Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNNE:2017:3556 ECLI:NL:RBNNE:2017:3556 AI generated

ECLI:NL:RBNNE:2017:3556 · Rechtbank Noord-Nederland

Case Number ECLI:NL:RBNNE:2017:3556
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 september 2017; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 maart 2016, opgenomen op pagina 50 e.v. van het dossier van de politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016047998 d.d. 4 mei 2016, inhoudende de verklaring van [getuige] ;

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBNNE:2017:3556 · Rechtbank Noord-Nederland: De rechtbank ziet al met al in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om af te zien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op van na te noemen duur met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een maximale, onvoorwaardelijke taakstraf op. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Keywords

AI generated
inflammable product arson fire damage private fire insurance endangerment offence fire protection

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2015:2452
parketnummer: 23-003938-14 datum uitspraak: 23 juni 2015 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-659092-13 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 23 maart 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht op een balkon van perceel [straatnaam 1] (twee hoog) (welke woning deel uitmaakt van een flatgebouw met acht woonlagen), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen opzettelijk (op dit balkon) een (gevulde) plastic afvalzak en/of een (houten) pallet overgoten en/of bespoten met thinner, in elk geval een brandversnellende vloeistof, en/of (vervolgens) deze (gevulde) plastic afvalzak en/of (houten) pallet aangestoken en/of (vervolgens) deze brandende (gevulde) plastic afvalzak en/of brandende (houten) pallet vanaf het balkon ([straatnaam 1]) (twee hoog) naar beneden gegooid en/of deze (reeds vallende) brandende (gevulde) plastic afvalzak en/of (reeds vallende) brandende (houten) pallet nabespoten met thinner, in elk geval een brandversnellende vloeistof, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met deze (gevulde) plastic afvalzak en/of (houten) pallet en/of waarna een of meer delen van deze (reeds vallende) brandende (gevulde) plastic afvalzak en/of (reeds vallende) brandende (houten) pallet (in combinatie met de nabespoten thinner, in elk geval een brandversnellende vloeistof,) in contact is/zijn gekomen met (op het balkon [straatnaam 2] (een hoog) bevindende) twee (houten bankstellen en/of (houten) raamkozijn en/of schuifpui en/of (houten) reling en/of (kunststof) buitenverlichting, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan deze (op het balkon [straatnaam 2] (een hoog) bevindende) twee (houten bankstellen en/of (houten) raamkozijn en/of schuifpui en/of (houten) reling en/of (kunststof) buitenverlichting geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inboedel(s) van de op eerste verdieping gelegen woningen en/of de inboedel(s) van de op de lager en/of hoger gelegen verdiepingen gelegen woningen (van voornoemd flatgebouw), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (de in dat flatgebouw (op adres [straatnaam 2] V verblijvende ) [benadeelde] en/of (andere) aanwezige personen van belendende perce(e)l(en) en/of onder- en/of bovenliggende etage(s) (van dat flatgebouw), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 23 maart 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht op een balkon van perceel [straatnaam 1] twee hoog, welke woning deel uitmaakt van een flatgebouw met acht woonlagen, immers hebben verdachte en zijn mededader toen opzettelijk op dit balkon een gevulde plastic afvalzak en een houten pallet overgoten en/of bespoten met thinner en (vervolgens) deze gevulde plastic afvalzak en houten pallet aangestoken en (vervolgens) deze brandende gevulde plastic afvalzak en brandende houten pallet vanaf het balkon [straatnaam 1] twee hoog naar beneden gegooid en de brandende houten pallet nabespoten met thinner, ten gevolge waarvan de zich op het balkon [straatnaam 2] een hoog bevindende raamkozijn en schuifpui en reling en buitenverlichting geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inboedels van de op eerste verdieping gelegen woningen van voornoemd flatgebouw en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in dat flatgebouw op adres [straatnaam 2] verblijvende [benadeelde] en andere aanwezige personen van belendende percelen te duchten was. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsmiddelen 1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL132K 2013070515-9 van 20 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] doorgenummerde pagina’s 10 en 11. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten: Op zaterdag 23 maart (het hof begrijpt: 23 maart 2013) omstreeks 05:15 uur op de Weesperstraat nabij het Mr. Visserplein zagen wij dat ter hoogte van perceel [straatnaam 3], een man stond. Wij zagen dat de man naar ons wenkte. De man gaf op te zijn: [getuige 1]. Hij verklaarde dat hij had gezien dat van het balkon van een flatwoning brandend materiaal op het trottoir viel. Hij wees daarbij in de richting van het trottoir direct onder een balkon van een flatwoning. Wij zagen dat deze woning deel uitmaakt van een flatgebouw met acht woonlagen. Het aangewezen balkon bevond zich geheel links, op de eerste etage, van het gebouw. Dit gezien vanaf de voorzijde van het flatgebouw. Wij zagen dat er enig materiaal op straat lag wat vlam had gevat. Wij zagen dat dit materiaal bestond uit onder andere koffiebekertjes en een pallet. Vervolgens wees de getuige [getuige 1] naar het eerder omschreven balkon. Hij verklaarde dat hij daar ook vlammen had gezien. Hierop stelden wij een nader onderzoek in naar de eventuele vlammen op het balkon. Nadat wij het balkon waren genaderd zagen wij dat dit balkon een balustrade had bestaande uit een frame met een glasplaat. Wij zagen enig lichtschijnsel achter deze glasplaat. Dit schijnsel was schijnbaar afkomstig van een klein brandje. Nog voordat wij mobilofonisch contact op konden nemen met de centrale meldkamer zagen wij dat dit schijnsel zich plotseling ontwikkelde tot een kleine brand op het balkon. