Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNNE:2018:1781 ECLI:NL:RBNNE:2018:1781 AI generated

ECLI:NL:RBNNE:2018:1781 · Rechtbank Noord-Nederland

Case Number ECLI:NL:RBNNE:2018:1781
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 17/4434 tot en met 17/4440 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 mei 2018 in de zaken tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. H. Strijker), en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Amsterdam, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde van verweerder] ). Procesverloop Het beroep is gericht tegen de uitspraken op bezwaar van verweerder van 7 november 2017 op de als bezwaarschriften aangemerkte suppletieaangiften van eiseres tegen de door haar op aangiften afgedragen omzetbelasting over het tweede, derde en vierde kwartaal 2013, alsmede het eerste, tweede, derde en vierde kwartaal 2014.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBNNE:2018:1781 · Rechtbank Noord-Nederland: Nu het bezwaarschrift van 17 mei 2013 niet kan gelden als bezwaarschrift tegen de aangiften van het tweede kwartaal 2013 tot en met het vierde kwartaal 2014, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de suppletieaangiften van 12 oktober 2017 op goede grond als bezwaarschriften heeft aangemerkt. Anders dan eiseres stelt kunnen deze niet worden aangemerkt als te zijn gedaan op grond van artikel 15 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. De onderhavige suppletieaangiften betreffen immers niet een correctie van aangiften op basis van onjuiste en/of onvolledige inlichtingen en daarmee van een verbetering van die aangiften, maar een verzoek om restitutie van de op die aangiften afgedragen omzetbelasting naar aanleiding van rechtspraak.

Keywords

AI generated
outdated medical report tax deferral tax deductible professional expenses nursing care supplement medical practitioner vat reassessment

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht
Feiten en/of omstandigheden – anders dan hiervoor onder 4 reeds zijn beoordeeld – die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, zijn gesteld, noch gebleken (artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2015:744
27 maart 2015 nr. 13/02667 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 18 april 2013, nr. 12/00120, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 11/4077) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2007 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2008:BC3174
Geding in feitelijke instantie Belanghebbendes verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over tijdvakken in het jaar 2001 tot een bedrag van € 194.412 is door de Inspecteur aangemerkt als een bezwaarschrift tegen over die tijdvakken voldane bedragen aan belasting, en is als zodanig bij uitspraak van de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft de Inspecteur geweigerd ambtshalve de gevraagde teruggaaf te verlenen. Het Hof heeft het tegen die uitspraak en die beslissing ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het was gericht tegen het niet ambtshalve verlenen van de gevraagde teruggaaf, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHSGR:2012:BW8025
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector belasting nummer BK-10/00547 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 30 maart 2012 in het geding tussen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] Holding B.V., statutair gevestigd te [Z], belanghebbende, en de directeur van de Belastingdienst Holland-Midden (kantoor [P]), de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 juni 2010, nummer AWB 09/962 OB, betreffende de hierna vermelde aangifte. Aangifte, verzoek, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 17/4434 tot en met 17/4440 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 mei 2018 in de zaken tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. H. Strijker), en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Amsterdam, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde van verweerder] ). Procesverloop Het beroep is gericht tegen de uitspraken op bezwaar van verweerder van 7 november 2017 op de als bezwaarschriften aangemerkte suppletieaangiften van eiseres tegen de door haar op aangiften afgedragen omzetbelasting over het tweede, derde en vierde kwartaal 2013, alsmede het eerste, tweede, derde en vierde kwartaal 2014.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand verweerder] . Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het de beroepen ongegrond. Gronden 1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Het geschil betreft de door eiseres, werkzaam als arts-acupuncturist, op aangifte betaalde omzetbelasting over het tweede kwartaal 2013 tot en met het vierde kwartaal 2014. Deze aangiften werden gedaan in verband met het vermeend vervallen van de vrijstelling per 1 januari 2013. Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:744) volgde echter dat de dienstverlening van eiseres wel onder de vrijstelling valt. Eiseres heeft op 12 oktober 2017 middels suppletieaangiften verzocht om teruggave van de over voormelde tijdvakken op aangifte afgedragen omzetbelasting. Verweerder heeft die suppletieaangiften aangemerkt als bezwaarschriften tegen de betreffende aangiften en bij de uitspraken op bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

3. In geschil is of dat terecht is geschied. Niet in geschil is dat, indien de suppletieaangiften van 12 oktober 2017 als bezwaarschriften ten aanzien van de voldoening op aangifte van de omzetbelasting over de tweede kwartaal 2013 tot en met het vierde kwartaal 2014 hebben te gelden, te laat bezwaar is gemaakt. Eiseres stelt echter dat zij bij haar bezwaarschrift van 17 mei 2013 tegen de aangifte van het eerste kwartaal 2013, tevens bezwaar zou hebben gemaakt tegen de aangiften van alle volgende kwartalen. Zij mocht er, zo stelt zij, gelet op dat bezwaarschrift en het uitblijven van een negatieve reactie daarop van verweerder, alsmede de lange periode van onzekerheid op vertrouwen dat zij niet telkenmale bezwaar tegen de te verrichten aangiften behoefde te maken. Door verweerder worden die stellingen betwist.

