Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBNNE:2017:1066 ECLI:NL:RBNNE:2017:1066 AI generated

ECLI:NL:RBNNE:2017:1066 · Rechtbank Noord-Nederland

Case Number ECLI:NL:RBNNE:2017:1066
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

verdachte op of omstreeks 22 januari 2015, in elk geval in of omstreeks de periode omvattende de maand(en) november 2014 en/of december 2014 en/of januari 2015, te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Noordenveld, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in een schuur behorende bij de woning aan de [straatnaam] , aldaar,) (ongeveer) 340, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of een hoeveelheid of hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 12.650 gram henneptoppen en/of hennepgruis, in elk geval (telkens) een hoeveelheid of hoeveelheden van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBNNE:2017:1066 · Rechtbank Noord-Nederland: Medeplegen van in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Keywords

AI generated
offences against public health destruction of crops electromagnetic interference disruption of public services unlawful abstraction of energy prohibited practices

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2015:3786
Parketnummer: 23-002034-14 Datum uitspraak: 20 juli 2015 TEGENSPRAAK (gevolmachtigd raadsvrouw) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 20 maart 2012 in de strafzaak onder parketnummer 15-660124-11 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 09 februari 2010 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straatnaam]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 600 hennep(moeder)planten en/of 9880 hennepstekken, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Bespreking verweren raadsvrouw De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde strafbare feit omdat de betrokkenheid van de verdacht alleen kan volgen uit de verklaring van de getuige [getuige], er geen kopie van een identiteitsbewijs is overgelegd bij het aangaan van de huurovereenkomst en het enkel huren van een ruimte onvoldoende is om als pleger te worden aangemerkt. Het hof volgt de raadsvrouw niet in haar betoog. De verklaring over de betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij is weliswaar in belangrijke mate gebaseerd op de verklaring van de getuige [getuige], maar uit deze verklaring volgt wel dat de verdachte meer deed dan alleen het huren van een ruimte. De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij met de verdachte (die zich ook als zodanig heeft geïdentificeerd) een huurcontract heeft gesloten voor huur van perceelnummer 11 aan de [straatnaam] in Zwanenburg. Bijna iedere dag was er wel iemand aanwezig in het pand en de getuige heeft de verdachte dagelijks tussen 10.00 en 16.00 uur gezien in het verhuurde gedeelte waar de verdachte aan het werk was. De getuige heeft verklaard dat de verdachte hem ook een maal heeft gevraagd het alarm er af te laten, omdat de verdachte nog moest werken na 16.00 uur. Ten slotte heeft de getuige verklaard dat het de verdachte is die een sleutel van het pand heeft (verklaring getuige [getuige], dossierpagina’s 43 en 44). Gelet op de gedetailleerde verklaring van de getuige [getuige] en de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, waaronder het aantreffen van de hennepkwekerij en de door de verdachte getekende huurovereenkomst, wordt het verweer van de raadsvrouw verworpen en acht het hof bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 9 februari 2010 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk heeft geteeld, in een pand aan de [straatnaam], een hoeveelheid van ongeveer 600 hennepmoederplanten en 9880 hennepstekken. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft gedurende een langere periode (en met een zekere professionaliteit) een hennep(stekken)kwekerij gedreven. De aangetroffen hoeveelheid hennepstekken kwam uit op een totaal van 9880: een hoeveelheid die slechts bedoeld kan zijn voor de handel. Van hennep is algemeen bekend dat het de gezondheid van de gebruikers kan schaden. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van het criminele circuit waarin deze softdrugs in illegale kwekerijen worden geproduceerd en waar winst wordt gemaakt met de handel daarin. Het hof heeft de landelijke oriëntatiepunten in de straftoemeting betrokken, voor zover deze voor het onderhavige feit zijn vastgesteld. Deze geven, ten aanzien van de moederplanten en wanneer sprake is van 500 tot 1000 planten, als uitgangspunt voor het min of meer bedrijfsmatig of met een zekere mate van professionaliteit kweken van hennepplanten in ruimtes zoals een woonhuis, loods of andere soortgelijke ruimte met als kennelijk doel de verkoop van de (geoogste) planten, een taakstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Voor de specifieke overtreding van de Opiumwet met de hennepstekken, zoals ook is bewezenverklaard, zijn geen afzonderlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting vastgesteld. Het hof zal hierbij acht slaan op de grote hoeveelheid aangetroffen hennepstekken. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 juni 2015 is de verdachte eerder voor hennepteelt onherroepelijk veroordeeld. Het hof houdt bij de strafmaat rekening met het feit dat een eerdere veroordeling de verdachte niet heeft weerhouden van het wederom opzetten van een hennep(stekken)kwekerij. Het hof acht, alles afwegende, alsook gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. M. Jurgens en mr. P.C. Römer, in tegenwoordigheid van mr. M. Helmers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juli 2015. mr. Jurgens en mr. Römer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= [....]
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Assen parketnummer 18/920018-15 vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 maart 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , [straatnaam] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2017. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.W. Knottenbelt, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Wildeman. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. verdachte op of omstreeks 22 januari 2015, in elk geval in of omstreeks de periode omvattende de maand(en) november 2014 en/of december 2014 en/of januari 2015, te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Noordenveld, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in een schuur behorende bij de woning aan de [straatnaam] , aldaar,) (ongeveer) 340, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of een hoeveelheid of hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 12.650 gram henneptoppen en/of hennepgruis, in elk geval (telkens) een hoeveelheid of hoeveelheden van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. verdachte op of omstreeks 22 januari 2015, in elk geval in of omstreeks de periode omvattende de maand(en) november 2014 en/of december 2014 en/of januari 2015, te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Noordenveld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid of hoeveelheden electriciteit, althans (electrische) energie, in elk geval enig goed, (alles) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of verdachtes mededader(s), waarbij verdachte en/of verdachtes mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder verdachtes/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Beoordeling van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het procesdossier voldoende bewijs bevat voor beide feiten en dat de verdachte bekent. Zij acht het medeplegen van het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen een veroordeling van de verdachte. De raadsman heeft over het bewijs opgemerkt dat de tenlastelegging uitgaat van 250 stekken, maar dat er slechts bewijs is voor 193 stekken.

Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde, met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte dit bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2017.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van Politie Noord-Nederland d.d. 21 april 2015, opgenomen op pagina 98 e.v. van dossier met nummer PL0100-2015022384 d.d. 17 mei 2015, inhoudende de relatering van verbalisant [naam] .

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming van Politie Noord-Nederland d.d. 28 januari 2015, opgenomen op pagina 41A e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant [naam] .

4. Een aangifte van [slachtoffer] d.d. 2 februari 2015, opgenomen op pagina 44 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam] . Bewezenverklaring De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. verdachte op 22 januari 2015, te [pleegplaats] , in de gemeente Noordenveld, tezamen en in vereniging met een ander, in de uitoefening van een bedrijf, opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt, in een schuur behorende bij de woning aan de [straatnaam] , aldaar, een groot aantal hennepplanten, een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; en dat: verdachte op 22 januari 2015, te [pleegplaats] , in de gemeente Noordenveld, in de uitoefening van een bedrijf, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een schuur behorende bij de woning aan de [straatnaam] , aldaar, een groot aantal hennepplanten en een hoeveelheid van in totaal ongeveer 12.650 gram henneptoppen en hennepgruis, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2. verdachte op 22 januari 2015, te [pleegplaats] , in de gemeente Noordenveld, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit toebehorende aan [slachtoffer] . De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op:

1. Medeplegen van in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

2. Diefstal. Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De officier van justitie neemt bij het bepalen van die strafeis in aanmerking de richtlijnen van het Openbaar Ministerie, het feit dat de verdachte een first offender is en het tijdsverloop.

In het bijzonder neemt zij in aanmerking dat de verdachte, zoals de meeste henneptelers, met een financieel motief hennep heeft gekweekt. De verklaring van de verdachte dat hij een legale hennepzadenhandel drijft, maakt dit niet anders. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft gepleit voor een strafafdoening bestaande uit een taakstraf van 40 uur en een geldboete van €1.250,00 voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde. De raadsman heeft verzocht bij de bepaling van de strafmaat alleen de aangetroffen moederplanten, te weten 90 planten, een rol te laten spelen.

Daartoe heeft de raadsman verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3786. Daarnaast heeft de raadsman in het kader van de strafmaat aangevoerd dat de 12.650 gram ten laste gelegde hennep, natte hennep betreft. De verdediging stelt zich op het standpunt dat dit ingevolge de jurisprudentie gelijk staat aan een hoeveelheid van ongeveer 2.500 gram droge hennep, die voor het bepalen van de strafmaat van belang is. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met een geringe overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna:

EVRM). Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich -tezamen en in vereniging met een ander- schuldig gemaakt aan het bewerken en verwerken van hennep in de uitoefening van zijn bedrijf.

Daarnaast heeft de verdachte een grote hoeveelheid hennep aanwezig gehad in de uitoefening van zijn bedrijf. De rechtbank rekent de verdachte deze feiten in hoge mate aan, nu de uit hennepplanten te verkrijgen stof bij gebruik niet alleen schadelijk is voor de volksgezondheid, maar daarnaast direct en indirect oorzaak is van vele vormen van criminaliteit en overlast. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit. De rechtbank rekent de verdachte dit feit aan, nu de verdachte inbreuk heeft gemaakt op eigendom van een ander.

Bovendien heeft de verdachte bij de diefstal de aansluitkast gemanipuleerd waardoor de elektriciteitsinstallatie niet meer veilig was. Door [slachtoffer] is na onderzoek geconstateerd dat de behuizing en de kabels van de aansluiting deels waren gesmolten waardoor de kans op woningbrand zeer groot was. Aldus heeft verdachte niet alleen zijn eigen leven, maar ook de levens van zijn gezinsleden geriskeerd. Voor enig vergelijk heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. De rechtbank heeft geen onderscheid gemaakt tussen moederplanten en andere hennepplanten, nu de oriëntatiepunten daartoe geen aanleiding geven.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat een deel van de aangetroffen hoeveelheid hennep die de verdachte aanwezig had, natte hennep betrof, terwijl bij de strafoplegging het gewicht van deze hennep in gedroogde vorm in aanmerking dient te worden genomen. De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheid dat er sprake is van een relatief lange periode tussen de pleegdatum en de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uur, passend en geboden is.

De tijd die de verdachte in verzekering gesteld is geweest, zal op deze taakstraf in mindering worden gebracht. De rechtbank zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde. DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT: Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot:  Een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.  Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 120 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast. Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling. Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, mr. G. Eelsing en mr. R. Depping, rechters, bijgestaan door mr. M.T. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2017.