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 1], de centrale meldkamer verzocht brandweer te sturen naar onze locatie om escalatie van de brand te voorkomen. Echter voordat de brandweer ter plaatse was zagen wij dat de brand zich plotseling ontwikkelde tot een brand die van genoemd balkon uitsloeg tot de tweede etage. Wij zagen dat de rook ontwikkeling enorm was en zich uitbreidde tot de bovenste woonlaag en tot aan het Mr. Visserplein. Wij zagen dat de rook dik en zwart was. Wij zagen dat direct boven genoemd balkon, op de tweede etage, zich een woning bevond waar licht brandde. Wij zagen dat meerdere mensen op diverse woonlagen uit het raam hingen om te kijken naar de brand. 2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1306 2013070515-1 van 23 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] doorgenummerde pagina’s 25 en 26. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 maart 2013 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [benadeelde]: Op 23 maart 2013 tussen 05.00 uur en 05.30 uur werd ik door een van mijn huisgenoten wakker gemaakt. Zij vertelde mij dat zij binnen kwam op de afdeling, gezamenlijke ruimte, van nummer [nummer] aan de Weesperstraat te Amsterdam. Zij vertelde mij dat de gezamenlijke ruimte helemaal blauw stond van de rook. Zij heeft de rest van onze huisgenoten naar eigen zeggen wakker gemaakt en heeft vervolgens mij geprobeerd wakker te maken. Echter werd ik ongeveer tien minuten later wakker. Toen zag ik dat de brandweer al in mijn kamer stond. Ik ben door de brandweer naar buiten geëvacueerd. Mijn kamer lag het verste weg van de rookontwikkeling, maar toen ik mijn kamer verliet zag ik dat de ruimte helemaal blauw stond. Met behulp van een zuurstofmasker, dat ik van een brandweer medewerker kreeg, ben ik naar buiten gegaan. 3. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1310 2013070515-10 van 23 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] doorgenummerde pagina’s 30 en 31. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 april 2013 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [belanghebbende] namens Woonstichting [bedrijf]: Ik doe namens [bedrijf] aangifte ter zake brandstichting bij het wooncomplex Weesperstraat. Deze brandstichting heeft plaatsgevonden op zaterdag 23 maart 2013 omstreeks 05.15 uur. De brand heeft op het balkon van perceel [straatnaam 2] plaatsgevonden. Dit is het balkon op de eerste verdieping. Als gevolg van deze brand is de volgende schade ontstaan: Balkon: kozijn buitenzijde verbrand, reling geheel verbrand, elektra balkon geheel en onherstelbaar beschadigd. 4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1310 2013070515-7 van 18 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] doorgenummerde pagina’s 12 en 13. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: Op 16 april 2013 ben ik ter plaatse geweest in perceel [straatnaam 2] in verband met een brand welke daar op 23 maart 2013 heeft gewoed. Ik was hier met de beheerder van dit pand, [belanghebbende]. Ik zag dat de ruiten van de schuifpui naar het balkon geheel waren voorzien van houten beplating aangezien al het glas eruit was. Ook zag ik dat het gehele kozijn zware brandschade had en op sommige plekken geheel was verkoold. Ik zag dat het gehele balkon zware brand- en roetschade had. Ik zag dat de reling van het balkon verbrand was en dat de pui op sommige plaatsen geheel was verkoold. Ik heb van [belanghebbende] foto’s ontvangen, welke kort na de brand op 23 maart 2013 zijn gemaakt. Op foto 6 zijn te zien de resten van de spullen die op het balkon van nummer [nummer] hebben gestaan. Op foto 7 is de verbrande en gesmolten buitenverlichting te zien. Op foto’s 8, 9 en 10 is de schade aan respectievelijk het kozijn, de schuifpui en de reling te zien. 5. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1310 2013070515-2 van 23 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] doorgenummerde pagina’s 37 en 38. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 maart 2013 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 2]: Ik ben getuige van een brandstichting. Ik was vanmorgen (het hof begrijpt: op 23 maart 2013) te gast bij een vriend van mij genaamd [vriend 1] in het studentenpand op de Weesperstraat. [getuige 3] (het hof begrijpt: [getuige 3]) was er ook bij toen ik daar vanmorgen aankwam. Wij kwamen thuis van het stappen in de stad. Er kwamen later ook twee jongens binnen die er volgens mij woonden. Ik zat op dat moment samen met [getuige 3] in de woonkamer van het appartementencomplex. Die jongens ken ik verder niet echt, volgens mij heet er een [medeverdachte]. Die twee jongens kwamen binnen met een pallet bij zich. Ik weet niet waar ze die vandaan hadden gehaald. Ze gingen naar het balkon toe en probeerden de pallet daar in de brand te steken met een beetje wc-papier erbij. Eerst lukte het niet om de pallet te laten branden. Ze hebben toen een vuilniszak gepakt en deze overgoten met een vloeistof uit een witte fles en daarmee lukte het wel om de volle vuilniszak in de brand te steken. Eerst gooiden ze de vuilniszak over de rand van het balkon naar beneden en later ook de pallet vanaf twee hoog naar beneden. Er kwam heel snel politie ter plaatse. De jongens zeiden tegen ons dat we niets moesten zeggen. Een jongen zei ook: “Ik ga douchen.” Ik zag even later het buiten branden. Ik zag de vlammen voor de ramen. Ik heb samen met [getuige 3] op alle deuren geklopt om alle bewoners te waarschuwen voor de brand. 6. De verklaring van de getuige [getuige 2], afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, op 8 september 2014. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Ik heb gezien dat ook een pallet naar beneden werd gegooid die in de brand was gestoken met spiritus (het hof begrijpt: thinner). Daarna is de brand ontstaan. 7. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1310 2013070515-3 van 23 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] doorgenummerde pagina’s 41 en 42. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 maart 2013 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 3]: Gisteravond nodigde een vriend van mij, genaamd [vriend 1], mij uit te komen stappen in Amsterdam. Hij woont namelijk sinds kort op de [straatnaam 1] te Amsterdam. Wij zijn vanmorgen op 23 maart 2013 omstreeks 04:15 uur weer terug naar de woning van [vriend 1] gegaan. Kort hierop ging [vriend 1] naar bed en ik bleef nog met [getuige 2] (het hof begrijpt: [getuige 2]) op. Wij zaten op dat moment in de gezamenlijke woonkamer. Toen [vriend 1] volgens mij al een uurtje op bed lag en [getuige 2] en ik in de woonkamer zaten, kwamen er ineens twee jongens binnengelopen. Ik wist dat een van deze jongens ook een eigen kamer had op die verdieping. Ik noem deze jongen verder in deze verklaring NN1. Die andere jongen noem ik NN2. De beide jongens kwamen de woonkamer ingelopen en hielden gezamenlijk een pallet vast en een wc-rol. Hierop hadden zij de pallet op het balkon gezet en de rol wc-papier om deze pallet gewikkeld en in de brand gestoken. Dit zou lekker warm zijn zeiden zij en zij vonden het helemaal geweldig. Toen de rol wc-papier was uitgebrand pakte een van de jongens een plastic vuilniszak, deze zat ook nog vol met vuilnis. Deze werd op de balustrade van het balkon gelegd waarop er vervolgens een vloeistof overheen gegoten werd. Dit werd vervolgens aangestoken. Dit begon direct hevig te branden waarop hun reactie was het over het balkon naar beneden te gooien. Ik zag dat zij vervolgens de pallet oppakten en deze ook naar beneden gooiden. [getuige 2] en ik zijn hierop opgestaan en zijn ook het balkon opgelopen. Wij zagen dat de brand beneden hevig aan het branden was. Hierop werd er nog even lekker met een vloeibare stof naar beneden gespoten en die jongens hadden er nog steeds veel lol in. Ik vermoed dat op het moment dat beide jongens e goederen van het balkon naar beneden hadden gegooid er ook iets van terecht is gekomen op het balkon onder ons wat toen hevig is gaan branden. Ik weet namelijk dat daar iets van houten banken op het balkon staan. Er ontstond direct veel rookontwikkeling waarop wij allemaal naar binnen zijn gegaan. Hierop riepen de twee jongens zoiets van: “Wij hebben hier niets mee te maken”, waarop zij allebei naar een kamer toe liepen. NN2 kwam vervolgens in de deuropening staan en had zich uitgekleed en een handdoek om zijn middel gedaan. Hij zei toen nog zoiets van: “Ik doe gewoon alsof ik net onder de douche vandaan kom”. Vanwege de hevige rookontwikkeling heb ik de balkondeur afgesloten. Op dat moment zag ik ook een politieauto aan komen rijden. Ik zag dat de agenten naar boven keken. Ik zag vervolgens dat er echte vlammen waren ontstaan waarop ik iedereen op de verdieping samen met [getuige 2] heb wakker gemaakt. Kort hierop kwamen er meerdere politieagenten ons helpen met het ontruimen. 8. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2015. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: [medeverdachte] (het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte]) en ik hadden een houten pallet en een vuilniszak meegenomen naar het balkon. In ons kinderachtige gedrag ontstond het idee daar iets mee te doen. [medeverdachte] stelde voor om de vuilniszak in brand te steken. Ik zei dat dat een goed idee was. Wij hadden beiden gedronken en op dat moment leek het een goed idee om de vuilniszak aan te steken en naar beneden te gooien. De fles thinner stond binnen. Ik heb de fles thinner aan [medeverdachte] gegeven. Ik hield de vuilniszak vast, [medeverdachte] deed een scheutje thinner in de zak en stak het aan. Ik heb de vuilniszak naar beneden gegooid. Daarna hebben wij samen de brandende pallet van het balkon naar beneden gegooid. Bewijsoverweging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte weliswaar samen met de medeverdachte [medeverdachte] (hierna te noemen: [medeverdachte]) de vuilniszak met thinner in brand heeft gestoken op het balkon van perceel [straatnaam 1] twee hoog en vanaf dat balkon naar beneden heeft gegooid, maar dat niet aannemelijk is dat daardoor de brand op het balkon op de eerste verdieping is ontstaan. Aannemelijker is volgens de raadsman dat de brand op het balkon op de eerste verdieping is ontstaan door het van het balkon gooien van de pallet en in het bijzonder het naspuiten met de thinner. De raadsman heeft betoogd dat het opzet van de verdachte daarop echter niet was gericht en dat dit handelen van de [medeverdachte] voor de verdachte ook niet voorzienbaar was, zodat dit de verdachte niet kan worden aangerekend. Voorts heeft de raadsman de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] betwist. Betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] Het hof gaat bij de vaststelling van de feiten en omstandigheden uit van de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3]. Deze getuigen hebben ieder voor zich kort na het incident een uitgebreide en gedetailleerde verklaring afgelegd bij de politie, welke verklaringen onderling -op essentiële onderdelen- overeenkomen. Deze getuigen zijn ook later nog gehoord door de rechter-commissaris waarbij zij hun verklaringen in grote lijnen – zij het wat minder gedetailleerd – hebben herhaald. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen. Medeplegen Voor medeplegen is noodzakelijk dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op het voltooien van het delict. De medeplegers moeten dus willens en wetens samenwerken tot het verrichten van het strafbare gedrag. De samenwerking moet intensief zijn, waarbij niet alle medeplegers noodzakelijkerwijs alle uitvoeringshandelingen verrichten. De intensieve samenwerking kan blijken uit uitdrukkelijke of stilzwijgende afspraken, taakverdelingen, de aanwezigheid op belangrijke momenten tijdens het delict en/of het zich niet distantiëren van handelingen van de medeverdachte. Voor medeplegen geldt voorts een dubbel opzetvereiste: het opzet op de onderlinge samenwerking en het opzet op de verwezenlijking van het grondfeit, in casu de brandstichting op het balkon op de tweede verdieping. Dit dubbele opzet ligt besloten in de voor medeplegen geldende voorwaarde dat sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot het begaan van het grondfeit. Niet is vereist dat de verdachte op de hoogte was van de precieze gedragingen van zijn medeverdachte. Zo kan voorwaardelijk opzet worden aangenomen voor een handeling van een medeverdachte voor zover deze binnen het gezamenlijke opzet kan worden gebracht. Indien echter het opzet onderling teveel of wezenlijk uiteenloopt en de medeverdachte substantieel verder gaat dan waarop het gezamenlijke opzet is gericht, kan de verdachte daarvoor niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld. Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en [medeverdachte] gezamenlijk het opzet hadden om de vuilniszak en de houten pallet in brand te steken, welk plan zij gezamenlijk hebben uitgevoerd. De verdachte en [medeverdachte] bevonden zich daarbij op een relatief kleine ruimte, te weten het balkon bij perceel [straatnaam 1]. Er was, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, sprake van een verwevenheid van opeenvolgende brandstichtingshandelingen van de verdachte en [medeverdachte], die uiteindelijk hebben geleid tot de brand bij perceel [straatnaam 2]. Dat de verdachte niet zelf alle uitvoeringshandelingen heeft verricht, zoals het naspuiten met de thinner, doet niet af aan de gedeelde verantwoordelijkheid voor die handelingen. Het hof acht bewezen dat de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat [medeverdachte] zou naspuiten met de thinner. Deze handeling van [medeverdachte] reikte niet substantieel verder dan waarop het gezamenlijke opzet van de verdachte en [medeverdachte] was gericht, te weten brandstichting door middel van het gebruik van thinner. Gelet daarop acht het hof de nauwe en bewuste samenwerking bewezen ten aanzien van alle uitvoeringshandelingen, ook het naspuiten met de thinner. Causaal verband Uitgaande van de verklaringen van de getuigen en de verbalisanten ter plaatse is, kort na de brandstichting door de verdachte en [medeverdachte] op het balkon op de tweede verdieping, brand ontstaan op de eerste verdieping. Uit de bewijsmiddelen volgt het causale verband tussen de brandstichting door de verdachte en [medeverdachte] en de ontstane brand op het balkon van het perceel [straatnaam 2], waardoor levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen en gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Een alternatieve causaliteit is niet aannemelijk geworden uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting en overigens ook niet door de verdediging aangevoerd. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Overmacht in de zin van noodtoestand De raadsman heeft betoogd dat het naar beneden gooien van de brandende pallet gerechtvaardigd was omdat sprake was van een noodtoestand. Nu de raadsman hierbij uit gaat van andere feiten en omstandigheden dan het hof hiervoor heeft vastgesteld, wordt het verweer reeds hierom verworpen. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met een ander schuldig gemaakt aan brandstichting op het balkon van de flat waar hij destijds woonde. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij met de brandstichting een levensgevaarlijke situatie heeft veroorzaakt. Immers is de brand gesticht in de nacht op het balkon van een [gebouw] met acht verdiepingen, alwaar een groot aantal personen sliep. Door de oplettendheid van omstanders, onder wie de verbalisanten ter plaatse, zijn ernstige gevolgen voor de gezondheid van in de flat aanwezige personen uitgebleven en is de schade relatief beperkt gebleven tot materiële schade. Dat is niet de verdienste van de verdachte geweest, die geen enkele poging heeft ondernomen om de medebewoners van de flat te behoeden voor verbrandings- of verstikkingsgevaar. Ook heeft hij zich op het moment van de ontruiming onttrokken aan zijn verantwoordelijkheid door de autoriteiten niet te benaderen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte te kennen gegeven het laakbare van zijn handelen, met name na het ontstaan van de brand, in te zien. Hij beseft dat het veel slechter had kunnen aflopen. De verdachte heeft verklaard dat hij een stuk serieuzer is geworden na onderhavig feit. Hij heeft zich volledig op zijn studie gericht en volgt inmiddels de [studie] in Amsterdam. Ook is hij gaan samenwonen met zijn vriendin. Voorts is de verdachte blijkens het hem betreffende Uittreksel Justiele Documentatie van 27 mei 2015 niet eerder en ook na onderhavig feit niet met politie en justitie in aanraking geweest. Hoewel de ernst van het feit de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding daarvan af te zien. Wel acht het hof een forse taakstraf op zijn plaats. Anders dan de verdediging heeft betoogd, acht het hof de rol van de verdachte bij de brandstichting niet kleiner dan die van de medeverdachte. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof ziet geen aanleiding daarnaast – ter waarborging van algemene en/of speciale preventiedoeleinden – een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 55 en 157 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. E.N. van der Spoel en F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 juni 2015. De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= [.........]
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/830170-16 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 september 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , [straatnaam] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2017. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Helmantel, advocaat te Sappemeer. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door D.

