekenis toe aan artikel 16 van Vo 987/2009. Dat artikel schrijft immers een procedure voor de toepassing van artikel 13 van Vo 883/2004 voor, en niet voor de toepassing van de Rijnvarendenovereenkomst (zie ook Hoge Raad 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1150). De procedureregels van artikel 73 van Vo 987/2009 en het Besluit A1 van de Administratieve Commissie zien op de situatie waarin voorlopige premies zijn geheven. Dat wil zeggen dat toepassing gegeven is aan artikel 6 van Vo 987/2009. Gesteld noch gebleken is dat daar in het onderhavige geval sprake van is. Gelet op het voorgaande faalt deze beroepsgrond.

21. Voor zover deze beroepsgrond ziet op de periode voor 1 mei 2010 en dus betrekking heeft op de procedureregels van artikel 86 van het Rijnvarendenverdrag, overweegt de rechtbank dat uit rechtsoverwegingen 3.2.1 en 3.2.2 van het arrest van de Hoge Raad 10 juli 2020 (ECLI:Nl:HR:2020:1150) volgt dat toepassing van artikel 86 van het Rijnvarendenverdrag niet via de belastingrechter afgedwongen kan worden. Eisers beroepsgrond faalt. Verrekening of aftrek van ingehouden premies Verrekening van ingehouden premies als voorheffingen 22. Eiser heeft ter zitting gesteld dat uit vaste jurisprudentie volgt dat loonheffingen die door de werkgever op het loon zijn ingehouden door de werknemer verrekend mogen worden, zelfs indien de werkgever de ingehouden loonheffing niet afdraagt.

Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 mei 2020, rechtsoverweging 4.31 (ECLI:NL:GHSHE:2020:1472). Eiser is daarbij van mening dat de in Luxemburg ingehouden premies als te verrekenen loonheffingen dienen te worden aangemerkt. Het gaat volgens eiser om de volgende bedragen: 2010: € 5.109,84 (12 x € 425,82) 2011: € 4.936,42 2012: € 4.900,14 23. Verweerder stelt dat er geen voorheffingen ten bate van de Nederlandse staat zijn geweest. Artikel 9.2 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) – op grond waarvan voorheffingen verrekend worden – gaat dan niet op.

24. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dienen in de belastingwet aangewezen voorheffingen verrekend te worden met de aanslag. Op grond van artikel 9.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB behoren tot de voorheffingen van de inkomstenbelasting de geheven loonbelasting met uitzondering van de als eindheffing geheven loonbelasting. Als op grond van artikel 9.1, derde lid, van de Wet IB de inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen door middel van één aanslag geheven worden, behoren op grond van artikel 9.2, zesde lid, van de Wet IB de bij wijze van inhouding geheven premies voor de volksverzekeringen ook tot de voorheffingen.

25. Met het in de hiervoor genoemde bepalingen gebruikte begrip ‘premie voor de volksverkeringen’ wordt naar het oordeel van de rechtbank enkel gedoeld op de Nederlandse volksverzekeringen. Immers, slechts premies voor de Nederlandse volksverzekeringen kunnen met de heffing van inkomstenbelasting door middel van één belastingaanslag geheven worden. Deze opvatting is eveneens af te leiden uit bijvoorbeeld artikel 3.16, negende lid, van de Wet IB. In onderdeel a van dat artikellid wordt het begrip ‘premie voor de volksverzekeringen’ gebruikt. In onderdeel b wordt vervolgens genoemd ‘premies voor buitenlandse verzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de volksverzekeringen’.

26. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen enkel Nederlandse premies volksverzekeringen als voorheffing in aanmerking worden genomen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn Luxemburgse werkgever dergelijke premies heeft ingehouden. Reeds daarom faalt eisers beroepsgrond.

27. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat (ook) verrekening moet plaatsvinden van de bij zijn voormalig werkgever [naam werkgever] nageheven (Nederlandse) premies overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende gesteld om ten aanzien van eiser voorheffingen in aanmerking te nemen. Eiser heeft niet gesubstantieerd welk gedeelte van de aan [naam werkgever] opgelegde naheffingsaanslagen premie volksverzekeringen betreft, noch welk gedeelte daarvan betrekking heeft op eiser. Aftrek van ingehouden premies 28. Eiser heeft ter zitting voorts gesteld dat – als de premies niet verrekend kunnen worden – op grond van artikel 3.16, negende lid, van de Wet IB de in Luxemburg betaalde premies in aftrek moeten worden gebracht bij de bepaling van het belastbaar loon. Het is op geen enkele wijze te verdedigen dat in het kader van het bepalen van de belastbare winst de in Luxemburg betaalde verzekeringspremies wel in aftrek worden genomen, maar dit niet het geval zou zijn bij bepaling van het belastbaar loon, aldus eiser.

29. Verweerder stelt dat artikel 3.16 van de Wet IB alleen ziet op de bepaling van de fiscale winst, en niet op de bepaling van het belastbaar loon.

30. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 3.16 van de Wet IB ziet enkel op de bepaling van de fiscale winst. De Wet IB bevat geen schakelbepaling op grond waarvan artikel 3.16, negende lid, van de Wet IB ook van toepassing is bij de bepaling van het belastbaar loon. Gelet daarop biedt artikel 3.16, negende lid, van de Wet IB geen grond voor verrekening van de in Luxemburg betaalde premies en slaagt eisers beroepsgrond niet. Belastingrente 31. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de beschikkingen belastingrente. Hierbij wijst de rechtbank eiser erop dat het bedrag van de belastingrente de bedragen van de aanslagen volgt. Immateriële schadevergoeding 32. Eiser heeft in de bezwaarprocedures reeds verzocht om een ISV wegens overschrijding van de redelijke termijn. Verweerder heeft dat verzoek gemotiveerd afgewezen.

33. Eiser is ook in beroep gekomen tegen de afwijzing van zijn verzoek om ISV. Eiser heeft zijn verzoek om ISV in beroep herhaald.

34. De rechtbank zal hierna beoordelen of eiser recht heeft op een ISV.

35. De rechtbank is van oordeel dat de zaken waar deze uitspraak op ziet, en die in beroep gezamenlijk zijn behandeld, in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat zij samenhangen. Dit brengt mee dat een eventuele schadevergoeding één keer, voor alle drie de zaken samen, wordt toegekend. Ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn dient verder te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.

36. Volgens vaste jurisprudentie geldt voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In die termijn is de duur van de bezwaarfase begrepen. De termijn vangt aan op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep. Als de redelijke termijn is overschreden, dan moet de rechtbank beoordelen in hoeverre die overschrijding is toe te rekenen aan verweerder en in hoeverre aan de rechtbank. Daarbij heeft te gelden dat de bezwaarfase niet langer dan een half jaar mag duren en de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar. De ISV bedraagt forfaitair € 500 per half jaar (of deel daarvan) van overschrijding (zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

37. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om de redelijke termijn te verlengen met afgerond 67 maanden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

38. In elk van de bezwaarprocedures is gemachtigde van eiser akkoord gegaan met uitstel voor het doen van de uitspraak op bezwaar. In zaaknummer LEE 19/511 gaat het om ondertekening door de gemachtigde van eiser van verweerders brief van 26 maart 2013. In zaaknummer LEE 19/512 gaat het om ondertekening door de gemachtigde van eiser van verweerders brief van 7 mei 2014. In zaak LEE 19/513 gaat het om ondertekening door de gemachtigde van eiser van verweerders brief van 12 februari 2015. Uit het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1574) volgt dat de enkele instemming met verder uitstel, zonder dat een bijzondere omstandigheid daarvoor een rechtvaardiging biedt, de redelijke termijn niet verlengt.

De rechtbank is echter van oordeel dat in eisers geval het overeengekomen uitstel, in samenhang bezien met de omstandigheden die verweerder in de uitspraak op bezwaar onder 8.1 tot en met 8.9 en in het verweerschrift onder 7.2.11 tot en met 7.2.13 heeft aangevoerd, wel een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. Verweerder heeft in de genoemde (onderdelen van zijn) stukken in dit verband gewezen op de omvang en de complexiteit van de Rijnvarendenproblematiek, de ontwikkelingen in de jurisprudentie lopende de bezwaarprocedure, de aanvulling van de bezwaargronden lopende de bezwaarprocedure, het afwachten van de uitspraken van Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 21 december 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:5843 en ECLI:NL:GHSHE:2017:5848) waaraan prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU vooraf gingen (Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch 7 februari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:248) en het afwachten van de uitkomst van het cassatieberoep tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 augustus 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:6785) waarin gelijke stellingen waren ingenomen als in het bezwaarschrift.

39. Omdat vanwege de samenhang bij het bepalen van de ISV uitgegaan wordt van het eerst ingestelde rechtsmiddel (zie 35.) zal de rechtbank ter bepaling van de verlenging van de redelijke termijn eveneens aansluiting zoeken bij het overeengekomen uitstel in die zaak. Dat betreft zaaknummer LEE 19/511 tegen de aanslag IB/PVV 2010.

40. Gelet op de tekst van de brief van 26 maart 2013 is gemachtigde van eiser in de bezwaarprocedure ten aanzien van de IB/PVV 2010 akkoord gegaan met uitstel vanaf 13 juni 2013 tot de datum waarop uitspraak gedaan zal worden. De rechtbank zal daarom bij het bepalen van de ISV rekening houden met een verlenging van de redelijke termijn met de periode tussen 13 juni 2013 (aanvang van het uitstel ten aanzien van het eerst aangewende rechtsmiddel) en 18 januari 2019 (de dagtekening van de uitspraken op bezwaar). Die periode bedraagt naar beneden afgerond 67 maanden.

41. Verweerder heeft het bezwaarschrift ten aanzien van de IB/PVV 2010 op 19 maart 2013 ontvangen. Tot aan de datum van deze uitspraak zijn er afgerond 7 jaren en 7 maanden verstreken, zodat de redelijke termijn voor geschilbeslechting – rekening houdend met de hiervoor vermelde verlenging van afgerond 67 maanden – niet overschreden is.

42. Gelet op het voorgaande heeft eiser geen recht op een ISV. Uit het voorgaande volgt eveneens dat verweerder eisers verzoek om ISV terecht heeft afgewezen. Proceskosten 43. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier, op 15 oktober 2020. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum. w.g. griffier w.g. rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.