Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNNE:2017:396 ECLI:NL:RBNNE:2017:396 AI generated

ECLI:NL:RBNNE:2017:396 · Rechtbank Noord-Nederland

Case Number ECLI:NL:RBNNE:2017:396
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: 16/2794 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2017 in de zaak tussen [naam], wonende te Groningen, eiser, en het college van burgemeester en wethouders van Groningen, verweerder (gemachtigde: J. Scholte). Procesverloop Bij besluit van 7 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om een aantal besluiten te herzien afgewezen. Bij besluit van 14 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBNNE:2017:396 · Rechtbank Noord-Nederland: Verweerder heeft in het primaire besluit het herzieningsverzoek van eiser afgewezen, omdat gewijzigde jurisprudentie geen nieuwe feit is, dat aanleiding is om terug te komen op eerdere besluitvorming. In het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd.

Keywords

AI generated
revision of a judgment justification of legal divergence amendment of the claim right to a decision conflicting medical opinions new legal argument

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2016:1717
15/1312 WWB Datum uitspraak: 3 mei 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 januari 2015, 14/3276 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.E.L.Th. Balkema, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr.
ECLI:NL:CRVB:2013:AM3202
“Gelet op ECLI:NL:CRVB:2016:1717 en ECLI:NL:CRVB:2013:AM3202 verzoek ik om herziening wegens nova van de besluitvorming inzake de periode februari 2005 tot en met juli 2007 waarbij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ECLI:NL:CRVB:2010:BN6011 is.
ECLI:NL:CRVB:2010:BN6011
08/1594 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 22 februari 2008, 07/1059, (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College) Datum uitspraak: 17 augustus 2010 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft op het verweerschrift gereageerd en nadere stukken aan de Raad gezonden.
ECLI:NL:HR:2014:3068
31 oktober 2014 Eerste Kamer 14/00873 (CW 2720) LZ/LH Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een vordering tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en gericht tegen het vonnis van de kantonrechter te Brielle van 8 januari 2013, zaaknummer 1348569 CV 12-3297. 1Het verdere verloop van het geding 1.1 De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1342, NJ 2014/300, voor het daaraan voorafgegane verloop van het geding. In dat arrest heeft de Hoge Raad gelegenheid geboden om schriftelijke opmerkingen te maken over de in dat arrest genoemde vraag. 1.2 Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt door de Sociale Verzekeringsbank en de Koninklijke Beroeps- organisatie van Gerechtsdeurwaarders, ieder door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad. 1.3 De Hoge Raad heeft voorts, zowel voor als na het tussenarrest, een aantal brieven ontvangen die niet zijn ingediend door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: 16/2794 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2017 in de zaak tussen [naam], wonende te Groningen, eiser, en het college van burgemeester en wethouders van Groningen, verweerder (gemachtigde: J. Scholte). Procesverloop Bij besluit van 7 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om een aantal besluiten te herzien afgewezen. Bij besluit van 14 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 15 juli 2016 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 26 juli 2016 een verweerschrift ingediend. Bij brief van 29 juli 2016 heeft eiser een reactie gegeven op het verweerschrift. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser heeft bij brief van 23 mei 2016, door verweerder ontvangen op 31 mei 2016, voor zover hier van belang, het volgende aan verweerder geschreven:

“Gelet op ECLI:NL:CRVB:2016:1717 en ECLI:NL:CRVB:2013:AM3202 verzoek ik om herziening wegens nova van de besluitvorming inzake de periode februari 2005 tot en met juli 2007 waarbij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ECLI:NL:CRVB:2010:BN6011 is. Ik heb moeten constateren dat uw besluitvorming niet in overeenstemming is met ECLI:NL:HR:2014:3068. (…) Daarnaast verzoek ik wegens nova namelijk ECLI:NL:HR:2014:3068 om herziening van de besluitvorming inzake in ieder geval mei 2008 tot en met heden en om schadeloosstelling inzake het ten onrechte overboeken van het vakantiegeld aan de deurwaarder (…).” 2.

Verweerder heeft in het primaire besluit het herzieningsverzoek van eiser afgewezen, omdat gewijzigde jurisprudentie geen nieuwe feit is, dat aanleiding is om terug te komen op eerdere besluitvorming. In het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd.

3. Eiser heeft ter zitting verduidelijkt dat zijn verzoek om herziening ziet op bedragen die verweerder van februari 2005 tot en met juli 2007 en na mei 2008 op zijn maandelijkse uitkering heeft ingehouden. Namens verweerder is ter zitting bevestigd dat verweerder het verzoek van eiser ook zo heeft opgevat. 3.1. Eiser voert, voor zover hier van belang, aan dat gewijzigde jurisprudentie ook als een nieuw feit moet worden aangemerkt. Daarnaast heeft eiser in beroep een inkomensverklaring overgelegd, waarmee hij wenst aan te tonen dat zijn inkomen beneden de beslagvrije voet ligt. Ten onrechte heeft verweerder hiermee geen rekening gehouden, aldus eiser.

4. De rechtbank overweegt als volgt. 4.1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn herzieningsverzoek verwezen naar gewijzigde rechtspraak van de Hoge Raad (HR) en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) met de kenmerken ECLI:NL:HR:2014:3068, ECLI:NL:CRVB:2016:1717 en ECLI:NL:CRVB:2013:AM3202, maar volgens vaste jurisprudentie is gewijzigde jurisprudentie geen nieuw feit of gewijzigde omstandigheid die tot herziening van een besluit moet leiden. De rechtbank volgt eiser niet in zijn ter zitting naar voren gebrachte betoog dat een uitspraak van de HR geen jurisprudentie is, omdat uitspraken van de HR afkomstig zijn van een hoger rechtscollege dan de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat een uitspraak van de HR jurisprudentie is en is van oordeel dat een dergelijke uitspraak dus geen novum kan zijn. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit de processtukken en uit hetgeen eiser ter zitting naar voren heeft gebracht niet blijkt waarom sprake zou zijn van een nieuw feit of een gewijzigde omstandigheid, die aanleiding zou kunnen zijn voor herziening van de maandelijkse inhoudingen. 4.2. Voor zover eiser in beroep een inkomensverklaring heeft overgelegd en heeft betoogd dat verweerder hiermee rekening had moeten houden bij het bepalen van de beslagvrije voet op zijn uitkering, overweegt de rechtbank dat eiser dit aspect pas in beroep naar voren heeft gebracht.

Verweerder heeft daarmee bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening kunnen houden. De rechtbank laat dit onderdeel van het beroep dan ook buiten beschouwing.

5. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een schadevergoeding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Pot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2017. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.