Homans. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 17 februari 2016 te Delfzijl opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (motor)benzine, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan (een) trap(treden) en/of een kast in de woning [straatnaam] en/of de woning [straatnaam] geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de woning [straatnaam] en/of de in die woning aanwezige goed(eren) en/of een of meer belendende woningen en/of in die woning(en) aanwezige goed(eren), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een of meer in de belendende woningen aanwezige personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd. Zij heeft daarbij aangevoerd dat er op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting te bewijzen is dat er gevaar voor goederen en personen te duchten was. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de beoordeling van het bewijs. Zij heeft daarbij opgemerkt dat de verdachte weliswaar willens en wetens een brandje wilde stichten, niet zijnde een grote brand, maar dat hij daarbij geen goederen en personen in gevaar wilde brengen.

Oordeel van de rechtbank De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 september 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 maart 2016, opgenomen op pagina 50 e.v. van het dossier van de politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016047998 d.d. 4 mei 2016, inhoudende de verklaring van [getuige] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek brand met bijlage d.d. 17 maart 2016, opgenomen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant en de bevindingen van het Nederlands Forensisch Instituut;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal buurtonderzoek d.d. 15 april 2016, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant. Bewezenverklaring De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: hij op 17 februari 2016 te Delfzijl opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (motor)benzine ten gevolge waarvan traptreden en een kast in de woning [straatnaam] en de woning [straatnaam] gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de woning [straatnaam] en de in die woning aanwezige goederen en een of meer belendende woningen en in die woningen aanwezige goederen en levensgevaar voor een of meer in de belendende woningen aanwezige personen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met aftrek. Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf moeten de algemene en bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met een langdurige proeftijd, waaraan de voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd worden verbonden, in combinatie met een werkstraf.