4. De rechtbank is van oordeel dat niet voor juist kan worden gehouden dat eiseres met haar bezwaarschrift van 17 mei 2013 tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aangiften over het tweede kwartaal 2013 tot en met het vierde kwartaal 2014, noch dat zij daarop heeft mogen vertrouwen. In dat bezwaarschrift heeft zij weliswaar vermeld dat: “Het bezwaar geldt voor het 1e kwartaal 2013 en voor alle volgend kwartalen tot het moment dat in de bodemprocedure een uitspraak is gedaan.” Echter, tevens is expliciet, aansluitend het volgende vermeld: “Graag vernemen wij of er elk kwartaal een bezwaar moet worden ingediend of dat dit schrijven wordt gezien als een bezwaarschrift voor de gehele periode.” Gesteld, noch gebleken is dat verweerder kenbaar heeft gemaakt dat dat bezwaarschrift wordt gezien als 'een bezwaarschrift voor de gehele periode'.

Door verweerder is daarentegen in reactie op voormeld bezwaarschrift bij brief van 22 augustus 2013 (houdende de ontvangstbevestiging van dat bezwaarschrift) expliciet aan eiseres gemeld dat dat bezwaarschrift niet kan en zal worden aangemerkt als een bezwaar tegen toekomstige tijdvakken. De ontvangst van die brief is, hoewel naar het juiste adres verzonden, door eiseres weliswaar ontkend. Echter, als zij deze niet zou hebben ontvangen, dan had het op haar weg gelegen om, nu in dat geval een reactie van verweerder zou zijn uitgebleven, bij verweerder navraag te doen gelet op de expliciete vraag in haar brief.

Niet kan worden gezegd dat het uitblijven van een reactie van verweerder heeft geleid tot een in rechte te honoreren vertrouwen, dat het bezwaarschrift van 17 mei 2013 ook wordt aangemerkt als bezwaarschrift tegen toekomstige kwartalen, te meer niet nu eiseres zelf om een bevestiging heeft verzocht.

5. Nu het bezwaarschrift van 17 mei 2013 niet kan gelden als bezwaarschrift tegen de aangiften van het tweede kwartaal 2013 tot en met het vierde kwartaal 2014, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de suppletieaangiften van 12 oktober 2017 op goede grond als bezwaarschriften heeft aangemerkt. Anders dan eiseres stelt kunnen deze niet worden aangemerkt als te zijn gedaan op grond van artikel 15 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. De onderhavige suppletieaangiften betreffen immers niet een correctie van aangiften op basis van onjuiste en/of onvolledige inlichtingen en daarmee van een verbetering van die aangiften, maar een verzoek om restitutie van de op die aangiften afgedragen omzetbelasting naar aanleiding van rechtspraak.

Daarmee kwalificeren de suppletieaangiften als bezwaarschriften (zie ook Hoge Raad 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3174, alsmede Gerechtshof Den Haag 30 maart 2013, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW8025). Niet in geschil is dat gelet daarop te laat bezwaar is gemaakt. Hetgeen overigens ook het geval zou zijn als de (ingetrokken) suppletieaangiften van april 2017 als bezwaarschrift zouden hebben te gelden. Feiten en/of omstandigheden – anders dan hiervoor onder 4 reeds zijn beoordeeld – die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, zijn gesteld, noch gebleken (artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht).

Tijdsverloop brengt dat niet met zich. De bezwaarschriften zijn dan ook op goede grond niet-ontvankelijk verklaard.

6. Omdat de rechtbank de beroepen ongegrond heeft verklaard, behoeft verweerder niet aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden en is er geen aanleiding om verweerder te veroordelen tot het vergoeden van de door eiseres gemaakte proceskosten.

7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is op 8 mei 2018 gedaan door mr. A.M.A.M. Kager, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt. De beslissing is op voormelde datum in het openbaar uitgesproken, evenals de rechtsmiddelenverwijzing. w.g. griffier w.g. rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.