ECLI:NL:RBNNE:2016:2347 · Rechtbank Noord-Nederland
Legislator summary
AI generatedRECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/820233-15 (vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel) raadsman: mr. L.A.A. Ongenae beslissing van de meervoudige kamer voor behandeling van strafzaken d.d. 22 januari 2016 op een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] . Deze beslissing is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari 2016.
Legislator headnote
AI generatedartikel 36e van het Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBNNE:2016:2347 · Rechtbank Noord-Nederland: L.A.A. Ongenae beslissing van de meervoudige kamer voor behandeling van strafzaken d.d. 22 januari 2016 op een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] . Deze beslissing is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari 2016.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedRelated Decisions
AI generatedFull text
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/820233-15 (vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel) raadsman: mr. L.A.A. Ongenae beslissing van de meervoudige kamer voor behandeling van strafzaken d.d. 22 januari 2016 op een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] . Deze beslissing is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari 2016.
Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op 7 december 2015 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag zal vaststellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 99.141,60 ter ontneming van het in de zaak met parketnummer 18/820233-15 voortvloeiende wederrechtelijk verkregen voordeel. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen, nu hij in de hoofdzaak vrijspraak van het ten laste gelegde heeft bepleit.
Beoordeling De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 22 januari 2016, gewezen onder parketnummer 18/820233-15, vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Gelet hierop is er geen grondslag voor de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Om die reden zal de rechtbank de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht afwijzen. Beslissing De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie af. Deze beslissing is gegeven door mr.
L.H.A.M. Voncken, voorzitter, mrs. H.L. Stuiver en S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 januari 2016.