De raadsvrouw heeft daarbij verwezen naar een arrest van het Hof Amsterdam van 23 juni 2015 en heeft verzocht rekening te houden met de persoon van verdachte. Zij heeft daarbij aangegeven dat verdachte niet gemist kan worden in zijn gezin, mede gelet op de geringe draaglast van zijn vrouw. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het stichten van brand in zijn woning waarbij er gevaar voor personen en goederen te duchten was. Verdachte hoopte daardoor (kennelijk) te bereiken dat hij met zijn gezin niet uit huis zou worden gezet. Hij heeft ervoor gezorgd dat zijn eigen gezinsleden de woning uit waren, voordat hij de (motor)benzine over de trap goot. Verdachte heeft er bij het stichten van de brand geen rekening mee gehouden dat zijn buren eveneens gevaar konden lopen.

Het gevaar voor personen en de belendende woningen was aanwezig omdat de woning deel uitmaakt van een blok van tien woningen en de brand werd gesticht op het bovenste gedeelte van de vaste trap en de overloop, ten gevolge waarvan de brand zich snel en hevig in verticale richting kon ontwikkelen. Uitsluitend door het ingrijpen van anderen is voorkomen dat er meer schade is ontstaan. Brandstichting is een ernstig misdrijf omdat als gevolg hiervan gevaarlijke en onbeheersbare situaties kunnen ontstaan. Het veroorzaakt angst en onrust in de samenleving, hetgeen verdachte zelf heeft gemerkt.

