ECLI:NL:RBNNE:2016:3583 · Rechtbank Noord-Nederland
Legislator summary
AI generatedRECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18/750031-13 beslissing van de meervoudige kamer d.d. 5 juli 2016 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaak tegen [veroordeelde] , veroordeelde, geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Procesverloop De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 351.857,20 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/750031-13 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
Legislator headnote
AI generatedartikel 36e van het Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBNNE:2016:3583 · Rechtbank Noord-Nederland: De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 24 mei 2016. De veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek. Beoordeling De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 12 september 2014 in de zaak met parketnummer 18/750031-13 veroordeeld ter zake opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod. De veroordeelde is bij voormeld vonnis vrijgesproken van het opzettelijk telen van hennep.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18/750031-13 beslissing van de meervoudige kamer d.d. 5 juli 2016 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaak tegen [veroordeelde] , veroordeelde, geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Procesverloop De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 351.857,20 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/750031-13 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 24 mei 2016. De veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek. Beoordeling De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 12 september 2014 in de zaak met parketnummer 18/750031-13 veroordeeld ter zake opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod. De veroordeelde is bij voormeld vonnis vrijgesproken van het opzettelijk telen van hennep.
Met de officier van justitie -die ter terechtzitting zijn eerder ingenomen standpunt heeft herzien- en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het enkele aanwezig hebben van hennep. De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie afwijzen. Toepassing van de wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing Wijst de vordering van de officier van justitie af. Deze uitspraak is gegeven door mr.
N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. L.G. Wijma, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 juli 2016.