De rechtbank overweegt dat het door verdachte begane misdrijf in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank heeft echter in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank houdt bij de strafoplegging tevens rekening met het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 24 augustus 2017. Uit het reclasseringsrapport blijkt onder meer dat in de periode voorafgaande aan het feit bij verdachte sprake was van oplopende praktische en emotionele problematiek.

De reclassering heeft de indruk dat verdachte functioneert op laagbegaafd niveau en dat de draaglast bij verdachte te groot is geworden. Verdachte heeft spijt van zijn handelen en realiseert zich achteraf dat hij anderen in gevaar heeft gebracht. Hij heeft zijn praktische problemen met behulp van Stichting Welzijn en Dienstverlening aangepakt en staat open voor behandeling ten aanzien van de bij hem spelende emotionele problematiek. De reclassering schat in dat de kans op delictgedrag aanwezig blijft indien verdachte geen hulp krijgt voor de verwerking van zijn negatieve jeugdervaringen en het overlijden van zijn dochtertje.

De reclassering adviseert de rechtbank aan een (deels) voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden te verbinden, zijnde een meldplicht, onderzoek en ambulante behandeling bij de AFPN, alsmede begeleiding door Stichting Welzijn en Dienstverlening bij praktische zaken. Gelet op de persoon van verdachte en de problematische (huisvestings)situatie waarin verdachte en zijn gezin zich thans nog steeds bevinden, acht de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte begeleiding en toezicht krijgt, om hem de nodige steun te verlenen, maar vooral ook om herhaling van vergelijkbare feiten te voorkomen.

De rechtbank ziet al met al in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om af te zien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op van na te noemen duur met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een maximale, onvoorwaardelijke taakstraf op. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak De rechtbank Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar. Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich meldt bij Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen en dat veroordeelde zich blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat onderzoeken en indien nodig zich aansluitend laat behandelen bij de AFPN of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. De behandeling kan ook een delictanalyse en een signaleringsplan inhouden;

3. dat de veroordeelde zich laat begeleiden bij praktische zaken als huisvesting, dagbesteding en geldzaken door Stichting Welzijn en Dienstverlening in Delfzijl of soortgelijke ambulante zorg, zolang de reclassering dit nodig acht. Draagt Reclassering Nederland op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. een taakstraf voor de duur van 240 uren. Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling. Dit vonnis is gewezen door mr. F. de Jong, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door mr. M.C. Nijboer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 september 2017. Mr. A.G.D. Overmars is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

ECLI:NL:GHAMS:2015:2452